Vragen en problemen
Voordat we nader ingaan op Augustinus’ toelichting, zijn er nog enkele inleidende opmerkingen te maken. Ten eerste wordt duidelijk dat Augustinus de zaligsprekingen in een iets andere volgorde leest dan wij in onze moderne vertalingen. Zie het schema hieronder:
Augustinus / Latijnse tekst moderne vertaling / Griekse tekst
1. armen van geest => rijk der hemelen (identiek)
2. zachtmoedigen => land verdriet => troost
3. verdriet => troost zachtmoedigen => land
4. hongerigen en dorstigen naar gerechtigheid => verzadiging (identiek)
5. barmhartigen => barmhartigheid (identiek)
6. zuiveren van hart => God zien (identiek)
7. vredebrengers => kind van God (identiek)
8. vervolgden => rijk der hemelen (identiek)
9. uzelf, bij scheldpartijen en vervolging om Jezus => loon in de hemel (identiek)
Die verschillende volgorde roept bijna vanzelfsprekend de vraag op naar de achtergrond ervan: waarom staan de zaligsprekingen in deze volgorde? En misschien nog fundamenteler: waarom deze zaligsprekingen en deze beloningen? Dat verdrietigen getroost worden is logisch; hetzelfde geldt voor hongerigen en dorstigen die verzadigd worden en voor barmhartigen die barmhartigheid ondervinden. Maar wat is de samenhang tussen de armen van geest en het rijk der hemelen? En tussen zachtmoedigen en het land als erfenis? Tussen een zuiver hart en het zicht op God? Of tussen vredestichters en het kindschap van God?
Verder valt op dat de armen van geest (1) en de vervolgden (8) allebei het rijk der hemelen krijgen toegezegd: daar kun je gemakkelijk aan voorbij lezen en bij het luisteren in de liturgie valt het nauwelijks op. Maar Augustinus wijst daar in zijn beschouwingen heel uitdrukkelijk op, vooral als blijkt dat er dan sprake is van bijzondere aantallen in de reeks: 1 verwijst naar 8; 7+1=8…
En nu we toch aan het bevragen zijn: ik vond het vroeger als theologiestudent bijna irritant dat Jezus hier in de Bergrede spreekt over “armen van geest” en “hongerigen en dorstigen naar gerechtigheid”. Jezus’ Veldrede in Lucas 6 kon bij ons, jonge theologen in opleiding, op heel wat meer sympathie rekenen: daar ging het immers eenvoudigweg over de armen en hongerigen. Bovendien ging Jezus daar na slechts vier zaligsprekingen goed te keer tegen de rijken en verzadigden! Dat paste beter bij de opkomende vormen van Bijbeluitleg in de jaren zeventig waarin men aansloot bij de bevrijdingstheologie en bij de materialistische exegese.
Augustinus’ visie op de zaligsprekingen en de Bergrede als geheel: een samenvatting
Anders dan in de moderne uitleg brengt Augustinus in zijn toelichting op de Bergrede de afzonderlijke zaligsprekingen en voorschriften niet in verband met verschillende groepen gelovigen zoals de armen van geest, de zachtmoedigen of de mensen die verdriet hebben. Hij beschouwt de verschillende zaligsprekingen steeds als een stap onderweg of als een trede van een trap, die iedere gelovige mens beklimt op weg naar God7. Deze zoektocht naar God beschouwt hij als de weg naar volmaaktheid.
Elke stap omhoog vergt niet alleen een menselijke inspanning, maar is ook een geschenk van God: Augustinus legt aldus een relatie tussen de zeven treden van de weg naar de volmaaktheid en de zeven gaven van de Heilige Geest (s.dom.m. 1,11-12: ontzag voor god, godsvrucht, kennis, sterkte, beleid, inzicht en wijsheid in Js 11,2-3 volgens de Latijnse Bijbel en omgekeerd); hij waagt zelfs een samenhang te verwoorden naar de zeven beden van het onzevader.8 Vanzelfsprekend wacht aan het einde van die geestelijke weg omhoog het hemels koninkrijk als beloning.
