St Augustinus : Maar terwijl hij sprak, keerde U, o Heer, mij naar mijzelf toe, nam mij van achter mijn rug, waar ik mijzelf had neergezet terwijl ik niet bereid was om zelfonderzoek te doen………

Confessio1

ST.AUGUSTINUS

BEKENTENISSEN – BOEK  ACHT

HOOFDSTUK VII

16. Zo was het verhaal dat Ponticianus vertelde : 

Maar terwijl hij sprak, keerde U, o Heer, mij naar mijzelf toe, nam mij van achter mijn rug, waar ik mijzelf had neergezet terwijl ik niet bereid was om zelfonderzoek te doen. En nu zette U mij oog in oog met mijzelf, zodat ik kon zien hoe lelijk ik was, en hoe krom en smerig, bevlekt en zwerenachtig. En ik keek en ik verafschuwde mijzelf; maar waarheen ik mijzelf moest vluchten kon ik niet ontdekken. En als ik mijn blik van mijzelf wilde afwenden, zou hij zijn verhaal voortzetten, en U zou mij tegenover mijzelf plaatsen en mij voor mijn eigen ogen werpen, zodat ik mijn ongerechtigheid zou ontdekken en het zou haten. Ik had het geweten, maar deed alsof ik het niet wist – ik knipoogde ernaar en vergat het.

 17. Maar nu, hoe vuriger ik hen liefhad van wie ik hoorde dat ze zich geheel aan jou hadden overgegeven om genezen te worden, hoe meer ik mezelf verafschuwde in vergelijking met hen. Want veel van mijn jaren, misschien wel twaalf, waren verstreken sinds mijn negentiende, toen ik, na het lezen van Cicero’s Hortensius, werd gewekt door een verlangen naar wijsheid. En hier was ik, nog steeds het opgeven van het geluk van deze wereld uitstellend om mezelf te wijden aan het zoeken. Want niet alleen het vinden, maar ook het louter zoeken ernaar, had de voorkeur moeten krijgen boven de schatten en koninkrijken van deze wereld; beter dan alle lichamelijke genoegens, ook al waren ze voor het grijpen. Maar, ellendige jeugd die ik was, uiterst ellendig zelfs in het begin van mijn jeugd, ik had je om kuisheid gesmeekt en gebeden: “Geef mij kuisheid en zelfbeheersing, maar nog niet.” Want ik was bang dat U mij te vroeg zou horen, en mij te snel zou genezen van mijn ziekte van lust, die ik liever bevredigd dan uitgeblust wilde zien. En ik had rondgezworven door perverse wegen van goddeloos bijgeloof – ik was er ook niet echt zeker van, maar ik gaf er de voorkeur aan boven het andere, dat ik niet zocht in vroomheid, maar waar ik me in kwaadaardigheid tegen verzette.

18. En ik dacht dat ik dag na dag talmde met het verwerpen van die wereldse verwachtingen en het alleen volgen van jou, omdat er niets zekers leek te zijn waarmee ik mijn koers kon bepalen. En nu was de dag aangebroken waarop ik voor mezelf werd blootgelegd en mijn geweten mij zou berispen: “Waar ben je, o mijn tong? Je zei inderdaad dat je de bagage van ijdelheid niet wilde afwerpen voor onzekere waarheid. Maar zie, nu is het zeker, en nog steeds drukt die last je. Tegelijkertijd hebben degenen die zich niet hebben uitgeput met het zoeken ernaar zoals jij, noch tien jaar of meer hebben besteed aan het nadenken erover, hun schouders ontlast en vleugels gekregen om weg te vliegen.” Zo was ik innerlijk verward en enorm verward met een vreselijke schaamte, terwijl Ponticianus doorging met het vertellen van zulke dingen. En toen hij zijn verhaal had beëindigd en de zaak waarvoor hij was gekomen, ging hij zijn weg. En wat zei ik toen niet tegen mezelf, in mezelf? Met welke gesels van berisping heb ik mijn ziel niet gegeseld om haar mij te laten volgen, terwijl ik worstelde om jou te volgen? Toch trok ze zich terug. Ze weigerde. Ze wilde geen poging doen. Al haar argumenten waren uitgeput en weerlegd. Toch verzette ze zich in sombere onrust, bang om die gewoonte af te snijden waardoor ze tot de dood werd verspild, alsof dat de dood zelf was.

St Augustinus

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie