Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.
Sint Augustinus vertelt ons dat het passend was dat Sint Jacobus ons in zijn brief waarschuwde om niet te denken dat we gered konden worden door geloof als ons leven niet hervormd werd. Want hij verkondigde heel duidelijk: “Als iemand zegt dat hij geloof heeft, maar hij heeft geen werken, zal zijn geloof hem dan kunnen redden?”
Het was beslist een heilzame waarschuwing opdat gelovigen niet zouden denken dat zij alleen op grond van hun geloof gered zouden kunnen worden, ook al zouden zij in dit kwaad moeten leven: de apostel Jakobus heeft zich met de meest duidelijke woorden tegen dat idee uitgesproken en gezegden : Als iemand zegt dat hij geloof heeft en geen werken heeft, zal zijn geloof dan in staat zijn Hem te redden.
Maar als u iemand ontmoet die nog niet in het evangelie gelooft, hoe zou u hem dan antwoorden als hij zou zeggen: “Ik geloof niet?” Wat mij betreft, ik zou het evangelie niet moeten geloven, tenzij als het door het gezag van de katholieke Kerk wordt bewogen. Dus als degenen op wier gezag ik heb toegestemd om in het evangelie te geloven, mij zeggen dat ik niet in Manichaeus moet geloven, hoe kan ik dan niet toestemmen? Maak uw keuze. Als u zegt: Geloof de katholieken: hun advies aan mij is om geen vertrouwen in u te stellen; zodat ik, als ik ze geloof, u niet kan geloven – Als u zegt: Geloof de katholieken niet: u kunt het evangelie niet eerlijk gebruiken om mij in Manichaeus tot geloof te brengen; want het was op bevel van de katholieken dat ik het evangelie geloof; Nogmaals, als u zegt: U had gelijk toen u de katholieken geloofde toen zij het evangelie prezen, maar ongelijk toen u hun scheldwoorden van Manichaeus geloofde: denkt u dat ik zo’n dwaas ben om te geloven of niet te geloven zoals u wilt of niet leuk vindt? Zonder enige reden? Het is daarom veel eerlijker en veiliger voor mij, omdat ik in één geval vertrouwen heb gesteld in de katholieken , om niet naar u toe te gaan, totdat u, in plaats van mij te vragen te geloven , mij iets op de duidelijkste en meest openlijke manier laat begrijpen.
Hoe ziet liefde eruit? Het heeft de handen om anderen te helpen. Het heeft de voeten om zich naar de armen en behoeftigen te haasten. Het heeft ogen om de ellende en het gebrek te zien. Het heeft oren om de zuchten en het verdriet van mensen te horen. Zo ziet liefde eruit.
“Een broeder kwam om Abba Macarius de Egyptenaar te zien en zei tegen hem: ‘Abba, geef me een woord, zodat ik gered kan worden.’ Dus zei de oude man: ‘Ga naar de begraafplaats en scheld [beledig] de doden.’ De broeder ging daarheen, schold [beledigde] hen uit en gooide stenen naar hen; toen keerde hij terug en vertelde het aan de oude man. Deze zei tegen hem: ‘Hebben ze je niets gezegd?’ Hij antwoordde: ‘Nee.’ De oude man zei: ‘Ga morgen terug en prijs ze.’ Dus ging de broeder weg en prees hen, en noemde ze ‘Apostelen, heiligen en rechtvaardige mannen.’ Hij keerde terug naar de oude man en zei tegen hem: ‘Ik heb ze gecomplimenteerd.’ En de oude man zei tegen hem: ‘Hebben ze je niet geantwoord?’ De broeder zei nee. De oude man zei tegen hem: ‘Je weet hoe je ze beledigde en ze niet antwoordden, en hoe je ze prees en ze niet spraken; dus ook jij, als je gered wilt worden, moet hetzelfde doen en een dode man worden. Houd, net als de doden, geen rekening met de minachting van mensen of hun lof, en je kunt gered worden.”
De zonden van de rijken, zoals hebzucht en egoïsme, zijn voor iedereen duidelijk zichtbaar. De zonden van de armen zijn minder opvallend, maar net zo corrosief voor de ziel. Sommige arme mensen zijn geneigd om de rijken te benijden; dit is inderdaad een vorm van plaatsvervangende hebzucht, omdat de arme persoon die grote rijkdom wil, in geest niet anders is dan de rijke persoon die grote rijkdom vergaart. Veel arme mensen worden gegrepen door angst: hun hart is gevangen in een keten van angst, zich zorgen makend of ze morgen eten op hun bord zullen hebben of kleren aan hun lijf. Sommige arme mensen formuleren voortdurend in hun gedachten sluwe plannen om de rijken te bedriegen om hun rijkdom te verkrijgen; dit is in geest niet anders dan de rijken die plannen maken om de armen uit te buiten door lage lonen te betalen. De kunst van arm zijn is om voor alles op God te vertrouwen, niets te eisen – en dankbaar te zijn voor alles wat gegeven wordt.
Johannes Chryssostomos : “On living dimply, Homily 7”.
“Vermijd vooral leugens, alle leugens, vooral de leugen tegen jezelf. Houd je eigen leugen in de gaten en onderzoek hem elk uur, elke minuut. En vermijd minachting, zowel voor anderen als voor jezelf: wat jou in jezelf slecht lijkt, wordt gezuiverd door het feit dat je het in jezelf hebt opgemerkt. En vermijd angst, hoewel angst gewoon het gevolg is van elke leugen. Wees nooit bang voor je eigen lafhartigheid bij het verkrijgen van liefde, en wees intussen zelfs niet erg bang voor je eigen slechte daden.”
Nederlandse vertaling 1.Blijf bij mij Heer, nu het snel donker wordt De duisternis wordt dieper, blijf bij mij Heer Als vrienden mij teleurstellen en hulp wegvalt Hulp van de hulpelozen, blijft U dan bij mij
2.Wat is hier blijvend, dat het hart gelukkig maakt Geluk op deze aarde vervaagt, de glans gaat er af Alles verandert, ik zie verval overal om mij heen maar U die nooit verandert, blijft U bij mij!
3.Houdt uw kruis voor mijn ogen, Heer, als ze dichtvallen Schijn door mijn somberheid en wijs mij op de hemel De ochtend van de hemel breekt aan de schaduw van het aardse leven vlucht In het leven en in de dood bent U bij mij, Heer.
Vrije vertaling
Tijd van vloek en zegen
Tekst: Huub Oosterhuis – Melodie: Henri Heuvelmans Muziekbewerking, audio opname en nabewerking: Frank van Essen
Solozang: Joy Wielkens Petruskoor o.l.v. Betthilde Keij Piano: Jan Willem van Delft Gitaar: Allard Gosens
Licht dat ons aansteekt in de morgen – Huub Oosterhuis
Liedtekst
Licht dat ons aanstoot in de morgen voortijdig licht waarin wij staan. Koud, één voor één, en ongeborgen, licht overdek mij, vuur mij aan. Dat ik niet uitval, dat wij allen zo zwaar en droevig als wij zijn, niet uit elkaars genade vallen en doelloos en onvindbaar zijn. Alles zal zwichten en verwaaien wat op het licht niet is geijkt. Taal zal alleen verwoesting zaaien en van ons doen geen daad bekijft. Veelstemmig licht, om aan te horen zolang ons hart nog slagen geeft. Liefste der mensen, eerstgeboren, licht, laatste woord van Hem die leeft.
De passie van onze Heer en Redder Jezus Christus is de hoop op glorie en een les in geduld. Wat mogen de harten van gelovigen zichzelf niet beloven als het geschenk van Gods genade, wanneer Gods enige Zoon, co-eeuwig met de Vader, omwille van hen niet tevreden was om alleen als mens geboren te worden uit menselijke afkomst, maar zelfs stierf door de handen van de mensen die hij had geschapen?
Het is een groot ding dat ons door de Heer is beloofd; maar veel groter is wat al voor ons is gedaan en dat wij nu herdenken. Waar waren de zondaars, wat deden zij toen Christus voor hen stierf? Wanneer Christus ons reeds de gave van zijn dood heeft gegeven, wie twijfelt er dan aan dat hij de heiligen de gave van zijn eigen leven zal geven? Waarom aarzelt onze menselijke zwakheid om te geloven dat de mensheid op een dag met God zal leven?