Op weg naar het hemels koninkrijk vinden gelovigen steun in de reeks voorschriften van de Bergrede. Die werpen een nieuw licht op de geschriften van de joodse wet en de profeten. Uitvoerig staat Augustinus dan ook stil bij de vraag wat de door Jezus aangezegde wetsvervulling inhoudt. Het gaat daarbij volgens hem om een aanvulling van de wetsbepalingen én om het volbrengen van die aangevulde wet. Deze interpretatie dient tot structuur van het vervolg. Augustinus onderkent steeds eerst de grote waarde van een bepaling uit de joodse wet; vervolgens maakt hij duidelijk hoe de Heer de wet wil vervullen en ten slotte onderzoekt hij voor de gelovigen naar een zinvolle betekenis van die wetsvervulling.
Als eerste komt zo het verbod om te doden aan de orde (1,22-32); als tweede het verbod op echtbreuk (1,33-38); als derde het gebod voor een scheidingsbrief in geval een man zijn vrouw wil verstoten (1,39-50); als vierde het gebod om zich aan een eed voor de Heer te houden (1,51-55); als vijfde het gebod tot evenwichtige vergelding (1,56-68) en ten slotte het gebod om de naaste lief te hebben (1,69-80)9. Deze indeling valt dus niet samen met die van de zeven zaligsprekingen.
Echte wetsvervulling heeft met integriteit te maken. In Bijbelse taal spreekt Augustinus dan over een zuiver of oprecht hart. Als men dat heeft, streeft men er niet naar om bij het doen van goede werken door de mensen te worden gezien, maar beoogt men om zelf God te zien met de ogen van het hart. Dat geldt bij het schenken van aalmoezen (2,6-9), bij het bidden (2,10-39 met daarin de uitleg van het onzevader in 2,15-35) en bij het vasten (2,40-43). De integere levenshouding waarmee de wet wordt vervuld, vindt haar oorsprong en voltooiing in de liefde. De voorschriften om zich niet bezorgd te maken voor de dagelijkse dingen, vormen een hulpmiddel om die integere levenshouding te bewaren. Zij maken mensen bedacht op de komst van het koninkrijk der hemelen. Ten aanzien van onszelf kunnen we daarbij niet kritisch genoeg zijn. Maar ten aanzien van anderen is het belangrijk geen voorbarig en onrechtvaardig oordeel te vellen, zeker als dat een veroordeling zou inhouden. Het blijft bovendien belangrijk zich te realiseren dat een van liefde kloppend hart een gave van God is. Dat geschenk valt mensen ten deel wanneer zij zich daarvoor ontvankelijk maken. Die ontvankelijkheid kan groeien door gebed.
Beïnvloeding
De christelijke gemeenschappen hebben al in een vroeg stadium een bijzonder gezag aan het Matteüsevangelie toegekend en Augustinus staat met zijn belangstelling voor teksten uit dit evangelie dus al in een eeuwenoude traditie. Ook in de manier waarop hij de Bergrede van aantekeningen voorziet zijn invloeden aanwijsbaar van directe leermeesters en verre voorgangers. Zo hoeft het geen verwondering te wekken dat in Augustinus’ beschouwingen over het begin van de Bergrede met de zogeheten zaligsprekingen overeenkomsten zijn terug te vinden met de manier waarop Ambrosius (340-397) de Veldrede uit het Lucasevangelie van aantekeningen voorziet:10 Augustinus was immers in 387 door Ambrosius zelf gedoopt en was een groot bewonderaar van de manier waarop de bisschop van Milaan teksten uit de Heilige Schrift aan gelovigen wist uit te leggen11. In de bibliotheek van Hippo bewaarde Augustinus dan ook een exemplaar van Ambrosius’ commentaar op het Lucasevangelie12. Naast de invloed van Ambrosius zijn ook opvattingen van Gregorius van Nyssa (335-394) terug te vinden. Hoewel Augustinus zelf geen geschriften van deze Gregorius in de oorspronkelijke, Griekse taal kon raadplegen of lezen, zijn onmiskenbaar enkele van diens karakteristieke beschouwingen over de zaligsprekingen door Augustinus in zijn eigen commentaar verwerkt. Dat rechtvaardigt het vermoeden dat Augustinus over een vertaling van Gregorius’ uitleg beschikte13. In de manier waarop Augustinus de zaligsprekingen in hun onderlinge samenhang bespreekt, zijn ook overleveringen te ontdekken die teruggaan op Irenaeus († 202/3), bisschop van Lyon, en op Hilarius (315-367), bisschop van Poitiers. Achter Augustinus’ uitleg van Mt 6,9-13 over het onzevader is naast de invloed van Ambrosius ook de uitleg herkenbaar van de Carthaagse martelaar-bisschop Cyprianus (200/10-258), van Tertullianus (160- na 220) en van Origenes (ca 185-ca 254)14. Augustinus bedient zich dus van verschillende tradities, maar verwerkt die wel op een zelfstandige en creatieve manier.
