
De waarheid is als een leeuw,
je hoeft het niet te verdedigen.
Laat het los.
Het zal zichzelf verdedigen.
St.Augustinus
Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.

De waarheid is als een leeuw,
je hoeft het niet te verdedigen.
Laat het los.
Het zal zichzelf verdedigen.
St.Augustinus



Afbeelding door Simone Martini
GEBED VAN DE HEILIGE AUGUSTINUS
Vertrouw op Gods hemelse belofte Mijn God, laat mij U kennen en liefhebben,
zodat ik mijn geluk in U kan vinden.
Omdat ik dit op aarde niet volledig kan bereiken,
help mij om dagelijks te verbeteren
totdat ik het volledig kan bereiken.
Laat mij U steeds beter kennen op aarde,
zodat ik U volmaakt kan kennen in de hemel.
Laat mij U steeds meer liefhebben op aarde,
zodat ik U volmaakt kan liefhebben in de hemel.
Op die manier mag mijn vreugde groot zijn op aarde,
en volmaakt met U in de hemel.
O God van de waarheid,
geef mij het geluk van de hemel,
zodat mijn vreugde vol mag zijn in overeenstemming met Uw belofte.
Laat in de tussentijd mijn gedachten bij dat geluk stilstaan,
mijn tong erover spreken,
mijn hart ernaar smachten,
mijn mond het uitspreken,
mijn ziel ernaar hongeren,
mijn vlees ernaar dorsten,
en mijn hele wezen ernaar verlangen
totdat ik door de dood heen
in de vreugde van mijn Heer voor altijd binnenga.
Amen.

“ Hij maakte een zweep van touwen en joeg ze allemaal uit het tempelgebied…” – Johannes 2:15
“De apostel Paulus zegt: “ De tempel van God, die u bent, is heilig ” (1 Kor. 3:17), dat wil zeggen – allen die in Christus geloven, geloven tot liefhebben. … Allen die zo geloven, zijn de levende stenen waaruit Gods tempel is gebouwd (1 Petr. 2:5), zij zijn als het onvergankelijke hout waarvan de Ark werd gebouwd, dat de vloed niet kon overweldigen (Gen. 6:14). Deze tempel – het volk van God, menselijke personen zelf – is de plaats waar God degenen die bidden, verhoort. Mensen die buiten deze tempel tot God bidden, kunnen hun gebeden, voor de vrede van het Jeruzalem hierboven, niet verhoord krijgen, ook al worden ze verhoord met betrekking tot bepaalde materiële dingen die God schenkt, zelfs aan heidenen. … Maar het is iets heel anders om iemands gebeden verhoord te krijgen in de kwestie van het eeuwige leven. Dit wordt alleen verleend aan hen die binnen Gods tempel bidden.
Want iemand die bidt in de Tempel van God, bidt in de vrede van de Kerk, in de eenheid van het Lichaam van Christus, aangezien het Lichaam van Christus is opgebouwd uit de menigte van gelovigen verspreid over de hele wereld. … En iemand die bidt in de vrede van de Kerk, bidt “ in geest en waarheid ” (Joh. 4:23), waarvan de vroegere Tempel slechts een symbool was.
In feite was het voor onze instructie dat onze Heer die mannen uit de tempel wierp die alleen hun eigen belang zochten en die er alleen heen gingen om te kopen en verkopen. Als die eerste tempel deze reiniging moest ondergaan, dan is het duidelijk dat ook het Lichaam van Christus, de ware Tempel, kopers en verkopers bevat onder degenen die daar bidden, dat wil zeggen mensen die alleen “ hun eigen belang zoeken en niet dat van Jezus Christus ” (Fil. 2,21). … Maar de tijd zal komen dat de Heer al die zondaars zal uitwerpen. ”
– St. Augustinus (354-430) Bisschop van Hippo, Noord-Afrika, Vader en Genadeleraar van de Kerk ( Preek over Psalm 130, nr. 1-2 )
Bron Annastpaul

Van de bekende Deense filosoof Søren Kierkegaard is de volgende uitspraak: ‘Eén ding is er wat onze tijd mist en dat is wel te verstaan “eeuwigheid”.’ In deze woorden legt Kierkegaard (1813-1855) de kern bloot van zijn hele oeuvre. Ook uit hij in dit aforisme zijn zorg over de toekomst van Europa. Waar het in zijn dagen aan schortte en waaraan het meer en meer zal schorten is het besef van de eeuwigheid. Het tekort daaraan leidt tot geestloosheid, hedonisme, technificering van het leven, mateloze bedrijvigheid en vooral: tot angst.