Wie is Christus als niet het Woord van God: in het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God? Deze kracht van zichzelf om voor ons te sterven: hij moest ons sterfelijk vlees van ons nemen. Dit was de manier waarop hij, hoewel onsterfelijk, in staat was om te sterven; de manier waarop hij ervoor koos om leven te geven aan sterfelijke mensen: hij zou eerst met ons delen, en ons dan in staat stellen om met hem te delen. Van onszelf hadden we geen kracht om te leven, noch had hij van zichzelf de kracht om te sterven.
jDaarom heeft hij een wonderbaarlijke uitwisseling met ons tot stand gebracht, door middel van wederzijdse uitwisseling: wij gaven hem de macht om te sterven, hij zal ons de macht geven om te leven.
De dood van de Heer onze God zou voor ons geen reden tot schaamte moeten zijn; het zou eerder onze grootste hoop, onze grootste glorie moeten zijn. Door de dood op zich te nemen die hij in ons vond, heeft hij zeer getrouw beloofd ons leven in hem te geven, zoals wij dat niet uit onszelf kunnen hebben.
Hij hield zoveel van ons dat Hij, zelf zondeloos, voor ons zondaars de straf leed die wij verdienden voor onze zonden. Hoe kan Hij dan nalaten ons de beloning te geven die wij verdienen voor onze rechtvaardigheid, want Hij is de bron van rechtvaardigheid? Hoe kan Hij, wiens beloften waar zijn, nalaten de heiligen te belonen wanneer Hij de straf van zondaars droeg, hoewel Zelf zonder zonde?
Broeders en zusters, laten wij dus onbevreesd erkennen en zelfs openlijk verkondigen dat Christus voor ons gekruisigd is. Laten wij dit belijden, niet met vrees, maar met vreugde, niet met schaamte, maar met heerlijkheid.
De apostel Paulus zag Christus en prees zijn aanspraak op glorie. Hij had veel grote en geïnspireerde dingen over Christus te zeggen, maar hij zei niet dat hij roemde in Christus’ wonderbaarlijke werken: in het scheppen van de wereld, aangezien hij God was met de Vader, of in het regeren van de wereld, hoewel hij ook een mens was zoals wij. In plaats daarvan zei hij: Laat mij niet roemen, behalve in het kruis van onze Heer Jezus Christus.
De dood van de dood ,door Augustinus van Hippo (354-430 n.Chr.)
Hij stierf, maar hij overwon de dood. Hij maakte in zichzelf een einde aan wat wij vreesden. Hij nam de dood op zich en overwon hem. Als een machtige jager ving en doodde hij de leeuw.
Waar is de dood? Zoek hem in Christus, want hij bestaat niet meer; maar hij bestond en is nu dood. O leven, o dood van de dood! Wees goedhartig; hij zal ook in ons sterven. Wat in ons hoofd heeft plaatsgevonden, zal in zijn leden plaatsvinden; de dood zal ook in ons sterven. Maar wanneer? Aan het einde van de wereld, bij de opstanding van de doden waarin wij geloven en waaraan wij niet twijfelen. ( Preek 233.3-4 )
“Terwijl zij toekeken , zo kijken ook wij naar zijn wonden terwijl hij hangt. We zien zijn bloed terwijl hij sterft. We zien de prijs die de verlosser biedt, raken de littekens van zijn opstanding aan. Hij buigt zijn hoofd, alsof hij je wil kussen. Zijn hart wordt als het ware opengelegd in liefde voor jou. Zijn armen zijn uitgestrekt zodat hij je kan omhelzen. Zijn hele lichaam wordt tentoongesteld voor jouw verlossing. Denk eens na over hoe groot deze dingen zijn. Laat dit alles goed in je gedachten worden gewogen: zoals hij ooit in elk deel van zijn lichaam voor jou aan het kruis werd bevestigd, zo kan hij nu in elk deel van je ziel worden bevestigd.”
“Toen de Heilige Maagd uiteindelijk de loop van dit leven had volbracht en nu uit deze wereld zou worden weggeroepen , werden alle apostelen uit de regio’s naar haar huis verzameld… en zie, de Heer Jezus kwam met zijn engelen en , terwijl ze haar ziel ontvingen… bij het aanbreken van de dag tilden de apostelen het lichaam met de bank op en legden het in het graf, en ze bewaakten het in afwachting van de komst van de Heer. En zie, de Heer stond opnieuw bij hen en beval dat het heilig lichaam wordt opgenomen en op een wolk naar het paradijs word gedragen, waar ze nu, herenigd is met haar ziel….”
Fragment uit een homilie….
“De apostelen echter hieven het kostbare lichaam van onze meest glorieuze dame, Maria, de Moeder van God en eeuwige maagd, en plaatsten het in een nieuw graf, op de plaats die de Heiland hen had gewezen. Ze bleven drie dagen op die plaats, wakker in eenheid van geest. En na de derde dag openden ze de sarcofaag om de kostbare tabernakel te vereren van haar die alle lof verdient,maar vonden alleen haar graf-kleding; want ze was weggenomen door Christus, de God die vlees van haar werd, naar de plaats van haar eeuwigheid naar de plaats van haar eeuwige, levende erfenis. En onze Heer Jezus Christus Zelf glorie schonk aan Zijn onbevlekte MoederMaria Theotokos, zal ook glorie schenken aan hen die haar verheerlijken.”
Why He would ask us to pray, when He knows what we need before we ask Him, can confuse us if we do not realize that our Lord and God does not want to know what we want (for He cannot miss it), but wants that we prefer to exercise our desire through our prayers. so that we can receive what he wants to give us. His gift is very great indeed, but our capacity is too small and limited to receive it. Therefore we are told: Enlarge your desires, and do not be enslaved to unbelievers.
The deeper our faith, the stronger our hope, the greater our desire, the greater will be our capacity to receive that gift, which is very great indeed. No eye has seen it; it has no color. No ear has heard it; it has no sound. It has not entered into the heart of man; The heart of man must go into it.
In this faith, this hope, and this love, we always pray with untiring desire. But at set times and times we also pray to God in words, so that through these signs we can instruct ourselves and mark the progress we have made in our desire and exhort ourselves to deepen it. The more fervent the desire, the more worthy will be its fruit. When the Apostle tells us, Pray without ceasing, he means this: Desire without ceasing that life of happiness, which is nothing but eternal, and ask it of him who alone is able to give it.
Saint Augustine
St Augustinus van Hippo
Waarom Hij ons zou vragen om te bidden, terwijl Hij weet wat we nodig hebben voordat we Hem vragen, kan ons verwarren als we niet beseffen dat onze Heer en God niet wil weten wat we willen (want Hij kan het niet missen), maar wil dat we liever ons verlangen uitoefenen door onze gebeden. zodat we kunnen ontvangen wat hij ons wil geven. Zijn gave is inderdaad heel groot, maar onze capaciteit is te klein en te beperkt om het te ontvangen. Daarom wordt ons gezegd: Verruim uw begeerten, draag het juk niet met ongelovigen.
Hoe dieper ons geloof, hoe sterker onze hoop, hoe groter ons verlangen, des te groter zal ons vermogen zijn om die gave te ontvangen, die inderdaad zeer groot is. Geen oog heeft het gezien; het heeft geen kleur. Geen oor heeft het gehoord; het heeft geen geluid. Het is niet in het hart van de mens opgekomen; Het hart van de mens moet erin gaan.
In dit geloof, deze hoop en deze liefde bidden wij altijd met onvermoeid verlangen. Maar op gezette tijden en tijden bidden we ook in woorden tot God, zodat we door deze tekenen onszelf kunnen onderrichten en de vooruitgang die we in ons verlangen hebben gemaakt, kunnen markeren en onszelf kunnen aansporen om het te verdiepen. Hoe vuriger het verlangen, des te waardiger zal de vrucht ervan zijn. Als de apostel ons zegt: Bid zonder ophouden, dan bedoelt hij dit: verlang onophoudelijk naar dat leven van geluk, dat niets anders is dan eeuwig, en vraag het aan hem die alleen in staat is het te geven.