Heel veelzeggend begint Ambrosius zijn toelichting met een gebed: “Kom, Heer Jezus, leer ons de samenhang van uw zaligsprekingen. U hebt immers niet op goed geluk eerst de armen van geest zalig of gelukkig genoemd, dan de zachtmoedigen en ten derde de treurenden.” (Expositio euangelii secundum Lucam (ex.eu.Lc) 5,52) Het is verleidelijk om Augustinus bespiegelingen tegen het licht te houden van Ambrosius, maar in deze bijdrage beperk ik mij tot de aantekeningen van de bisschop van Hippo Regius.
Uit het lezen van de teksten bij Augustinus en Ambrosius wordt overigens nog wel iets anders duidelijk: de treden der zaligsprekingen omvatten een geestelijke trap. Daarop klim je dus in geestelijke zin omhoog. Het bereiken van de ene trede vormt niet zoals bij een gewone trap een garantie voor het beklimmen van de volgende. En anders dan in het gewone leven kun je in het geestelijke leven op het ene moment op een hoge trede verwijlen en op een volgend moment weer moeten ploeteren op de onderste trede. Mediteren over de zaligsprekingen is daarom ook een oefening in geestelijke beklimming en behoedzame afdaling.
Dat maakt gelovigen ook tot broeders en zusters, want de ene trede van die geestelijke trap staat wel hoger aangeschreven dan de andere, maar iedere gelovige stijgt en daalt langs die trap zoals Gods engelen langs de ladder die Jakob in zijn droom te schouwen kreeg.
Bij het bekijken van Augustinus’ beschouwing bij een Bijbeltekst valt altijd te bedenken dat hij als het ware met de Bijbel “mee-leest”. Zijn leeshouding wordt veel meer gekenmerkt door sympathie en inleving met Bijbelteksten in het algemeen, met evangelieteksten in het bijzonder en met Jezus’ Bergrede in het allerbijzonderst; veel meer door sympathie en inleving dus dan door antipathie en oppositie. Centraal staat niet: de tekst raakt mij niet (omdat de tekst vreemd is of onlogisch volgens onze maatstaven); centraal staat evenmin: ik kan niks met de tekst. Nee, uitgangspunt is: de Bijbeltekst is a priori zin- en betekenisvol. En het is aan mij als lezer, aan ons als gelovigen, om via bevraging en aankloppen te bezien of er wordt opengedaan en zich diepere betekenissen te kennen geven. Wat tekent Augustinus nu aan bij de verschillende zaligsprekingen als stadia van geestelijk leven? En welke aantekening van hem kan ons vandaag het meeste bekoren? Op welke trede van de geestelijke ladder kan men zich vandaag in het geloof aangesproken of geïnspireerd weten?