***
jKierkegaard heeft veel geschreven over het fenomeen angst. Een vluchtige blik op de titels van zijn boeken laat dat zien: Vrees en beven, Het begrip angst, Ziekte tot de dood. Ook veel van zijn zogenoemde ‘stichtelijke redevoeringen’, die hij parallel aan zijn hoofdwerken liet verschijnen, gaan over ‘zorg’ en ‘angst’.
Dat Kierkegaard zich zo intensief met ‘angst’ heeft beziggehouden, heeft alles te maken met zijn eigen leven. Van jongs af aan was hij vertrouwd met ‘angst’. Zijn dagboek, dat hij op vrij jonge leeftijd begon, laat dat zien. Toen hij rond de twintig jaar was, moet hij obsessief geleden hebben aan wat wij tegenwoordig een ‘angststoornis’ zouden noemen. Het is onbekend waar het object van zijn angst in gelegen was, maar duidelijk is dat iets hem als een idee-fixe stoorde en bezighield. Het dagboek laat ook zien wat het hem deed toen hij de sleutel vond om van de obsessieve angst af te komen. Hoe hij die vond en wat die sleutel daadwerkelijk was, valt op te maken uit het slothoofdstuk van Het begrip angst en uit meerdere ‘stichtelijke redevoeringen’.
Dat Kierkegaard vertrouwd was met angst, heeft te maken met een zekere erfelijke belasting. Zijn vader leed onder zwaarmoedigheid. Kierkegaard was uiterst begaafd en fijnzinnig. De voelsprieten van zijn innerlijk waarmee hij de werkelijkheid aftastte waren buitengewoon gevoelig. Zijn opvoeding heeft dan ook in het ontwikkelen van ‘angst’ een belangrijke rol gespeeld. Later zou hij ervan zeggen dat deze tot op zekere hoogte ‘krankzinnig’ was. Hij vertelt dat zijn vader zijn toch al rijk ontwikkelde fantasie prikkelde door het nabootsen van situaties uit het gewone leven. Hij maakte fictief wandelingen, waarbij hij zijn zoon wees op dingen die ze ‘zagen’ en waarbij ze mensen ontmoetten (en groette!) die in de grote kamer waarin hij dit spel speelde natuurlijk volstrekt niet te zien waren. De zwaarmoedigheid van Kierkegaards vader hing samen met een voorval uit zijn jeugd: als jonge knaap had hij op de Jutlandse hei bittere kou geleden. In zijn radeloosheid balde hij op een onbedacht moment op een grove manier zijn vuisten naar de hemel, om daar direct grote spijt van te krijgen. Er kan nog iets anders meegespeeld hebben. Kierkegaard vertelt in een van zijn boeken over Salomo. Hij beschrijft hoe deze op een dag ongezocht zijn vader hoort bidden. Deze vertelt berouwvol wat hij gedaan heeft (met Bathseba). Sommigen vermoeden een autobiografisch aspect: de vader van Kierkegaard was na het overlijden van zijn eerste vrouw getrouwd met zijn vroegere dienstmeisje. Was er voordien al sprake van een affaire tussen beiden? Het blijft gissen.
Daarbij kwam het piëtistische klimaat waarin hij opgroeide. Daarin was het niet zomaar gezegd dat iemand werkelijk gelovig was, terwijl dit een voorwaarde is voor eeuwig behoud. Begaafd als hij was, moest hij zijn weg door het leven zien te gaan met deze ‘bagage’. En dat in een tijd van de romantiek en het opkomend hegelianisme, waarin het christelijke geloof geherdefiniëerd werd.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Kierkegaard in zijn jonge jaren geen existentieel houvast vond. Het enige verweer dat hij tegenover dit leven en de angst had, was zijn genialiteit. Die maakte dat hij geestig was, zichzelf anders kon voordoen dan hij zich voelde, met het leven spelen kon. Die maakte ook dat hij de bewegingen van de angst vanuit de innerlijke ervaringen in zijn eigen leven kon observeren en enigszins in kaart kon brengen. Inzicht in de processen van angst geeft enig soelaas – maar de oplossing bood het niet. Die vond hij ergens anders.
***
Kierkegaard hecht, ter genezing van angst, waarde aan het inzicht in hoe het ‘proces van de angst’ in de mens optreedt. Dit verbindt hem met Sigmund Freud. In Het begrip angst beschrijft hij de dialectiek van de angst als weinig anderen. In dat opzicht kan hij gelden als de eerste dieptepsycholoog.