Saint Basil says of solitude: “A solitary life is the school in which the heavenly doctrine is learned and a preparation for the practice of the divine arts is given. It is a paradise of pleasures that diffuses the perfume of virtue. For there are the roses of charity clothed in crimson flames, and no sudden gusts are able to destroy the violets of humility. There the myrrh of perfect mortification spreads, and the incense of constant prayer hangs heavy in the air.” And as if this were not enough praise, he adds: “O workshop of spiritual training, in which the human soul rebuilds within itself the image of its Creator and returns to its original purity.” Saint Basil .
De heilige Basilius zegt over de eenzaamheid: “Een eenzaam leven is de school waarin de hemelse leer wordt geleerd en een voorbereiding op de beoefening van goddelijke kunsten wordt gegeven. Het is een paradijs van geneugten dat het parfum van deugd verspreidt. Want daar zijn de rozen van de naastenliefde gehuld in karmozijnrode vlammen en geen plotselinge rukwinden zijn in staat om de viooltjes van nederigheid te vernietigen. Daar verspreidt de mirre van volmaakte versterving zich en hangt de wierook van het voortdurende gebed zwaar in de lucht.” En alsof dit nog niet genoeg lof is, voegt hij eraan toe: “O werkplaats van geestelijke oefening, waarin de menselijke ziel in zichzelf het beeld van haar Schepper herbouwt en terugkeert naar haar oorspronkelijke zuiverheid.” St. Basilius de Grote
It is the sign of the beginning of a man’s recovery from his illness when he desires hidden things. There is, however, a delay until he witnesses true health. Man who find it tedious to make entreaty is the companion to him who becomes despondent when there is a delay. Tedium causes a man to put off making supplication in prayer, that is to say, it impedes supplication. But expectation causes a man to acquire patience and stimulates him to linger in prayer. Expectation relieves the limbs of the weight of fatigue, for it knows how to give rest to the heart amid its afflictions. There is no burden whose weight is more pleasant than labor undertaken with expectation, nor is there any companion whose intimacy is so desirable as expectation. Even prison is pleasant for the man who dwells there with expectation. Make this your companion, O repentant brother, and you will not be conscious of any of the labors of your struggle. If you are in your cell, it will be with you. And if you find yourself among men, establish your mind in it, and your heart will never wander toward anything earthly, and this world and all that is in it will be a stranger to you.
St. Isaac the Syrian
Het is het teken van het begin van het herstel van een man van zijn ziekte wanneer hij naar verborgen dingen verlangt. Er is echter een vertraging totdat hij getuige is van echte gezondheid. De mens die het vervelend vindt om te smeken, is de metgezel van hem die moedeloos wordt als er een vertraging is. Verveling zorgt ervoor dat een mens het uitspreken van smeekbeden in het gebed uitstelt, dat wil zeggen, het belemmert de smeekbede. Maar verwachting zorgt ervoor dat een mens geduld verwerft en stimuleert hem om in gebed te verwijlen. Verwachting verlost de ledematen van het gewicht van vermoeidheid, want het weet hoe het rust moet geven aan het hart te midden van zijn kwellingen. Er is geen last waarvan het gewicht aangenamer is dan arbeid die met verwachting wordt ondernomen, noch is er een metgezel wiens intimiteit zo wenselijk is als verwachting. Zelfs de gevangenis is aangenaam voor de man die er met verwachting verblijft. Maak dit tot uw metgezel, o berouwvolle broeder, en u zult u niet bewust zijn van het werk van uw strijd. Als je in je cel zit, zal het bij je zijn. En als u zich onder de mensen bevindt, vestig dan uw geest daarin, en uw hart zal nooit afdwalen naar iets aards, en deze wereld en alles wat daarin is, zal een vreemde voor u zijn.
Verheug je met de vreugdevolle mensen en huil met degenen die huilen; want dit is het teken van heldere zuiverheid. Lijd met hen die ziek zijn en treur met zondaars; terwijl degenen die zich bekeren zich verheugen. Wees de vriend van iedere man, maar blijf in gedachten alleen. Wees deelgenoot van het lijden van alle mensen, maar houd uw lichaam ver van iedereen verwijderd. Bestraf niemand, beschimp niemand, zelfs niet mensen die heel slecht leven. Spreid je mantel uit over de man die valt en bedek hem. En als je zijn zonden niet op je kunt nemen en zijn kastijding tijdens zijn verblijf niet kunt ontvangen, lijd dan tenminste geduldig zijn schaamte en maak hem niet te schande. . . . Weet, broeder, dat de reden waarom we binnen de deur van onze cel moeten blijven, is dat we onwetend zijn over de slechte daden van mensen, en dat we, door alles als heilig en goed te beschouwen, een zuiverheid van geest zullen bereiken.
Wat een diepgang van rijkdom, wat een geest en verheven wijsheid is die van God. Wat een medelevende vriendelijkheid en overvloedige goedheid behoort de Schepper toe! Met welk doel en met welke liefde heeft Hij deze wereld geschapen en tot stand gebracht! Wat een mysterie ziet het ontstaan van deze schepping eruit! Tot welke staat is onze gemeenschappelijke natuur uitgenodigd! Wat een liefde heeft ertoe bijgedragen dat de schepping van de wereld op gang kwam! Dezelfde liefde die de scheppingsdaad in gang zette, bereidde vooraf door een andere dispensatie de dingen voor die geschikt waren om de majesteit van de wereld te sieren, die voortkwam uit de macht van Zijn liefde.
In liefde bracht Hij de wereld tot stand; in liefde leidt Hij het tijdens zijn tijdelijke bestaan; in liefde zal Hij het naar die wonderbaarlijk getransformeerde staat brengen, en in liefde zal de wereld worden verzwolgen in het grote mysterie van Hem die alle dingen heeft volbracht; in liefde zal uiteindelijk het hele verloop van het bestuur van de schepping worden omvat. En aangezien in de Nieuwe Wereld de liefde van de Schepper heerst over de hele rationele natuur, zal de verwondering over Zijn mysteries die dan geopenbaard zullen worden, het intellect van alle rationele wezens die Hij heeft geschapen gevangen nemen, zodat zij vreugde in Hem zouden kunnen hebben, of zij nu kwaadaardig zijn of dat ze rechtvaardig zijn. Met dit plan heeft Hij hen tot bestaan gebracht, ook al hebben zij onderling, na hun ontstaan, dit onderscheid tussen rechtvaardigen en goddelozen gemaakt. Ook al is dit zo, toch is er in het ontwerp van de Schepper niemand, onder allen die geschapen zijn en tot stand zijn gekomen – dat wil zeggen, elke rationele natuur – die zich voor of achter de liefde van God bevindt. Integendeel, Hij heeft één enkele gelijke liefde die de hele omvang van de rationele schepping omvat, alle dingen, zichtbaar of onzichtbaar: er is bij Hem geen eerste of laatste plaats in deze liefde voor één van hen, zoals ik heb gezegd.
En net zoals er geen enkele natuur is die in de schepping op de eerste of laatste plaats staat in de kennis van de Schepper – verwijs ik hier naar deze kennis die in Zijn eeuwig doel was vastgelegd, namelijk dat Hij ze tot stand zou brengen: het was niet het geval dat Hij de één voor of na de ander kent, maar ze allemaal in gelijke mate zonder voor of na, in een oogwenk – op dezelfde manier is er geen voor of na in Zijn liefde jegens hen: er is geen grotere of kleinere hoeveelheid liefde. überhaupt bij Hem te vinden zijn. Integendeel, net als de voortdurende gelijkheid van Zijn kennis, zo is dat ook de voortdurende gelijkheid van Zijn liefde; want Hij kende ze allemaal voordat ze ooit rechtvaardig of zondaars werden. De Schepper en Zijn liefde veranderden niet omdat ze verandering ondergingen nadat Hij ze tot stand had gebracht, noch verandert Zijn doel, dat eeuwig bestaat. En als het anders zou zijn, zou Hij net zo aan verandering onderhevig zijn als geschapen wezens – een schokkend idee.