Zalig de armen van geest want hun behoort het rijk der hemelen
Kort en goed verwijst voor Augustinus armoede van geest naar nederigheid: “Wat wil dat zeggen: arm van geest? Arm aan wensen, niet arm aan middelen. Wie arm van geest is, is nederig. God hoort,” aldus Augustinus, “de verzuchtingen van de nederigen en Hij veronachtzaamt hun gebeden niet. Daarom begint de Heer zijn toespraak met die aanbeveling van de nederigheid, dat wil zeggen: van de armoede. U kent allemaal waarschijnlijk wel iemand die godsdienstig leeft en rijkelijk gezegend is met aardse goederen, maar toch bescheiden blijft en niet hoogmoedig is. En u kent ook wel iemand die gebrek lijdt, niets heeft en op zwart zaad zit. Heeft de een meer hoop dan de ander? Nee, de een is arm van geest omdat hij nederig is; de ander is gewoon arm, maar niet arm van geest. Daarom voegde Christus de Heer toen Hij zei: ‘Gelukkig die arm zijn,’ eraan toe: ‘van geest.’ Wie naar mij (= Augustinus!) luistert en arm is, hoeft dus niet te proberen om rijk te worden.” (s. 53A,2)
Augustinus verbindt deze aantekening met een beschouwing rond 1 Tim 6,9: “Wie rijk wil worden valt gemakkelijk ten prooi in valstrikken vol bekoringen, ondergang en verderf.” In dit verband staat Augustinus ook stil bij enkele verzen uit het vervolg van 1 Tim 6,17-19: “Vermaan de rijken niet hoogmoedig te zijn. Laat hen niet vertrouwen op de wisselvalligheid van materiële rijkdom. Je kunt beter vertrouwen op de levende God, die ons overvloedig van alles voorziet en te genieten geeft om goede werken te doen, vrijgevig te zijn en mededeelzaam.” Augustinus is onmiskenbaar een pleitbezorger voor nivelleringspolitiek.
In elk geval maakt de uitleg van “arm van geest” via “arm aan wensen en begeerten” en opgevat als nederigheid het iets gemakkelijker te begrijpen dat juist aan nederigen het rijk der hemelen wordt toegezegd en dat dit gepaard gaat met de eerste geestesgave: ontzag of vrees voor de Heer. Ontzag of vrees is uitdrukkelijk te onderscheiden van angst of bangheid. De laatste is opgelegd of afgedwongen en kenmerkt bijvoorbeeld de verhouding tussen een slaaf en diens eigenaar; een slaaf kan bang zijn uit angst voor lijfstraf. In de eerste geestesgave gaat het om iets anders: uit liefdevol ontzag of eerbiedige vrees spreekt behoedzaamheid of vrijwillige nederigheid: de hoge hemel is er de beloning voor.
Zalig de zachtmoedigen want zij zullen het land erven
Voor wie in eerste (en laatste) instantie het rijk der hemelen wordt toegezegd, is het in zekere zin vanzelfsprekend dat na de hemel ook goed land wordt beloofd: dat gebeurt aan zachtmoedigen. Augustinus tekent daarbij aan: “Wilt u het land nu al bezitten? Ga dan eerst na of het land u niet bezit. Bent u zachtmoedig, dan zult u het land bezitten. Bent u niet zachtmoedig, dan zal het land u bezitten. En dan hoort u niet wat de beloning is, die u in het vooruitzicht wordt gesteld – namelijk het bezit van het land. Pas op dat u dan de zak van uw hebzucht, waardoor u het land nu al wilt bezitten en ook nog eens uw buurman van dat bezit wilt uitsluiten, niet te ver oprekt. Laat u niet misleiden door dat waanidee. U zult het land alleen maar werkelijk bezitten, wanneer u zich vastklampt aan Hem die de hemel en de aarde gemaakt heeft (Gn 1,1). Zachtmoedig zijn wil namelijk zeggen: geen weerstand bieden aan uw God. Het gevolg daarvan is dat Hij u behaagt in wat u aan goeds doet in plaats van dat u zichzelf behaagt. En dat Hij u niet mishaagt in wat u terecht aan slechts ondergaat maar dat u zichzelf mishaagt. Het is namelijk niet van geringe betekenis dat u Hem zult behagen door uzelf te mishagen. Want door uzelf te behagen, mishaagt u Hem.” (s. 53,2)