Desalniettemin is er een groot verschil tussen Freud en Kierkegaard. In de psychotherapie, waarvan Freud de vader is, probeert de hulpverlener de ‘objecten’ waarop de angst van iemand die aan een angststoornis lijdt zich richt, te interpreteren met het oog op de angst zelf. Deze objecten vertellen iets over de bron (de oorzaak) van de angst. De psychotherapeut probeert de ‘betekenis’ van het object of de objecten waarop de angst zich richt, te achterhalen met het oog op de persoon die voor hem zit. Als hij daarin slaagt en deze ter sprake kan brengen bij de hulpaanvrager, krijgt men ‘vat’ op de bron van de angst. Deze wordt in het bewustzijn gebracht. Als gevolg daarvan neemt de angst ook af. De objecten verliezen hun angstaanjagende karakter.
Bij Kierkegaard bevinden we ons op een ander niveau. Zijn visie op de angst is niet minder diep dan die van Freud, maar hij plaatst en duidt de angst in een groter filosofisch en levensbeschouwelijk verband en wel in het kader van ethiek en geloof, van de vraagstukken van goed en kwaad en van de toekomst. Met deze ‘psychologie’ zou hij weleens meer recht aan de mens kunnen doen dan Freud. Kierkegaard benadert de angst dus niet louter psychologisch. Hij brengt deze in verband met wat hij ziet als kenmerkend voor de mens: de mens als een synthese van ziel en lichaam, van tijd en eeuwigheid.
Kierkegaard plaatst de angst in het kader van ethiek en geloof, van de vraagstukken van goed en kwaad en van de toekomst
***
De mens is volgens Kierkegaard een synthese van ziel en lichaam, tijd en eeuwigheid, noodzakelijkheid en vrijheid. Beide verhouden zich tot elkaar en in deze verhouding verhoudt de mens zich tot deze synthese. Dit zich verhouden tot deze synthese doet een mens in zijn bewustzijn. Omdat de synthese tussen ziel en lichaam een gegeven is dat door God gesteld is (de mens heeft niet zichzelf gemaakt) moet de mens zich, wil hij zich tot zichzelf verhouden, ook tot God verhouden. Dit kan op een goede manier – dan is er sprake van geloof en vrede. Het kan ook op een verkeerde manier – dan is er sprake van onrust en vertwijfeling.
Wat Kierkegaard in Ziekte tot de dood pregnant naar voren brengt, maakt hij inzichtelijk in zijn stichtelijke redevoeringen, onder meer in de toespraak ‘De bevestiging in de inwendige mens’ (1842). Daarin schetst hij een adolescent die zich rekenschap begint te geven van zijn leven. Het leven ‘vraagt van hem een verklaring’. Het kan zijn dat de jongeman alles mee heeft en dat de toekomst hem toelacht. Het kan ook zijn dat hij te kampen heeft met allerlei frustrerende situaties. De omstandigheden variëren, de vraag blijft dezelfde: hoe moet hij zijn leven zien en interpreteren? Wie nadenkt, legt zich rekenschap af van het leven, van wat hij in het leven doen moet, wat hij van het leven verwachten mag en wat het leven van hem verwachten mag. In deze vraag dient zich de ‘inwendige mens’ aan. Anders gezegd: het bewustzijn van de mens, zijn geest wordt geboren. Zijn geest moet zich rekenschap gaan afleggen van waar zijn ziel om vraagt, de existentiële vraag: Waaraan heb ik alles wat ik ontvang te danken? Wat wil het leven van mij? Waarom ben ik hier? Wat is mijn roeping? Niemand ontkomt aan die vraag. Ze dient zich aan. Ze heeft te maken met het concrete leven en toch overstijgt ze dit concrete. Want wat zich in feite afspeelt, is dat (zoals gezegd) de ziel van de mens geboren wordt in deze vraag. En de ziel is eeuwig en moet, wil ze in haar onrust tot rust komen, kunnen aanhaken bij God, die het antwoord geeft op de vragen die de ziel stelt, en een ‘verklaring’ kan geven over iemands leven – over zijn roeping en bestemming. Daarom is de vraag naar de bestemming ook een vraag naar God. God kan het getuigenis in de inwendige mens geven, zodat iemands bestemming helder wordt. Belangrijk is dat in de vraag die het leven de mens stelt (er valt dus niet aan te ontkomen) de ziel oftewel het inwendige van de mens geboren wordt, dat wil zeggen: aanklopt aan het bewustzijn, dat zich rekenschap moet geven. Deze rekenschap die het leven vraagt, kan niet gegeven worden zonder God. Als vanzelf dient de gedachte aan Hem zich aan. Deze verhouding nu tot God, wordt, waar de mens met de vraag naar de zin van het leven, zich wendt tot God, belangrijker dan al het andere – zelfs dan het leven hier. De eeuwigheid laat zich dus sterk gelden. Als de mens zich op een juiste manier tot God gaat verhouden, krijgt hij een juist zicht op zijn roeping, maar wat nog veel belangrijker is: hij heeft God gevonden en zo zijn uiteindelijke, eeuwige bestemming gevonden. Om in Kierkegaards termen te spreken: hij heeft geleerd zich absoluut tot het absolute te verhouden (de verhouding tot God is voor hem alles) en relatief tot het relatieve (de dingen van de wereld zijn betrekkelijk – van minder betekenis dan de relatie tot God).