Mijn broeders, als er iemand is voor wie deze dingen moeilijk te geloven zijn, moet hij oppassen dat hij, door weg te rennen voor het ene element in de discussie, in godslastering terechtkomt bij het andere: zich inbeelden dat hij de woorden van een medemens afwijst. . kan het zijn dat hij zichzelf bewapent tegen wat de goddelijke natuur aangaat, terwijl hij door de logica van zijn zaak gedwongen wordt de glorieuze natuur van zijn Schepper te reduceren tot zwakte en verandering.
Maar we weten dat iedereen het hierover eens is, dat er geen verandering is, noch eerdere en latere bedoelingen, met de Schepper: er is geen haat of wrok in Zijn natuur, geen grotere of kleinere plaats in Zijn liefde, geen voor of na in Zijn kennis. Want als iedereen gelooft dat de schepping tot stand is gekomen als gevolg van de goedheid en liefde van de Schepper, dan weten we dat deze oorspronkelijke oorzaak nooit afneemt of verandert in de natuur van de Schepper als gevolg van het ongeordende verloop van de schepping.
Kris Biesbroeck – Koor van de orth.kerk van Gent olv. Paul morreel
Vragen en problemen
Voordat we nader ingaan op Augustinus’ toelichting, zijn er nog enkele inleidende opmerkingen te maken. Ten eerste wordt duidelijk dat Augustinus de zaligsprekingen in een iets andere volgorde leest dan wij in onze moderne vertalingen. Zie het schema hieronder:
Augustinus / Latijnse tekst moderne vertaling / Griekse tekst
1. armen van geest => rijk der hemelen (identiek)
2. zachtmoedigen => land verdriet => troost
3. verdriet => troost zachtmoedigen => land
4. hongerigen en dorstigen naar gerechtigheid => verzadiging (identiek)
5. barmhartigen => barmhartigheid (identiek)
6. zuiveren van hart => God zien (identiek)
7. vredebrengers => kind van God (identiek)
8. vervolgden => rijk der hemelen (identiek)
9. uzelf, bij scheldpartijen en vervolging om Jezus => loon in de hemel (identiek)
Die verschillende volgorde roept bijna vanzelfsprekend de vraag op naar de achtergrond ervan: waarom staan de zaligsprekingen in deze volgorde? En misschien nog fundamenteler: waarom deze zaligsprekingen en deze beloningen? Dat verdrietigen getroost worden is logisch; hetzelfde geldt voor hongerigen en dorstigen die verzadigd worden en voor barmhartigen die barmhartigheid ondervinden. Maar wat is de samenhang tussen de armen van geest en het rijk der hemelen? En tussen zachtmoedigen en het land als erfenis? Tussen een zuiver hart en het zicht op God? Of tussen vredestichters en het kindschap van God?
Verder valt op dat de armen van geest (1) en de vervolgden (8) allebei het rijk der hemelen krijgen toegezegd: daar kun je gemakkelijk aan voorbij lezen en bij het luisteren in de liturgie valt het nauwelijks op. Maar Augustinus wijst daar in zijn beschouwingen heel uitdrukkelijk op, vooral als blijkt dat er dan sprake is van bijzondere aantallen in de reeks: 1 verwijst naar 8; 7+1=8…
En nu we toch aan het bevragen zijn: ik vond het vroeger als theologiestudent bijna irritant dat Jezus hier in de Bergrede spreekt over “armen van geest” en “hongerigen en dorstigen naar gerechtigheid”. Jezus’ Veldrede in Lucas 6 kon bij ons, jonge theologen in opleiding, op heel wat meer sympathie rekenen: daar ging het immers eenvoudigweg over de armen en hongerigen. Bovendien ging Jezus daar na slechts vier zaligsprekingen goed te keer tegen de rijken en verzadigden! Dat paste beter bij de opkomende vormen van Bijbeluitleg in de jaren zeventig waarin men aansloot bij de bevrijdingstheologie en bij de materialistische exegese.
Augustinus’ visie op de zaligsprekingen en de Bergrede als geheel: een samenvatting
Anders dan in de moderne uitleg brengt Augustinus in zijn toelichting op de Bergrede de afzonderlijke zaligsprekingen en voorschriften niet in verband met verschillende groepen gelovigen zoals de armen van geest, de zachtmoedigen of de mensen die verdriet hebben. Hij beschouwt de verschillende zaligsprekingen steeds als een stap onderweg of als een trede van een trap, die iedere gelovige mens beklimt op weg naar God7. Deze zoektocht naar God beschouwt hij als de weg naar volmaaktheid.
Elke stap omhoog vergt niet alleen een menselijke inspanning, maar is ook een geschenk van God: Augustinus legt aldus een relatie tussen de zeven treden van de weg naar de volmaaktheid en de zeven gaven van de Heilige Geest (s.dom.m. 1,11-12: ontzag voor god, godsvrucht, kennis, sterkte, beleid, inzicht en wijsheid in Js 11,2-3 volgens de Latijnse Bijbel en omgekeerd); hij waagt zelfs een samenhang te verwoorden naar de zeven beden van het onzevader.8 Vanzelfsprekend wacht aan het einde van die geestelijke weg omhoog het hemels koninkrijk als beloning.
Op weg naar het hemels koninkrijk vinden gelovigen steun in de reeks voorschriften van de Bergrede. Die werpen een nieuw licht op de geschriften van de joodse wet en de profeten. Uitvoerig staat Augustinus dan ook stil bij de vraag wat de door Jezus aangezegde wetsvervulling inhoudt. Het gaat daarbij volgens hem om een aanvulling van de wetsbepalingen én om het volbrengen van die aangevulde wet. Deze interpretatie dient tot structuur van het vervolg. Augustinus onderkent steeds eerst de grote waarde van een bepaling uit de joodse wet; vervolgens maakt hij duidelijk hoe de Heer de wet wil vervullen en ten slotte onderzoekt hij voor de gelovigen naar een zinvolle betekenis van die wetsvervulling.
Als eerste komt zo het verbod om te doden aan de orde (1,22-32); als tweede het verbod op echtbreuk (1,33-38); als derde het gebod voor een scheidingsbrief in geval een man zijn vrouw wil verstoten (1,39-50); als vierde het gebod om zich aan een eed voor de Heer te houden (1,51-55); als vijfde het gebod tot evenwichtige vergelding (1,56-68) en ten slotte het gebod om de naaste lief te hebben (1,69-80)9. Deze indeling valt dus niet samen met die van de zeven zaligsprekingen.
Echte wetsvervulling heeft met integriteit te maken. In Bijbelse taal spreekt Augustinus dan over een zuiver of oprecht hart. Als men dat heeft, streeft men er niet naar om bij het doen van goede werken door de mensen te worden gezien, maar beoogt men om zelf God te zien met de ogen van het hart. Dat geldt bij het schenken van aalmoezen (2,6-9), bij het bidden (2,10-39 met daarin de uitleg van het onzevader in 2,15-35) en bij het vasten (2,40-43). De integere levenshouding waarmee de wet wordt vervuld, vindt haar oorsprong en voltooiing in de liefde. De voorschriften om zich niet bezorgd te maken voor de dagelijkse dingen, vormen een hulpmiddel om die integere levenshouding te bewaren. Zij maken mensen bedacht op de komst van het koninkrijk der hemelen. Ten aanzien van onszelf kunnen we daarbij niet kritisch genoeg zijn. Maar ten aanzien van anderen is het belangrijk geen voorbarig en onrechtvaardig oordeel te vellen, zeker als dat een veroordeling zou inhouden. Het blijft bovendien belangrijk zich te realiseren dat een van liefde kloppend hart een gave van God is. Dat geschenk valt mensen ten deel wanneer zij zich daarvoor ontvankelijk maken. Die ontvankelijkheid kan groeien door gebed.