Bij de erfenis van het land gaat het dus niet om grootgrondbezit. In het commentaar op de Bergrede verbindt Augustinus dat beloofde land met het land van de levenden, waar God onze hoop en ons erfdeel is (Ps 142,6): dat is de rust en het leven van de heiligen. “Zachtmoedig zijn zij die berusten bij bruut gedrag en geen weerstand bieden aan het kwade (Mt 5,39), maar het kwade overwinnen door het goede (Rom 12,21). Laten hardvochtigen maar ruzie maken en vechten om aardse en tijdelijke zaken; gelukkig wie zachtmoedig zijn, want zij zullen het land erven waaruit zij niet kunnen worden verdreven.” (s.dom.m. 1,4)
Zalig wie verdriet hebben want zij zullen worden getroost
Kritisch zelfonderzoek van je eigen tekortkomingen (als kenmerk van zachtmoedigheid) leidt niet alleen tot ongenoegen maar tot verdriet als uitdrukking van spijt en berouw. Wat we hier via Augustinus van de Bijbel kunnen leren, is dat echt verdriet niet alleen een uitdrukking is van wat een ander aan tegenslag, onrecht, ziekte en dood overkomt. Op het geestelijke parcours heeft verdriet vooral betrekking op de treurnis over onze eigen beperkingen, nalatigheden, fouten, onrecht en – ik gebruik het woord toch maar – zonden.
Augustinus verwoordt het aldus: “Broeders en zusters, treuren is pas echt treuren, als het gaat om het zuchten van een berouwvolle zondaar. Iedere zondaar moet namelijk treuren. Wie wordt er anders betreurd dan een dode? En bestaat er iets wat zo dood is als een ongerechtige? Is dat niet iets geweldigs? Laat zo iemand om zichzelf treuren, dan komt hij weer tot leven. Laat hij treuren en berouw hebben over zijn zonden, dan zal hij vertroost worden en vergeving krijgen.” (s. 53A,8) Mag het subtiele gebruik van dood en zonde in deze passage opvallend heten?
Zalig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid want zij zullen verzadigd worden
Wie ooit intens verdriet heeft meegemaakt, heeft er weet van dat het de stofwisseling blokkeert en de honger- en dorstreflexen uitschakelt. Wie zijn verdriet de vrije loop laat ondervindt opluchting. Zo bezien is het dus heel logisch dat na de zaligspreking van de verdrietigen aandacht wordt gevraagd voor hongerigen en dorstigen. Augustinus tekent daarbij aan: “U wilt verzadigd worden. Maar waarmee dan? Als u naar lichamelijke verzadiging snakt, zult u zodra alles verteerd is, opnieuw honger lijden. De Heer zegt zelf: “Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst.” (joh 4,13) Als een geneesmiddel dat op een wond wordt gelegd, die wond geneest, doet die wond geen pijn meer. Maar het geneesmiddel van het eten dat tegen de honger wordt gebruikt, wordt zo toegediend dat het maar voor korte tijd verlichting brengt. Want als de verzadiging voorbij is, keert de honger terug. Iedere dag die God geeft, krijgt u het geneesmiddel van de verzadiging, maar de wónd van de zwakheid geneest nooit.
Laten wij dus hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want dan worden we door dezelfde gerechtigheid verzadigd waarnaar we nu hongeren en dorsten. We zullen dan immers verzadigd worden door datgene waarnaar we hongeren en dorsten. Laat ons innerlijk maar hongeren en dorsten: het innerlijk heeft zijn eigen voedsel en zijn eigen drank. “Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald,” zegt de Heer (Joh 6,41). Daar hebt u het brood voor wie hongert. Verlang dan ook naar de drank voor wie dorst: “Bij U is de bron van het leven” (Ps 36,10) (s. 53,4).