In feite laat Kierkegaard zien wat Augustinus als volgt onder woorden bracht: ‘Wij zijn door U en tot U geschapen en onrustig is ons hart tenzij het rust vindt in U o God.’1
***
De geest van degene die geestrijk is, vraagt naar de eeuwigheid, een vraag die Plato eroos noemde. De keerzijde van deze eroos is angst. Angst komt voort uit het feit dat de mens die op de eeuwigheid is aangelegd deze niet kan vinden. De angst ‘vertelt’ de mens dat hij zijn echte houvast nog niet gevonden heeft. Ze staat de mens niet toe het in het tijdelijke te vinden.
Angst komt voort uit de wanverhouding dat de mens die aangelegd is op de eeuwigheid verloren is in de tijd. Als de mens in wie de eeuwigheid zich aandient niet luistert naar God en niet in God en zijn wil zijn vreugde vindt, staat hij met de rug naar zijn eigen geluk toe. Hij zoekt zijn heil in het tijdelijke en daarmee zondigt hij. Dat heeft effect op zijn innerlijk, dat van God vervreemdt en nog eenzamer wordt dan het al was. Het gevolg is geestloosheid of – als een mens ‘geest’ heeft – een nog groter gevoel van onbehagen en angst. De mens krijgt iets vertwijfelds. Hij verkrampt in zichzelf, zoekt het geluk op deze wereld en raakt daarin verstrikt. Als hij erkennen zou dat hij daarmee op de verkeerde weg zit, moet hij zijn schuld erkennen en God onder ogen komen als schuldige. Dat schuwt hij, iets wat de angst nog vergroot en het innerlijk ondermijnt.
Bij Kierkegaard is het niet zo dat het object van de angst per se in relatie staat tot de bron van de angst. De bron van de angst is het gemis aan eeuwigheid. Als iemand die angstig is dit niet beseft, begrijpt hij zichzelf niet in zijn angst. Hij raakt verstrikt in het labyrint van zijn innerlijk en wordt zwaarmoedig. Omdat hij zich verloren weet in de wereld en met zichzelf geen raad weet, kan de angst zich overal op richten. In de angst zit de eeuwigheidsdimensie. Maar juist daarom ontstaat er vaak een wanverhouding. De angst in de mens richt zich op iets wat vrij onbetekenend kan zijn en ontlaadt zich op dat object, met de intensiteit van de vraag naar het eeuwige geluk. De angst doet alsof het object van de angst de werkelijke bron is van de angst en vertelt de mens dat hier de eigenlijke vraag van geluk of ongeluk ligt, terwijl dat niet het geval is. Hier ligt de oorzaak van een idee fixe. Deze berust op een misverstand dat voor degene die eraan lijdt niet helder is. De angst is als een ongeleid projectiel: hij kan zich overal op richten, terwijl de bron de onrust is van de ziel en de oplossing gelegen is in God, de eeuwigheid.
In de zomer gebeurt het soms bij mooi weer dat iemand ‘elektrisch geladen’ is. Als hij in de buurt van een auto komt en deze aanraakt vindt er een ontlading plaats – een vonk schiet over en men voelt een pijnscheut. Wie dit verkeerd interpreteert, zou angstig kunnen worden voor een auto omdat deze een schok teweegbrengt. De werkelijkheid is natuurlijk anders: omdat de persoon ‘spanning’ met zich omdroeg trad deze ‘ontlading’ op. De spanning richtte zich willekeurig op deze auto. Het object had ook anders kunnen zijn. Zo is het met angst en met een idee-fixe: de angst heeft iemand om de tuin geleid. De angst zou verdwijnen als de mens de zinvraag waaraan hij vaak onbewust lijdt, tot een oplossing kon brengen door met God in aanraking te komen. Angst en vertwijfeling komen dus voort uit de discrepantie tussen tijd en eeuwigheid.
