Augustinus : Fragment uit de ‘Belijdenissen’…..

CONFESSIONES

Fragment uit de Belijdenissen van Augustinus :

Boek VII vanaf 10.6 tot 10.7

“Als God vergankelijk was, zou Hij niet God zijn. – vanwaar komt het kwaad ?”

Ik deed mijn best, het overige zó te vinden, als ik reeds gevonden had, dat het onvergankelijke beter is dan het vergankelijke en daarom van U, wat U ook bent, had leren belijden, dat U onvergankelijk bent. Immers geen enkele ziel kon ooit iets denken of zal ooit iets kunnen denken, dat beter is dan Gij, die het hoogste en beste goed bent. Wanneer echter met volkomen waarheid en zekerheid het onvergankelijke gesteld wordt boven het vergankelijke, zoals ik reeds deed, dan zou ik door nadenken tot iets kunnen komen, dat beter was dan mijn God, indien U niet onvergankelijk waart. Mijn overtuiging, dat het onvergankelijke de voorkeur verdient boven het vergankelijke, moest ik dus als uitgangspunt nemen bij mijn zoeken naar U en vandaar uit waarnemen, waar het kwaad is, dat wil zeggen vanwaar het verderf is, waardoor Uw wezen op generlei wijze kan worden aangetast. Want op geen enkele wijze kan het verderf onze God aantasten, niet door wil, niet door noodzaak, niet door een onvoorzien toeval, daar Hij zelf God is en goed is, wat Hij voor zich wil en Hij zelf juist dit goede is; verdorven te worden echter is niet iets goeds. En tegen Uw wil wordt U niet tot iets gedwongen, omdat Uw wil niet groter is dan Uw macht. Hij zou echter groter zijn, indien U zelf groter waart dan U zelf: want de wil en de macht Gods is God zelf. Wat is onvoorzien voor U, die alles kent? En geen schepsel is, dan omdat U het kent. En waartoe zullen wij nog veel redenen opsommen, waarom het wezen, dat God is, niet vergankelijk is, daar het, wanneer het dit was, niet God zou zijn?

10.7 Hij vraagt wederom, vanwaar het kwaad is en wat zijn wortel is. Zo zocht ik, vanwaar het kwaad is, en ik zocht slecht en zag het kwade in mijn onderzoek niet. En ik stelde voor het oog van mijn geest de schepping in haar geheel, al wat van haar zichtbaar is, zoals de aarde, de zee, de lucht, de hemellichamen, de bomen en de sterfelijke levende wezens, en ook al wat van haar niet zichtbaar is, zoals het uitspansel van de hemel en bovendien alle engelen en alle geestelijke wezens, die zich daarin bevinden; maar ook die beschouwde ik, alsof ze lichamen waren, ruimtelijk begrensd en geordend, zoals mijn verbeelding ze zag; en ik maakte Uw schepping tot één grote massa, waarin ik verschillende soorten van lichamen onderscheidde, zowel die, welke werkelijk lichamen waren, alsook die, welke ik zelf van geesten tot lichamen gemaakt had, en ik maakte die massa groot, niet zo groot als ze was, want dat kon ik niet weten, maar zo groot als ik goed vond, maar toch naar alle kanten begrensd; maar van U nam ik aan, o Heere, dat Gij, aan alle zijden onbegrensd, haar overal omgaf en haar doordrong!, bijvoorbeeld zoals wanneer de zee overal was en overal door de onmetelijke ruimte alleen de oneindige zee, en deze dan in zich had een spons, wel groot, maar toch begrensd, en dan die spons in al haar delen gevuld was met water uit de oneindige zee: zó dacht ik me Uw eindige schepping vol van U, de oneindige, en ik zei: “Ziedaar God en ziedaar wat God geschapen heeft, en God is goed en oneindig veel voortreffelijker dan dat; maar toch heeft Hij in zijn goedheid goede dingen geschapen; en zie, hoe Hij alles omgeeft en vervult: waar is dan het kwaad en vanwaar komt het en hoe is het hier ingeslopen? Wat is zijn wortel en wat zijn kiem? Of bestaat het in ‘t geheel niet? Waarom zijn wij dan bang en hoeden wij ons voor wat niet is? Of indien wij zonder grond vrezen, is de vrees ongetwijfeld zelf een kwaad, waardoor ons hart nodeloos wordt gefolterd en gekweld, en wel een des te ernstiger kwaad, omdat er niets is, wat we behoeven te vrezen en we toch vrezen. Derhalve is er of een kwaad, dat we vrezen, of daarin is het kwaad gelegen, dat we vrezen. Vanwaar is het dan, daar de goede God al deze dingen goed gemaakt heeft? Het grotere en zelfs hoogste Goed heeft het kleinere goede gemaakt, maar toch zijn Schepper en al het schepsel beiden goed. Vanwaar is dan het kwaad? Of was er wellicht een kwade stof, waaruit Hij het gemaakt heeft, en heeft Hij het gevormd en geordend, maar iets er in gelaten, dat Hij niet in goed veranderde? En waarom dan dit? Was Hij dan onmachtig de gehele stof te keren en te veranderen, zodat er niets kwaads in bleef, hoewel Hij almachtig is? En eindelijk, waarom wilde Hij uit die stof iets maken en bewerkte Hij niet liever door diezelfde almacht, dat zij er in ‘t geheel niet was? Of kon zij wellicht bestaan tegen Zijn wil? Of indien zij van eeuwigheid was, waarom liet Hij haar dan zo lang gedurende oneindige tijden in ‘t verleden zo bestaan en behaagde het Hem eerst zoveel later iets uit haar te maken? Of ook, indien Hij plotseling iets wilde bewerken, had dan de Almachtige niet veeleer dit moeten bewerken, dat zij niet bestond en Hij alleen bestond, het gehele ware, hoogste en oneindige Goed? Of indien het niet goed was, dat Hij, die goed was, naliet iets goeds te maken en te vestigen, had Hij dan niet die stof, die slecht was, moeten wegnemen en vernietigen en zelf een goede moeten formeren, om daaruit alles te scheppen? Want Hij zou niet almachtig zijn, indien Hij niet iets goed kon voortbrengen zonder behulp van de stof, die Hij zelf niet had voortgebracht.” Zulke dingen overwoog ik in mijn ellendig hart, dat bezwaard was door fel knagende zorgen van de vrees voor de dood en het niet vinden van de waarheid; maar toch was diep in mijn hart geworteld het geloof van de katholieke kerk in Uw Christus, onze Heer en Zaligmaker, in vele opzichten nog wel minder goed gevormd en heen en weer slingerend zonder de vasten koers van de leer, maar toch liet mijn ziel dat geloof niet los, integendeel zij dronk het met de dag meer en meer in.

Bron : Augustinus’ Confessiones ,Uit het Latijn vertaald door Dr. A. SIZOO

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie