
“Om deze redenen kwam Hij tot ons; om deze redenen, hoewel Hij onlichamelijk was, vormde Hij voor Zichzelf een lichaam naar onze vorm, – verschijnend als een schaap, maar toch de Herder blijvend; geacht als een dienaar, maar toch het Zoonschap niet verloochenend; gedragen in de schoot van Maria, maar toch gekleed in de natuur van Zijn Vader; tredend op de aarde, maar toch de hemel vullend; verschijnend als een kind, maar toch de eeuwigheid van Zijn natuur niet verwerpend; bekleed met een lichaam, maar toch de onvermengde eenvoud van Zijn Godheid niet beperkend; geacht als arm, maar toch niet ontdaan van Zijn rijkdommen; behoeftig aan voedsel, aangezien Hij mens was, maar toch niet ophoudend de hele wereld te voeden, aangezien Hij God is; de gelijkenis van een dienaar aannemend, maar toch de gelijkenis van Zijn Vader niet schadend. Hij behield elk karakter dat Hem toebehoorde in een onveranderlijke natuur: Hij stond voor Pilatus, en zat tegelijkertijd bij Zijn Vader; Hij werd aan het hout genageld, en toch was Hij de Heer van alle dingen.”
― Melito van Sardis – 160 AD