Angst en vertwijfeling komen voort uit de discrepantie tussen tijd en eeuwigheid
Maar juist zo heeft bij Kierkegaard angst een ‘functie’: angst kan een opvoedende werking hebben. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat men de ‘opvoeding’ van de angst begrijpt. Dat kan alleen als men gelooft. Kierkegaard wijst in Het begrip angst op twee soorten angst: de angst voor het noodlot en de angst voor zonde/schuld. In het eerste geval kan men ook spreken van de angst voor mogelijkheid. Deze angst zorgt ervoor dat iemand geen zekerheid kán vinden in het raam van de tijd. Zelfs Napoleon niet. Op de dag dat hij bij Waterloo slag moest leveren tegen de geallieerden werd hij overvallen door angst: de zon ging anders op dan bij Austerlitz! De eeuwigheid maakte zich geldig ín de angst: de angst was er een symptoom van dat hij geen houvast kon vinden in de tijd en hij ging door de grond. Kierkegaard geeft een ander voorbeeld: iemand zoekt er serieus naar God te dienen. Hij hoort van een kluizenaar die twee jaar op water en brood leefde. Aan het eind ervan kwam hij in een stad en verviel alsnog in dronkenschap. Degene die het verhaal hoort, wordt gegrepen door angst: welke garantie is er dat hij niet ooit zou vallen als die ander? De angst laat hem niet meer los. Elk houvast dat hij tegenover deze mogelijkheid wil stellen, schiet tekort. Zo dwingt de angst hem zijn houvast alleen te vinden in God.
Deze dialectiek van de angst doet zich ook voor met betrekking tot goed en kwaad (zonde). Het kwade heeft iets angstaanjagends. Maar de angst maakt ook dat het kwade als het ware biologeert: iemand komt tot de ontdekking dat er een geheime correspondentie is tussen hem en het zondige dat hij om zich heen ziet. Hij kan (zeker als hij geest heeft) aan zichzelf vertwijfelen, omdat hij merkt dat zijn verweer tegen het kwade tekortschiet. Het kwade is echter zo angstaanjagend dat hij erdoor gebiologeerd raakt. De angst krijgt hem te pakken. De beleving van dit moment van angst is zo angstig dat hij in zichzelf verkrampt raakt. Het moment waarop hij de angst voor het kwade ondervond, is zo angstig dat hij dat niet meer terug wenst: liever de verkramping dan de herbeleving van dat moment. Op die manier verliest hij zijn vrijheid. Dit fenomeen doet zich ook voor als men kwaad, zonde, gedaan heeft. Men raakt erin verstrikt en durft er niet meer uit te komen, omdat men dan opnieuw de angst voor de mogelijkheid om het kwaad te kúnnen doen gaat ondervinden. In vertwijfeling herinnert men zich er geen verweer tegen te hebben
Alleen Christus kan volgens Kierkegaard deze spiraal doorbreken, omdat Hij boven deze angst staat en machtiger is dan het zondige en het demonische. Het geloof helpt om de angst te doorbreken en te benutten: de angst laat geen ander houvast toe dan de macht en de liefde van Christus en in de vergeving van zonde. Zo is de angst een autodidact en tegelijk een theodidact: ‘Wie met betrekking tot de schuld, door de angst wordt opgevoed, zal pas kunnen uitrusten in de verzoening.’2
Noten
1.Aurelius Augustinus, Belijdenissen (vierde druk). Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld. Amsterdam: Ambo, 1997, boek 1, 1, 1, p. 29.
2.Søren Kierkegaard, Der Begriff Angst. Düsseldorf: Diederichs, 1952, IV 427, 428, pp. 168 en 169.
Bron : Tijdschriftcdv.nl/inhoud/tijdschrift_artikel/CD-2015-1-141/Soren-Kierkegaard-Kopenhagen-1813-Kopenhagen-1855
“Het loont de moeite om zich te verdiepen in het leven en werk van deze Deense filosoof. Er zij veel parallelen te vinden tussen deze filosoof en St.Augustinus.
Er staat op deze blog een artikel dat ik geschreven heb toen ik in Leuven (1968) filosofie studeerde over het leven en de filosofie van Kierkegaard.
Je kan dit artikel/werk vinden bij de Categorieën (bovenaan de inlogpagina) bij FILOSOFIE . Vragen en bedenkingen zijn altijd welkom !!!
Er staat ook een LINK boven het artikel , je kan daar op klikken , en dan kom je ook automatisch op dit werkje.
Je vind er heel wat gemeenschappelijke kentrekken die we ook bij Augustinus tegenkomen.