Zalig de barmhartigen want zij zullen barmhartigheid ondervinden
In Bertold Brechts (1898-1956) Die Dreigroschenoper vinden we de uitspraak “Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.” Het zou onbewust een weerklank kunnen zijn van de Bijbelse reeks in de Bergrede: na de verzadiging van hongerigen en treurenden vinden we de aandacht voor de moraal naar de naasten. Augustinus wijst al op de naadloze aansluiting tussen deze twee zaligsprekingen, al legt hij – eerlijk is eerlijk – een ander accent. Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden: Augustinus leest in die ondervinding van de barmhartigheid van een ander de barmhartigheid van God. “U hongert en dorst namelijk naar gerechtigheid. En als u daarnaar hongert en dorst, bedelt u bij God. Dan komt u dus bij God aan de deur om te bedelen. Maar er komt ook weer iemand bij ú aan de deur om te bedelen. Zo simpel is het: dat wat u met úw bedelaar doet, doet God met de zijne” (s. 53A,10).
De toelichting is wellicht zo compact dat ik hier ter verheldering gemakkelijk ook de korte toelichting uit de andere preek kan aanhalen: “Wees barmhartig en u zult barmhartigheid ondervinden. Wees barmhartig voor een ander in de hoop dat die barmhartig is voor u. U hebt namelijk overvloed en gebrek tegelijk: overvloed aan tijdelijke goederen, gebrek aan eeuwige. Er komt iemand bij u bedelen, maar zelf bedelt u bij God. Er wordt iets gevraagd van u, maar zelf vraagt u iets van God. Wat u doet voor degene die iets van u vraagt, zal God doen voor degene die iets van Hem vraagt. U bent vol en leeg tegelijk: vul iemand die leeg is uit uw eigen volheid, in de hoop dat uw eigen leegte wordt gevuld uit de volheid van God” (s. 53,5).
Zalig de zuiveren van hart want zij zullen God zien
Door de beoefening van liefdevolle barmhartigheid groeit belangeloze integriteit. Mensen groeien in hun integriteit wanneer hun (goede) woorden en daden met elkaar overeenkomen. Die integriteit is van groot belang in verband met Augustinus’ visie op de zuiveren van hart. Zoals eerder vermeld besteedt hij aan deze zaligspreking de meeste aandacht. Hij heeft er een uitvoerige brief (147) aan besteed en in sermo 53 strandt hier zijn voornemen om alle zaligsprekingen te bespreken en besteedt hij aan deze zaligspreking ruim driemaal zoveel aandacht als aan alle andere samen (vgl. s. 53,6-16). Vanzelfsprekend gaat het daarbij niet om een lichamelijk zien. In elke toelichting spant Augustinus zich eerst in om dat misverstand uit de weg te helpen. In zijn Bergredecommentaar lezen wij daarover: “Hoe dom zijn dus zij die God zoeken met de ogen van het lichaam, aangezien Hij met de ogen van het hart wordt gezien zoals er ook ergens anders staat: ‘Zoek Hem in eenvoud van hart!’ (W 1,1) Een zuiver hart is een eenvoudig hart. En zoals we het licht om ons heen alleen kunnen zien met zuivere ogen, zo kunnen wij ook God alleen zien als het instrument zuiver is waarmee Hij kan worden gezien” (s.dom.m. 1,8).