Beïnvloeding
De christelijke gemeenschappen hebben al in een vroeg stadium een bijzonder gezag aan het Matteüsevangelie toegekend en Augustinus staat met zijn belangstelling voor teksten uit dit evangelie dus al in een eeuwenoude traditie. Ook in de manier waarop hij de Bergrede van aantekeningen voorziet zijn invloeden aanwijsbaar van directe leermeesters en verre voorgangers. Zo hoeft het geen verwondering te wekken dat in Augustinus’ beschouwingen over het begin van de Bergrede met de zogeheten zaligsprekingen overeenkomsten zijn terug te vinden met de manier waarop Ambrosius (340-397) de Veldrede uit het Lucasevangelie van aantekeningen voorziet:10 Augustinus was immers in 387 door Ambrosius zelf gedoopt en was een groot bewonderaar van de manier waarop de bisschop van Milaan teksten uit de Heilige Schrift aan gelovigen wist uit te leggen11. In de bibliotheek van Hippo bewaarde Augustinus dan ook een exemplaar van Ambrosius’ commentaar op het Lucasevangelie12. Naast de invloed van Ambrosius zijn ook opvattingen van Gregorius van Nyssa (335-394) terug te vinden. Hoewel Augustinus zelf geen geschriften van deze Gregorius in de oorspronkelijke, Griekse taal kon raadplegen of lezen, zijn onmiskenbaar enkele van diens karakteristieke beschouwingen over de zaligsprekingen door Augustinus in zijn eigen commentaar verwerkt. Dat rechtvaardigt het vermoeden dat Augustinus over een vertaling van Gregorius’ uitleg beschikte13. In de manier waarop Augustinus de zaligsprekingen in hun onderlinge samenhang bespreekt, zijn ook overleveringen te ontdekken die teruggaan op Irenaeus († 202/3), bisschop van Lyon, en op Hilarius (315-367), bisschop van Poitiers. Achter Augustinus’ uitleg van Mt 6,9-13 over het onzevader is naast de invloed van Ambrosius ook de uitleg herkenbaar van de Carthaagse martelaar-bisschop Cyprianus (200/10-258), van Tertullianus (160- na 220) en van Origenes (ca 185-ca 254)14. Augustinus bedient zich dus van verschillende tradities, maar verwerkt die wel op een zelfstandige en creatieve manier.
Heel veelzeggend begint Ambrosius zijn toelichting met een gebed: “Kom, Heer Jezus, leer ons de samenhang van uw zaligsprekingen. U hebt immers niet op goed geluk eerst de armen van geest zalig of gelukkig genoemd, dan de zachtmoedigen en ten derde de treurenden.” (Expositio euangelii secundum Lucam (ex.eu.Lc) 5,52) Het is verleidelijk om Augustinus bespiegelingen tegen het licht te houden van Ambrosius, maar in deze bijdrage beperk ik mij tot de aantekeningen van de bisschop van Hippo Regius.
Uit het lezen van de teksten bij Augustinus en Ambrosius wordt overigens nog wel iets anders duidelijk: de treden der zaligsprekingen omvatten een geestelijke trap. Daarop klim je dus in geestelijke zin omhoog. Het bereiken van de ene trede vormt niet zoals bij een gewone trap een garantie voor het beklimmen van de volgende. En anders dan in het gewone leven kun je in het geestelijke leven op het ene moment op een hoge trede verwijlen en op een volgend moment weer moeten ploeteren op de onderste trede. Mediteren over de zaligsprekingen is daarom ook een oefening in geestelijke beklimming en behoedzame afdaling.
Dat maakt gelovigen ook tot broeders en zusters, want de ene trede van die geestelijke trap staat wel hoger aangeschreven dan de andere, maar iedere gelovige stijgt en daalt langs die trap zoals Gods engelen langs de ladder die Jakob in zijn droom te schouwen kreeg.
Bij het bekijken van Augustinus’ beschouwing bij een Bijbeltekst valt altijd te bedenken dat hij als het ware met de Bijbel “mee-leest”. Zijn leeshouding wordt veel meer gekenmerkt door sympathie en inleving met Bijbelteksten in het algemeen, met evangelieteksten in het bijzonder en met Jezus’ Bergrede in het allerbijzonderst; veel meer door sympathie en inleving dus dan door antipathie en oppositie. Centraal staat niet: de tekst raakt mij niet (omdat de tekst vreemd is of onlogisch volgens onze maatstaven); centraal staat evenmin: ik kan niks met de tekst. Nee, uitgangspunt is: de Bijbeltekst is a priori zin- en betekenisvol. En het is aan mij als lezer, aan ons als gelovigen, om via bevraging en aankloppen te bezien of er wordt opengedaan en zich diepere betekenissen te kennen geven. Wat tekent Augustinus nu aan bij de verschillende zaligsprekingen als stadia van geestelijk leven? En welke aantekening van hem kan ons vandaag het meeste bekoren? Op welke trede van de geestelijke ladder kan men zich vandaag in het geloof aangesproken of geïnspireerd weten?
Zalig de armen van geest want hun behoort het rijk der hemelen
Kort en goed verwijst voor Augustinus armoede van geest naar nederigheid: “Wat wil dat zeggen: arm van geest? Arm aan wensen, niet arm aan middelen. Wie arm van geest is, is nederig. God hoort,” aldus Augustinus, “de verzuchtingen van de nederigen en Hij veronachtzaamt hun gebeden niet. Daarom begint de Heer zijn toespraak met die aanbeveling van de nederigheid, dat wil zeggen: van de armoede. U kent allemaal waarschijnlijk wel iemand die godsdienstig leeft en rijkelijk gezegend is met aardse goederen, maar toch bescheiden blijft en niet hoogmoedig is. En u kent ook wel iemand die gebrek lijdt, niets heeft en op zwart zaad zit. Heeft de een meer hoop dan de ander? Nee, de een is arm van geest omdat hij nederig is; de ander is gewoon arm, maar niet arm van geest. Daarom voegde Christus de Heer toen Hij zei: ‘Gelukkig die arm zijn,’ eraan toe: ‘van geest.’ Wie naar mij (= Augustinus!) luistert en arm is, hoeft dus niet te proberen om rijk te worden.” (s. 53A,2)
Augustinus verbindt deze aantekening met een beschouwing rond 1 Tim 6,9: “Wie rijk wil worden valt gemakkelijk ten prooi in valstrikken vol bekoringen, ondergang en verderf.” In dit verband staat Augustinus ook stil bij enkele verzen uit het vervolg van 1 Tim 6,17-19: “Vermaan de rijken niet hoogmoedig te zijn. Laat hen niet vertrouwen op de wisselvalligheid van materiële rijkdom. Je kunt beter vertrouwen op de levende God, die ons overvloedig van alles voorziet en te genieten geeft om goede werken te doen, vrijgevig te zijn en mededeelzaam.” Augustinus is onmiskenbaar een pleitbezorger voor nivelleringspolitiek.
In elk geval maakt de uitleg van “arm van geest” via “arm aan wensen en begeerten” en opgevat als nederigheid het iets gemakkelijker te begrijpen dat juist aan nederigen het rijk der hemelen wordt toegezegd en dat dit gepaard gaat met de eerste geestesgave: ontzag of vrees voor de Heer. Ontzag of vrees is uitdrukkelijk te onderscheiden van angst of bangheid. De laatste is opgelegd of afgedwongen en kenmerkt bijvoorbeeld de verhouding tussen een slaaf en diens eigenaar; een slaaf kan bang zijn uit angst voor lijfstraf. In de eerste geestesgave gaat het om iets anders: uit liefdevol ontzag of eerbiedige vrees spreekt behoedzaamheid of vrijwillige nederigheid: de hoge hemel is er de beloning voor.