Wij hebben ons er rekenschap van kunnen geven dat het van een christelijk gezichtspunt uit niets slechts mogelijk, doch zonder de minste twijfel zelfs onvermijdelijk is, een innerlijke rechtvaardiging te vinden voor de onrust, beschouwd als de beweging waardoor de menselijke ziel zich losmaakt van zichzelf en in zekere zin de genade tegemoet streeft terwijl zij elk welgevallen in zichzelf en zelfs in de zichtbare wereld verwerpt. Het is natuurlijk in deze zin dat wij de woorden moeten verstaan van de beroemde aanroeping waarmee de ‘belijdenissen’ van St Augustinus beginnen : ‘Gij zijt groot o Heer, en oneindig prijzenswaardig. Groot is Uw macht en onberekenbaar Uw wijsheid , en de mens, die een nietig deeltje van Uw schepping is wil Uw lof zingen; de mens, die zijn sterfelijkheid overal met zich draagt, die met zich draagt het getuigenis het getuigenis van zijn zonde en het bewijs de Gij de hoogmoedigen weerstaat. En toch wil hij Uw lof zingen, deze mens, dit nietig deeltje van Uw schepping . Gij zijt het, die hem ertoe brengt vreugde te zoeken in het zingen van Uw lof, want Gij hebt ons voor U gemaakt, en onrustig is ons hart totdat het rust in U.’
Maar onmiddellijk daarna vraagt Augustinus zich af, of een dergelijke aanroepng wel zin heeft en of zij zelfs wel mogelijk is. ‘Is er in mij’, zo vraagt hij, ‘een plaats waar mijn God kan komen ? ‘Omdat ik zelf ben, waarom zou ik U dan vragen in mij te komen, terwijl ik er niet zou zijn als Gij niet in mij waart ?… ‘ ‘Ik zou er dus niet zijn, mijn God, ik zou er volstrekt niet zijn als Gij niet in mij waart. Of liever, ik zou er niet zijn als ik niet in U was, van wie, door wie en in wie alle dingen zijn ‘ En terstonds hopen zich de vragen opeen welke voortvloeien uit de schijnbare tegenspraak tussen de goddelijke alomtegenwoordigheid en het feit, dat ik God schijn te vragen in mij te komen, alsof Hij niet reeds in mij was.
Hier worden wij dus wel geplaatst voor een vraagstelling, welke de naam van metaphysieke of religieuze onrust verdient, want het gaat in geen enkel opzicht om gewone speculatieve nieuwsgierigheid. De gestelde vraag raakt op de allerintiemste wijze aan het leven zelf van mijn ziel.
Etienne Gilson zegt in zijn ‘Introduction a l’étude de St Augustin’ dat de grond van deze onrust in werkelijkheid gezocht moet worden in de radicale ontoereikendheid, het wezenlijk tekort waaraan de mens lijdt door zijn hoedanigheid van uit het niets geheven schepsel. ‘Daar hij in de orde van het zijn zichzelf niet genoeg is, kan hij zichzelf ook niet genoeg zijn in de orde van het kennen, noch in de orde van het doen : maar juist dit tekort, waaraan hij lijdt, richt hem op Degene die alleen in staat is hem in alles van overvloed te voorzien. Dit is de bron van de vruchtbare onrust, welke de mens onophoudelijk kwelt, doch hem tevens redt coordat ze hem, die voor God gemaakt is, slechts in God vrede en rust laat vinden.’ St Augustinus merkt in ‘De civitate Dei’ op, dat wij onze eigen wijsheid hadden kunnen voortbrengen als onze natuur door ons zelf gemaakt gemaakt was : ‘onze liefde, die uitging van ons zelf en betrokken en betrokken was op onszelf, was dan genoeg geweest om onze gelukzaligheid te verzekeren, en we geen behoefte hebben gehad aan enig goed, vreemd eid te genieten : maar omdat onze natuur aan God haar aanzijn dankt, is het voor geen twijfel vatbaar dat wij, om de waarheid te leren kennen (ut vera sapiamus) het niet zonder Zijn onderrichting kunnen stellen.’ Hem komt het ons toe ons datgene te verschaffen, wat Augustinus de ‘suavitas intima’ noemt, en wat ik het liefst zou vertalen met de woorden die innerlijke of inwendige balsen’ welke het beginsel is van onze gelukzaligheid
Het is, geloof ik, in dit verband allerbelangrijkst niet te vergeten, dat de zo kennelijke oorspronkelijkheid van Augustinus’denken enerzijds voortvloeit uit het feit dat hij bekeerling was, en dat hij er op deze wijze toe kwam, nadenkend over zijn bekering, een wonderlijk nauwkeurig besef te krijgen van de Genade, van het werk der Genade in ons. De ‘Belijdenissen’ vormen een getuigenis van zeker onovertrokken waarde aangaande dit beslissende feit van de bekering. Van rationalistisch standpunt zal deze altijd onbegrijpelijk blijven, zodat degenen die haar van buitenaf pogen te benaderen, derhalve onherroepelijk geneigd zullen zijn haar natuur te miskennen of zelfs te ontledigen. Er is geen gemene maat en er kan ook geen gemene maat zijn tussen de doorleefde ervaring van de bekeerling en de wijze, waarop iemand deze probeert te verstaan die daar geen deel aan heeft en dus geneigd is er iets anders voor in de plaats te stellen…….