Het zuiveren van het hart verlangt een fikse schoonmaakbeurt. Het verrassende bij Augustinus is dat wanneer we zelf niet voldoende daartoe in staat blijken, we niet hoeven schromen om God zelf als schoonmaker in te huren: “Als u alles doet, wat ik hierboven heb gezegd, wordt uw hart gereinigd. U hebt een zuiver hart wanneer u niet doet alsof u iemands vriend bent, terwijl u in uw hart zijn vijand bent. Want daar waar God ziet, in uw hart, bekranst Hij u (Mt 6,4.18). Niets van wat u daar in uw hart genoegen schenkt, mag u goedkeuren of prijzen. Als een slechte begeerte u prikkelt, mag u daaraan niet toegeven. En als zij toch in u oplaait, roep God dan tegen haar te hulp in uw gebed. Bid dan dat er binnenin u iets mag gebeuren, dat uw hart gereinigd mag worden, de plaats waar men tot God bidt. Want het is niet meer dan normaal dat u de kamer schoonmaakt, wanneer u God daar wilt uitnodigen, en dat u uw kamer goed schoonmaakt, in de hoop dat God u verhoort. Soms zwijgt de tong, maar zucht de ziel. Dat betekent niets meer of minder dan dat u in die kamer, in uw hart, tot God bidt. Daar mag dus niets zijn dat de ogen van God tegenstaat, niets wat God mishaagt. Als het uzelf soms moeite kost om uw hart te reinigen, dan moet u God aanroepen. Die zal het zeker niet beneden zijn waardigheid vinden om voor zichzelf een plaatsje schoon te maken. En Hij zal zeker bij u willen wonen. Of bent u soms bang dat die zo grote en machtige God u zenuwachtig zal maken, als u Hem in uw hart opneemt? Zoals mensen die in eenvoudige en armoedige omstandigheden leven, altijd bang zijn gedwongen te worden om anderen die belangrijker zijn dan zij, wanneer die toevallig langskomen, in hun huis op te nemen. En groter dan God kan al helemaal niet. Toch hoeft u niet bang te zijn dat u niet genoeg plaats hebt. Neem Hem gewoon op, dan zal Hij u verruimen. U hebt niets om Hem voor te zetten? Neem Hem op, dan zal Hij u voeden. En – wat u nog liever zult horen – Hij zal u voeden met zichzelf. Hij zal uw voedsel zijn, want Hij heeft zelf gezegd: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald’ (Joh 6,41). Dat soort brood verkwikt en raakt nooit op. Kortom: ‘Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien’”. Wanneer God op bezoek komt, maakt Hij je huis schoon en neemt Hij ook nog van alles mee waaraan je je kunt laven: de regels van de gastvrijheid worden op hun kop gezet. En zo bezien wordt het eigenlijk een feest om religieus te leven15!
Zalig wie vrede brengen want zij zullen kinderen van God worden genoemd
Valt God te zien met een zuiver hart dan daagt de ware vrede. Vredebrengers zijn, aldus Augustinus, mensen die onenigheid tussen mensen weten te stelpen en de vrede herstellen: “Zeg tegen de een iets goeds over de ander en tegen de ander iets goeds over de een. U hoort van een van hen iets slechts over de ander, gewoon omdat hij kwaad is? Vertel dat dan niet door. Houd de boze woorden van iemand die kwaad is, voor u. Maan hen in alle oprechtheid tot eendracht. Maar ook als u de vrede wilt herstellen tussen twee vrienden van u die onenigheid hebben, moet u bij uzelf beginnen met vreedzaam te zijn. U moet uzelf vanbinnen tot vrede brengen, waar u waarschijnlijk elke dag strijd levert met uzelf. (…) Als er in uw binnenste dus elke dag een soort ruzie wordt uitgevochten, en u met dit prijzenswaardige gevecht weet te voorkomen dat het lagere in u de overhand krijgt over het betere, dat de wellust het verstand overheerst en de begeerte de wijsheid, dan is dat de ware vrede die u in uzelf tot stand moet brengen, dat het betere in u het lagere in u in zijn macht heeft.
Het betere in u, dat is datgene waarin u het beeld van God bent. We noemen het ook wel geest, of bevattingsvermogen. Daar gloeit het geloof, daar groeit de hoop, daar ontbrandt de liefde. Wil uw geest in staat zijn om uw lusten de baas te worden? Dan moet hij zich onderwerpen aan iemand die groter is, en hij zal degene die lager is, de baas worden. Dan zal er ware, zekere en uitstekend geordende vrede in u heersen. Hoe die vrede geordend is? God heeft de geest in zijn macht, de mens het vlees. Een betere ordening is er niet.