Zalig de zachtmoedigen want zij zullen het land erven
Voor wie in eerste (en laatste) instantie het rijk der hemelen wordt toegezegd, is het in zekere zin vanzelfsprekend dat na de hemel ook goed land wordt beloofd: dat gebeurt aan zachtmoedigen. Augustinus tekent daarbij aan: “Wilt u het land nu al bezitten? Ga dan eerst na of het land u niet bezit. Bent u zachtmoedig, dan zult u het land bezitten. Bent u niet zachtmoedig, dan zal het land u bezitten. En dan hoort u niet wat de beloning is, die u in het vooruitzicht wordt gesteld – namelijk het bezit van het land. Pas op dat u dan de zak van uw hebzucht, waardoor u het land nu al wilt bezitten en ook nog eens uw buurman van dat bezit wilt uitsluiten, niet te ver oprekt. Laat u niet misleiden door dat waanidee. U zult het land alleen maar werkelijk bezitten, wanneer u zich vastklampt aan Hem die de hemel en de aarde gemaakt heeft (Gn 1,1). Zachtmoedig zijn wil namelijk zeggen: geen weerstand bieden aan uw God. Het gevolg daarvan is dat Hij u behaagt in wat u aan goeds doet in plaats van dat u zichzelf behaagt. En dat Hij u niet mishaagt in wat u terecht aan slechts ondergaat maar dat u zichzelf mishaagt. Het is namelijk niet van geringe betekenis dat u Hem zult behagen door uzelf te mishagen. Want door uzelf te behagen, mishaagt u Hem.” (s. 53,2)
Bij de erfenis van het land gaat het dus niet om grootgrondbezit. In het commentaar op de Bergrede verbindt Augustinus dat beloofde land met het land van de levenden, waar God onze hoop en ons erfdeel is (Ps 142,6): dat is de rust en het leven van de heiligen. “Zachtmoedig zijn zij die berusten bij bruut gedrag en geen weerstand bieden aan het kwade (Mt 5,39), maar het kwade overwinnen door het goede (Rom 12,21). Laten hardvochtigen maar ruzie maken en vechten om aardse en tijdelijke zaken; gelukkig wie zachtmoedig zijn, want zij zullen het land erven waaruit zij niet kunnen worden verdreven.” (s.dom.m. 1,4)
Zalig wie verdriet hebben want zij zullen worden getroost
Kritisch zelfonderzoek van je eigen tekortkomingen (als kenmerk van zachtmoedigheid) leidt niet alleen tot ongenoegen maar tot verdriet als uitdrukking van spijt en berouw. Wat we hier via Augustinus van de Bijbel kunnen leren, is dat echt verdriet niet alleen een uitdrukking is van wat een ander aan tegenslag, onrecht, ziekte en dood overkomt. Op het geestelijke parcours heeft verdriet vooral betrekking op de treurnis over onze eigen beperkingen, nalatigheden, fouten, onrecht en – ik gebruik het woord toch maar – zonden.
Augustinus verwoordt het aldus: “Broeders en zusters, treuren is pas echt treuren, als het gaat om het zuchten van een berouwvolle zondaar. Iedere zondaar moet namelijk treuren. Wie wordt er anders betreurd dan een dode? En bestaat er iets wat zo dood is als een ongerechtige? Is dat niet iets geweldigs? Laat zo iemand om zichzelf treuren, dan komt hij weer tot leven. Laat hij treuren en berouw hebben over zijn zonden, dan zal hij vertroost worden en vergeving krijgen.” (s. 53A,8) Mag het subtiele gebruik van dood en zonde in deze passage opvallend heten?
Zalig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid want zij zullen verzadigd worden
Wie ooit intens verdriet heeft meegemaakt, heeft er weet van dat het de stofwisseling blokkeert en de honger- en dorstreflexen uitschakelt. Wie zijn verdriet de vrije loop laat ondervindt opluchting. Zo bezien is het dus heel logisch dat na de zaligspreking van de verdrietigen aandacht wordt gevraagd voor hongerigen en dorstigen. Augustinus tekent daarbij aan: “U wilt verzadigd worden. Maar waarmee dan? Als u naar lichamelijke verzadiging snakt, zult u zodra alles verteerd is, opnieuw honger lijden. De Heer zegt zelf: “Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst.” (joh 4,13) Als een geneesmiddel dat op een wond wordt gelegd, die wond geneest, doet die wond geen pijn meer. Maar het geneesmiddel van het eten dat tegen de honger wordt gebruikt, wordt zo toegediend dat het maar voor korte tijd verlichting brengt. Want als de verzadiging voorbij is, keert de honger terug. Iedere dag die God geeft, krijgt u het geneesmiddel van de verzadiging, maar de wónd van de zwakheid geneest nooit.
Laten wij dus hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want dan worden we door dezelfde gerechtigheid verzadigd waarnaar we nu hongeren en dorsten. We zullen dan immers verzadigd worden door datgene waarnaar we hongeren en dorsten. Laat ons innerlijk maar hongeren en dorsten: het innerlijk heeft zijn eigen voedsel en zijn eigen drank. “Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald,” zegt de Heer (Joh 6,41). Daar hebt u het brood voor wie hongert. Verlang dan ook naar de drank voor wie dorst: “Bij U is de bron van het leven” (Ps 36,10) (s. 53,4).
Zalig de barmhartigen want zij zullen barmhartigheid ondervinden
In Bertold Brechts (1898-1956) Die Dreigroschenoper vinden we de uitspraak “Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.” Het zou onbewust een weerklank kunnen zijn van de Bijbelse reeks in de Bergrede: na de verzadiging van hongerigen en treurenden vinden we de aandacht voor de moraal naar de naasten. Augustinus wijst al op de naadloze aansluiting tussen deze twee zaligsprekingen, al legt hij – eerlijk is eerlijk – een ander accent. Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden: Augustinus leest in die ondervinding van de barmhartigheid van een ander de barmhartigheid van God. “U hongert en dorst namelijk naar gerechtigheid. En als u daarnaar hongert en dorst, bedelt u bij God. Dan komt u dus bij God aan de deur om te bedelen. Maar er komt ook weer iemand bij ú aan de deur om te bedelen. Zo simpel is het: dat wat u met úw bedelaar doet, doet God met de zijne” (s. 53A,10).
De toelichting is wellicht zo compact dat ik hier ter verheldering gemakkelijk ook de korte toelichting uit de andere preek kan aanhalen: “Wees barmhartig en u zult barmhartigheid ondervinden. Wees barmhartig voor een ander in de hoop dat die barmhartig is voor u. U hebt namelijk overvloed en gebrek tegelijk: overvloed aan tijdelijke goederen, gebrek aan eeuwige. Er komt iemand bij u bedelen, maar zelf bedelt u bij God. Er wordt iets gevraagd van u, maar zelf vraagt u iets van God. Wat u doet voor degene die iets van u vraagt, zal God doen voor degene die iets van Hem vraagt. U bent vol en leeg tegelijk: vul iemand die leeg is uit uw eigen volheid, in de hoop dat uw eigen leegte wordt gevuld uit de volheid van God” (s. 53,5).
Zalig de zuiveren van hart want zij zullen God zien
Door de beoefening van liefdevolle barmhartigheid groeit belangeloze integriteit. Mensen groeien in hun integriteit wanneer hun (goede) woorden en daden met elkaar overeenkomen. Die integriteit is van groot belang in verband met Augustinus’ visie op de zuiveren van hart. Zoals eerder vermeld besteedt hij aan deze zaligspreking de meeste aandacht. Hij heeft er een uitvoerige brief (147) aan besteed en in sermo 53 strandt hier zijn voornemen om alle zaligsprekingen te bespreken en besteedt hij aan deze zaligspreking ruim driemaal zoveel aandacht als aan alle andere samen (vgl. s. 53,6-16). Vanzelfsprekend gaat het daarbij niet om een lichamelijk zien. In elke toelichting spant Augustinus zich eerst in om dat misverstand uit de weg te helpen. In zijn Bergredecommentaar lezen wij daarover: “Hoe dom zijn dus zij die God zoeken met de ogen van het lichaam, aangezien Hij met de ogen van het hart wordt gezien zoals er ook ergens anders staat: ‘Zoek Hem in eenvoud van hart!’ (W 1,1) Een zuiver hart is een eenvoudig hart. En zoals we het licht om ons heen alleen kunnen zien met zuivere ogen, zo kunnen wij ook God alleen zien als het instrument zuiver is waarmee Hij kan worden gezien” (s.dom.m. 1,8).