Ik meen mij niet te vergissen als ik zeg, dat de overweging van dit onvermijdelijke verschil van inzicht een der uitgangspunten is van de existentie-filosofie, zoals die zich bij de moderne denkers heeft ontwikkeld. In deze zin heeft men niet zonder grond in St.Augustinus een voorloper kunnen zien van wat men met een barbaars en door mij persoonlijk verworpen woord existentialisme noemt.
Doen deze opmerkingen ons van ons onderwerp afdwalen ? Kennelijk is dat niet waar. Want wij moeten altijd voor ogen houden, dat onrust positieve waarde verkrijgt in het licht van een bewustzijn, dat in zichzelf de werking van de genade heeft bespeurd. Wij zullen dit natuurlijk nog eens opnieuw moeten vaststellen wanneer wij aan de bespreking van Pascal toe zijn.
Maar laten wij intussen nu reeds constateren, dat het omgekeerde niet waar is, tenminste niet waaar schijnt . Er kunnen gevallen zijn waarin de onrust als waardevol wordt gezien, zonder dat hij, die haar weldadige invloed ondergaat en erkent, zichzelf ook maar op enigerlei wijze geraakt acht door de genade. Bij St.Augustinus evenwel en bij zijn geestverwanten is dit verband onmiskenbaar.
Ik moet hieraan toevoegen,dat er rechtstreeks verband bestaat met de evangelische gedachten, die ik in een vorig hoofstuk aanhaalde, als St.Augustinus zich bijvoorbeeld in het achtste boek van zijn ‘Belijdenissen’ op de volgende wijze uitdrukt :
Goede God, hoe kan het toch komen, dat de mens zich nog meer kan verheugen over het heil van een ziel, als hij daaraan wanhoopte en hij haar verlost zag uit een groot gevaar, dan als hij altijd enige hoop omtrent haar lot is blijven koesteren en het gevaar minder ernstig was ?…. Hoe kan het toch komen, dat de ziel meer vreugde ervaart bij het vinden of herkrijgen van wat zij liefheeft, dan bij het voortdurend bezit daarvan ? Vele andere voorbeelden bevestigen dit; alles getuigt luidkeels van alle kanten : zo is het !… Iemand waarvan wij houden is ziek; zijn polsslag leert ons dat hij in gevaar verkeert; allen die zijn genezing wensen zijn tegelijk met hem ziek in hun ziel. De beterschap treedt in. Nu loopt hij rond zonder nochtans zijn oude kracht herwonnen te hebben, en reeds is er een vreugde, zoals er nooit geweest is toen hij vroeger volop sterk en gezond rondliep.’
‘Wat betekent dit, mijn Heer en mijn God ?…. Ach ja, dat Gij verheven zijt in de hoogten en diep in de afgronden ! Nooit verwijdert Gij U van ons, en toch : hoe moeilijk is het tot U te komen !?
Men ziet hier dus weer de Alles overtreffende waard van deze onrust, die de menselijke ziel er toe drijft zonder ophouden van het ene ding te gaan tot het andere (ik citeer hier weer Etienne Gilson)alsof de volledige voldoening, welke de kennis van het ene hem niet geschonken heeft, hem verschaft zou kunnen worden door de kennis van iets anders. In werkelijkheid bestaat er geen vrede, en derhalve ook geen gelukzaligheid voor ons denken, hoe lang het dit onderzoek ook voortzet, zelfs niet in de veronderstelling dat het ons slechts tot de ene waarheid na de andere zou voeren. Wat is de gelukzaligheid immers anders dan dat de ziel staat in tegenwoordigheid van een laatste waarheid, die tegelijk het enige Goed is, omdat zij God is ? Doch dit Goed dat wij begeren, dit Ware waarnaar ons verlangen uitgaat, het is reeds in zeker opzicht in ons, en door beroep te doen op een beschouwing over het geheugen tracht Augustinus ons enigzins een voorstelling te geven, van welke aard deze inwoning van God zou kunnen zijn in de mens die Hem zoekt.