Maar wel is het zo, dat het vlees nog steeds zijn zwakheden heeft. In het paradijs was dat in oorsprong niet het geval. Dat is zo gekomen door de zonde. Vanwege de zonde moet het vlees de knellende band van de tweedracht dragen ten nadele van onszelf. Maar er is iemand gekomen, die zonder zonde was, om onze ziel en ons lichaam op elkaar af te stemmen. Ook is Hij zo goed geweest om ons de Heilige Geest als onderpand te geven. Want allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God (Rom 8,14). Gelukkig die vreedzaam zijn, want zij zullen kinderen van God genoemd worden” (s. 53A,12).
Bij dit lange en wat gecompliceerde citaat veroorloof ik mij enkele verhelderingen. Augustinus ziet vredebrengers als vredeherstellers. Daarin klinkt de overtuiging door dat het werk voor de vrede als daad van herstel gezien moet worden: dat herstel staat ten dienste aan wat door mensen is geschonden. Geschonden is de ware vrede, die allereerst met God van doen heeft. Augustinus brengt de vrede dan ook heel vanzelfsprekend in verband met de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde. Over vrede als toestand van orde schrijft de bisschop van Hippo Regius later uitvoerig in De ciuitate dei 19,11-2816. Maar in bovenstaand preekfragment wordt al duidelijk hoe het herstel van de vrede te maken heeft met ieder mens afzonderlijk. In die orde van de mens staat wat aan de mens ondergeschikt is in een voortdurend verband met aan wie de mens zichzelf weet te onderschikken. Door die samenhang valt ook weer bijzonder licht op de aan de orde zijnde zaligspreking. Daarin is het kindschap van God voor de mensen door hun vrijwillige onderschikking de vanzelfsprekende beloning voor het werk aan de vrede.
Zalig wie vervolgd worden om de gerechtigheid want hun behoort het rijk der hemelen
Ter verdieping of toetsing van je integriteit gaat het vervolgens om wie vervolgd worden omdegerechtigheid: “De toevoeging van de laatste woorden onderscheidt de martelaar van de moordenaar. Want ook moordenaars worden vervolgd, voor hun wandaden. Alleen: moordenaars zijn niet uit op de martelaarskrans, maar ondergaan gewoon hun verdiende straf. Het is niet de straf, die iemand tot martelaar maakt, maar de zaak waarom het gaat. Hij moet eerst zijn zaak kiezen, dan kan hij gerust zijn straf verdragen.
Toen Christus leed, stonden er vlak bij elkaar drie kruisen: in het midden hing Christus, links en rechts van Hem een moordenaar. Die hadden dus precies dezelfde straf gekregen. Hebt u dat in de gaten? En toch was er maar een van de twee die hangend aan het kruis het paradijs vond. Hij die in het midden hing, sprak het oordeel uit, en veroordeelde de hoogmoedige moordenaar, terwijl Hij de nederige te hulp kwam. Het kruishout was dus Christus’ rechtbank. Waartoe zal Hij als Rechter niet in staat zijn, als Hij als veroordeelde al zoiets kon? Tegen de moordenaar die zijn schuld beleden had, zei Hij: ‘Ik verzeker je, vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs’ (Lc 23,43). Die moordenaar had er niet op gerekend dat het zo snel zou gaan. Wat had hij namelijk gezegd? ‘Heer, denk aan mij, wanneer U in uw rijk gekomen bent’ (Lc 23,42). Ik ben me bewust van mijn wandaden,’ zei hij, ‘laat me in ieder geval maar gekruisigd blijven totdat U komt’. En omdat ieder die zichzelf vernedert, verheven zal worden, sprak Christus meteen zijn vonnis uit en schonk hem vergeving: ‘Vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs’” (s. 53A,13).
Het beslissende criterium om echte en onechte vervolgde bloedgetuigen van elkaar te onderscheiden wordt volgens Augustinus niet bepaald door vervolging of het verduren van folteringen, maar alleen door de zaak waarvoor men sterft. Over die rechtvaardige zaak lijkt bij de bisschop van Hippo Regius geen discussie mogelijk: de inzet voor de gerechtigheid betreft de zaak van Jezus Christus en diens lichaam over de wereld verspreid, dat wil zeggen: de katholieke kerk.
Bron : KU Leuven – Collationes – 43e jaargang, nr. 3, September 2013