Het zuiveren van het hart verlangt een fikse schoonmaakbeurt. Het verrassende bij Augustinus is dat wanneer we zelf niet voldoende daartoe in staat blijken, we niet hoeven schromen om God zelf als schoonmaker in te huren: “Als u alles doet, wat ik hierboven heb gezegd, wordt uw hart gereinigd. U hebt een zuiver hart wanneer u niet doet alsof u iemands vriend bent, terwijl u in uw hart zijn vijand bent. Want daar waar God ziet, in uw hart, bekranst Hij u (Mt 6,4.18). Niets van wat u daar in uw hart genoegen schenkt, mag u goedkeuren of prijzen. Als een slechte begeerte u prikkelt, mag u daaraan niet toegeven. En als zij toch in u oplaait, roep God dan tegen haar te hulp in uw gebed. Bid dan dat er binnenin u iets mag gebeuren, dat uw hart gereinigd mag worden, de plaats waar men tot God bidt. Want het is niet meer dan normaal dat u de kamer schoonmaakt, wanneer u God daar wilt uitnodigen, en dat u uw kamer goed schoonmaakt, in de hoop dat God u verhoort. Soms zwijgt de tong, maar zucht de ziel. Dat betekent niets meer of minder dan dat u in die kamer, in uw hart, tot God bidt. Daar mag dus niets zijn dat de ogen van God tegenstaat, niets wat God mishaagt. Als het uzelf soms moeite kost om uw hart te reinigen, dan moet u God aanroepen. Die zal het zeker niet beneden zijn waardigheid vinden om voor zichzelf een plaatsje schoon te maken. En Hij zal zeker bij u willen wonen. Of bent u soms bang dat die zo grote en machtige God u zenuwachtig zal maken, als u Hem in uw hart opneemt? Zoals mensen die in eenvoudige en armoedige omstandigheden leven, altijd bang zijn gedwongen te worden om anderen die belangrijker zijn dan zij, wanneer die toevallig langskomen, in hun huis op te nemen. En groter dan God kan al helemaal niet. Toch hoeft u niet bang te zijn dat u niet genoeg plaats hebt. Neem Hem gewoon op, dan zal Hij u verruimen. U hebt niets om Hem voor te zetten? Neem Hem op, dan zal Hij u voeden. En – wat u nog liever zult horen – Hij zal u voeden met zichzelf. Hij zal uw voedsel zijn, want Hij heeft zelf gezegd: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald’ (Joh 6,41). Dat soort brood verkwikt en raakt nooit op. Kortom: ‘Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien’”. Wanneer God op bezoek komt, maakt Hij je huis schoon en neemt Hij ook nog van alles mee waaraan je je kunt laven: de regels van de gastvrijheid worden op hun kop gezet. En zo bezien wordt het eigenlijk een feest om religieus te leven15!
Zalig wie vrede brengen want zij zullen kinderen van God worden genoemd
Valt God te zien met een zuiver hart dan daagt de ware vrede. Vredebrengers zijn, aldus Augustinus, mensen die onenigheid tussen mensen weten te stelpen en de vrede herstellen: “Zeg tegen de een iets goeds over de ander en tegen de ander iets goeds over de een. U hoort van een van hen iets slechts over de ander, gewoon omdat hij kwaad is? Vertel dat dan niet door. Houd de boze woorden van iemand die kwaad is, voor u. Maan hen in alle oprechtheid tot eendracht. Maar ook als u de vrede wilt herstellen tussen twee vrienden van u die onenigheid hebben, moet u bij uzelf beginnen met vreedzaam te zijn. U moet uzelf vanbinnen tot vrede brengen, waar u waarschijnlijk elke dag strijd levert met uzelf. (…) Als er in uw binnenste dus elke dag een soort ruzie wordt uitgevochten, en u met dit prijzenswaardige gevecht weet te voorkomen dat het lagere in u de overhand krijgt over het betere, dat de wellust het verstand overheerst en de begeerte de wijsheid, dan is dat de ware vrede die u in uzelf tot stand moet brengen, dat het betere in u het lagere in u in zijn macht heeft.
Het betere in u, dat is datgene waarin u het beeld van God bent. We noemen het ook wel geest, of bevattingsvermogen. Daar gloeit het geloof, daar groeit de hoop, daar ontbrandt de liefde. Wil uw geest in staat zijn om uw lusten de baas te worden? Dan moet hij zich onderwerpen aan iemand die groter is, en hij zal degene die lager is, de baas worden. Dan zal er ware, zekere en uitstekend geordende vrede in u heersen. Hoe die vrede geordend is? God heeft de geest in zijn macht, de mens het vlees. Een betere ordening is er niet.
Maar wel is het zo, dat het vlees nog steeds zijn zwakheden heeft. In het paradijs was dat in oorsprong niet het geval. Dat is zo gekomen door de zonde. Vanwege de zonde moet het vlees de knellende band van de tweedracht dragen ten nadele van onszelf. Maar er is iemand gekomen, die zonder zonde was, om onze ziel en ons lichaam op elkaar af te stemmen. Ook is Hij zo goed geweest om ons de Heilige Geest als onderpand te geven. Want allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God (Rom 8,14). Gelukkig die vreedzaam zijn, want zij zullen kinderen van God genoemd worden” (s. 53A,12).
Bij dit lange en wat gecompliceerde citaat veroorloof ik mij enkele verhelderingen. Augustinus ziet vredebrengers als vredeherstellers. Daarin klinkt de overtuiging door dat het werk voor de vrede als daad van herstel gezien moet worden: dat herstel staat ten dienste aan wat door mensen is geschonden. Geschonden is de ware vrede, die allereerst met God van doen heeft. Augustinus brengt de vrede dan ook heel vanzelfsprekend in verband met de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde. Over vrede als toestand van orde schrijft de bisschop van Hippo Regius later uitvoerig in De ciuitate dei 19,11-2816. Maar in bovenstaand preekfragment wordt al duidelijk hoe het herstel van de vrede te maken heeft met ieder mens afzonderlijk. In die orde van de mens staat wat aan de mens ondergeschikt is in een voortdurend verband met aan wie de mens zichzelf weet te onderschikken. Door die samenhang valt ook weer bijzonder licht op de aan de orde zijnde zaligspreking. Daarin is het kindschap van God voor de mensen door hun vrijwillige onderschikking de vanzelfsprekende beloning voor het werk aan de vrede.
Zalig wie vervolgd worden om de gerechtigheid want hun behoort het rijk der hemelen
Ter verdieping of toetsing van je integriteit gaat het vervolgens om wie vervolgd worden omdegerechtigheid: “De toevoeging van de laatste woorden onderscheidt de martelaar van de moordenaar. Want ook moordenaars worden vervolgd, voor hun wandaden. Alleen: moordenaars zijn niet uit op de martelaarskrans, maar ondergaan gewoon hun verdiende straf. Het is niet de straf, die iemand tot martelaar maakt, maar de zaak waarom het gaat. Hij moet eerst zijn zaak kiezen, dan kan hij gerust zijn straf verdragen.
Toen Christus leed, stonden er vlak bij elkaar drie kruisen: in het midden hing Christus, links en rechts van Hem een moordenaar. Die hadden dus precies dezelfde straf gekregen. Hebt u dat in de gaten? En toch was er maar een van de twee die hangend aan het kruis het paradijs vond. Hij die in het midden hing, sprak het oordeel uit, en veroordeelde de hoogmoedige moordenaar, terwijl Hij de nederige te hulp kwam. Het kruishout was dus Christus’ rechtbank. Waartoe zal Hij als Rechter niet in staat zijn, als Hij als veroordeelde al zoiets kon? Tegen de moordenaar die zijn schuld beleden had, zei Hij: ‘Ik verzeker je, vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs’ (Lc 23,43). Die moordenaar had er niet op gerekend dat het zo snel zou gaan. Wat had hij namelijk gezegd? ‘Heer, denk aan mij, wanneer U in uw rijk gekomen bent’ (Lc 23,42). Ik ben me bewust van mijn wandaden,’ zei hij, ‘laat me in ieder geval maar gekruisigd blijven totdat U komt’. En omdat ieder die zichzelf vernedert, verheven zal worden, sprak Christus meteen zijn vonnis uit en schonk hem vergeving: ‘Vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs’” (s. 53A,13).
Het beslissende criterium om echte en onechte vervolgde bloedgetuigen van elkaar te onderscheiden wordt volgens Augustinus niet bepaald door vervolging of het verduren van folteringen, maar alleen door de zaak waarvoor men sterft. Over die rechtvaardige zaak lijkt bij de bisschop van Hippo Regius geen discussie mogelijk: de inzet voor de gerechtigheid betreft de zaak van Jezus Christus en diens lichaam over de wereld verspreid, dat wil zeggen: de katholieke kerk.
Bron : KU Leuven – Collationes – 43e jaargang, nr. 3, September 2013
“Wat verbindt namelijk het tijdelijke met de eeuwigheid, wat anders dan liefde? Om die reden gaat ze aan alles vooraf en blijft ze wanneer alles voorbij is.”
Wie zo over liefde schrijft, geeft haar een wel heel belangrijk plaats in het bestaan. Dat doet Kierkegaard dan ook. Niet alleen in Wat de liefde doet, waaruit dit citaat afkomstig is, maar in heel zijn werk speelt de liefde een hoofdrol. Vaak expliciet, maar ook waar dat niet gebeurt is de liefde voortdurend aan de orde. Wie Kierkegaard oppervlakkig kent en naar de periode kijkt waarin hij leefde, wie hoort dat hij zijn verloving heeft verbroken en nooit meer een partnerrelatie is aangegaan, zou gemakkelijk kunnen denken daarmee de fascinatie van Kierkegaard met de liefde te begrijpen. Met de lucht nog vol van de romantiek en een ongelukkige liefde achter de rug lijkt het logisch dat een dichterlijk denker als Kierkegaard schrijft over het voor hem onbereikbare ideaal van de gelukkige relatie.
Liefde vinden in de sleur
Toch is dat nu juist niet wat Kierkegaard het meest bezighoudt als hij het over liefde heeft. Het punt waarop tijdelijkheid en eeuwigheid elkaar raken, is niet het verheven moment van de ontmoeting van twee geliefden. Die verbinding, door Kierkegaard ook wel het Ogenblik genoemd, is veel alledaagser, gewoner en onopvallender dan wat de romantici ons voorspiegelen. Niet in de grote geluksmomenten, maar in de eenvoudige voortgang van het dagelijks leven moeten we de liefde zoeken. Niet primair tussen twee geliefden, maar tussen ieder mens en zijn naaste. Het begrip ‘naaste’ is bij Kierkegaard uiterst concreet en verontrustend onmatig: mijn naaste is iedere mens die op mijn weg komt.
Echte liefde verdwijnt niet
Dat geeft aan liefde een alledaagsheid die botst met het hedendaagse beeld van liefde als de ultieme ervaring. Op de eerste plaats binden concrete gewaarwordingen, zoals aantrekkingskracht of voorkeur, mij aan een ander. Van verhevenheid is weinig sprake. Tegelijkertijd begint hier pas het verhaal van de liefde. Als slechts aantrekkingskracht bepalend blijft voor een liefde, dan is de kans groot dat gewenning, irritatie en ergernis een relatie binnensluipen, of zelfs dat haat het roer overneemt. We blijven in wat Kierkegaard het ‘esthetische’ zou noemen – in wat ons onmiddellijk bevalt, maar wat nog niet bestendig is. Een omslag van aantrekking tot irritatie geeft volgens Kierkegaard blijk van het feit dat we ten prooi zijn gevallen aan een soort onbestendigheid die niet past bij wat liefde ten diepste is. Op een bepaald moment zeggen van iemand te houden, en op een volgend moment zeggen dat de liefde over is, betekent volgens hem dat er nooit sprake is geweest van echte liefde. Verliefdheid zou het best geweest kunnen zijn, of – in het geval van vriendschap – sympathie; maar geen liefde. Dat begrip reserveert Kierkegaard voor iets dat niet kan verdwijnen of omslaan in het tegendeel.
Dood aan de romantiek
In onze hedendaagse oren maakt Kierkegaard de romantiek rond liefde vervolgens helemaal dood door te betogen dat liefhebben een opdracht is, een plicht. Iets verplicht zijn en iemand liefhebben lijken elkaar uit te sluiten. Hoe kun je nu verplicht zijn iemand lief te hebben? Maar juist de paradox is bij Kierkegaard wel vaker een teken dat we in de buurt van een belangrijk inzicht komen. Die verplichting is in dit geval natuurlijk niet zoiets als een willekeurig opgelegd regeltje. Het is eerder een moeten dat aan iedereen duidelijk wordt die eerlijk naar zichzelf durft te kijken. We zijn aangelegd op liefde, en we weten het; we falen in de liefde, en we weten het. Dat tekort of onvermogen om lief te hebben wordt niet opgevuld of goedgemaakt door nieuwe verliefdheden of meer vriendschappen, daar is iets anders voor nodig.
Liefhebben door jezelf te worden
Wat er voor nodig is om lief te hebben, is dat een mens zichzelf wordt. De opdracht om lief te hebben valt bij Kierkegaard dus samen met de opdracht tot zelfwording. Ook dat lijkt weer paradoxaal: liefde is toch juist op de ander gericht en niet bezig met zichzelf? Maar zelfwording is bij Kierkegaard altijd net zo naar buiten gericht, als naar binnen. Het zelf is bij hem geen project of eigen maaksel. ‘Wordt jezelf’ is bij Kierkegaard geen uiting van een maakbaarheids-denken. De opdracht is om jezelf juist niet te zien als het centrum waar alles om draait, maar als een, weliswaar uniek, deel van de gegeven werkelijkheid. Dat vraagt een ommekeer in ons bestaan die niet alleen vriendschaps- of liefdesrelaties, maar iedere verhouding tot anderen in een heel ander perspectief plaatst. Een relatie draait niet om jou, het is geen manier om tot volledige zelfontplooiing te komen. Zelfwording betekent in de goede zin van het woord ‘jezelf genoeg zijn’ en van daar uit de verantwoordelijkheid dragen voor een relatie of ander, met wie je een wereld deelt. Alleen in deze beweging naar buiten krijgt liefde de kans ons bestaan te vullen.
Overspannen verwachtingen van liefde
Wat er in verliefdheid en in sommige vriendschapsrelaties gebeurt, is eerder het tegenovergestelde van zelfwording: we willen onszelf verliezen in een ander, maken onszelf daarmee afhankelijker in plaats van vrijer, en vinden het vervolgens vreemd dat dat eindigt in een teleurstelling waarin gevoelens omdraaien als bladeren aan een boom. In feite denken we dan nog steeds dat het leven een project of maaksel is, alleen besteden we het uit aan een ander. Het als romantisch compliment bedoelde ‘zonder jou kan ik niet leven’ duidt dan ook volgens Kierkegaard op een vorm van wanhoop bij de spreker. Hij heeft nog steeds overspannen verwachtingen; hij beseft alleen dat hij ze zelf niet kan waarmaken. Dus legt hij de verantwoordelijkheid bij zijn geliefde. Dat kan niet, als ik mijzelf niet word, als ik mijn verantwoordelijkheid een ander in de schoenen schuif, dan is de hypotheek op iedere relatie tussen mij en een ander te hoog.
Liefde mag dan aan alles voorafgaan en blijven wanneer alles voorbij is, onze opgave is het in ons tijdelijk bestaan die liefde concreet te maken. Ondanks het feit dat Kierkegaard zichzelf ongeschikt achtte voor het huwelijk, is hij nergens uit op het afwaarderen van de partnerliefde. Zo is Wat de liefde doet een buitengewoon praktisch boek waarin de ‘oververhitting en verbittering’ tussen geliefden in de vorm van verwachtingen koesteren, vergelijken, jaloezie, haat en nijd worden ontrafeld als symptomen van een ongezonde relatie. Het doel daarvan is niet de partnerliefde te ontraden, maar te laten zien hoe ontspanning in plaats van overspanning en relativering in plaats van verabsolutering samenhangen met een kader dat ongezonde afhankelijkheid buiten sluit. Dat kader is de plicht tot naastenliefde: “Zelfs in de verhouding tot zijn geliefde vrouw is een man allereerst de naaste, en zij is allereerst de naaste voor hem. […] Liefde tot de naaste is juist het meeste en het hoogste, en daarom moet zij voorrang krijgen zelfs in het eerste en opperste ogenblik van de verliefdheid.”
door Geert Jan Blanken.
BRON : eo.nl/artikel/kierkegaard-en-wat-de-liefde-doet