Wij moeten hier de onvergetelijkie bladzijden van het tiende boek van de Belijdenissen bijnemen, waar St.Augustinus, als hij zich gesteld ziet voor het mysterie van het geheugen, geslagen wordt met een waarlijk religieuze verbazing. ‘zelfs als mijn tong zwijgt en mijn keel stil blijft, kan ik zingen naar believen, en al heb ik ook voorstellingen van kleuren, zij komen mij niet in de weg en storen mij niet terwijl ik bezig ben met die andere schat welke mijn oren mij hebben verschaft. Zo kan ik naar believen de indrukken, die de andere zintuigen mij gebracht en in mij vergaard hebben weer aan mij voorbij laten gaan. Dit alles speelt zich in mijn binnenste af, in het weidse paleis van mijn geheugen…. Groot, mijn God, is deze macht van het geheugen…. ; ja zeker, zeer groot. Het is een geweldig, een onmetelijk heiligdom. Wie is ooit tot de uithoeken ervan doorgedrongen ! Toch is het iets anders dan een vermogen van mijn geest, dat voortvloeit ui mijn natuur.
Maar ik kan mij niet volledig voorstellen wat ik ben. Is de geest dan te eng om zichzelf te kunnen bevatten ? Waar blijft dan datgene wat hij van zichzelf niet bevatten kan ? Zou dit dan buiten hem zijn en niet in hem ? Maar op welke wijze bevat hij het niet ? Deze gedachte doet mij geheel verbaasd staan, en ik voel mij met verbijstering geslagen.
Ik ben dus als het ware wezenlijk ongelijk aan mijzelve; ik ben te groot voor mij. Als hij dieper doordringt in dit mysterie komt St.Augustinus om te beginnen tot de erkentenis, dat God zelf op zekere wijze in ons geheugen aanwezig is. Dit echter zou natuurlijk ondenkbaar zijn, wanneer ons geheugen iets was dat dingen bevat. Het geheugen moet in ons meer zijn dan wijzelve, zodanig dat wij tenslotte God vinden in God. ‘In ‘De Trinitate’ komt St.Augustinus derhalve tot de uitspraak, dat de ziel, wanneer zij zich haar Heer herinnert omdat zij de Geest ontvangen heeft, dan heel goed beseft dat zij onderricht wordt door het inwendig leergezag dat Hij over haar uitoefent. Omdat God overal in Zijn totaliteit tegenwoordi is, leeft en beweegt zich de ziel in Hem, en zo kan zij zich Hem ook herinneren.
Derhalve zouden wij God dus niet liefhebben, als Hij ons niet eerst bemind had. Er bestaat geen enkele andere leer die volstrekter beheerst wordt door de gedachte dat God liefde is, en men heeft terecht wel eens gezegd dat een leer augustiniaans is, naarmate zij vollediger geneigd is haar organisch middelpunt te zoeken in de liefde.
Het is dus heel duidelijk dat de onrust hier slechts een gissingsmiddel is, of anders gezegd een zuurdesem, zonder welke de ziel zich niet werkelijk zou kunnen bekeren. Want deze zuurdesem is evenzeer het werk van God, dat de Genade verricht in de diepten bvan het schepsel.
Gabriël Marcel (1889–1973) was een filosoof, toneelcriticus, toneelschrijver en muzikant. Hij bekeerde zich in 1929 tot het katholicisme en zijn filosofie werd later beschreven als “Christelijk existentialisme” (het meest bekend in Jean-Paul Sartre’s “Existentialisme is een humanisme”), een term die hij aanvankelijk onderschreef maar later verwierp.
Dit artikel is genomen uit één van zijn boeken : ‘De mens zichzelf een vraagteken’ pp 100 tot 105.

ENGELSE TEKST VAN DIT ARTIKEL


Eén enkele traan bij de herdenking van het lijden van Jezus Christus is meer waard dan een pelgrimstocht naar Jeruzalem, of een jaar vasten op brood en water .”
-St. Augustinus

Augustinus van Hippo (354-430) was een christelijke filosoof en theoloog uit Noord-Afrika. Hij bekeerde zich als volwassene tot het christendom en droeg in hoge mate bij aan de totstandkoming van de leer ervan. Hij is een van de Kerkvaders.
door Claire Lesegretain

Wie was hij?
Geboren in 354 in Tagaste – nu Souk-Ahras, Algerije – ontving Augustinus bij zijn geboorte de “voorbereidende riten” van het doopsel, volgens Het leven van Sint Augustinus, geschreven door zijn leerling Possidius van Calame. Zijn moeder, Monique, voedde hem op in het christelijk geloof. Hij stond bekend om zijn scherpe intelligentie en ging retorica studeren in Carthago. Daar raakte hij bevriend met een metgezel die hem een kind schonk: Adéodat (Dieudonné) die op 18-jarige leeftijd stierf. Ambitieus begon Augustinus aan een vurige zoektocht naar de waarheid, verleid door de zoektocht naar genoegens en vervolgens door het manicheïsme dat hij negen jaar lang frequenteerde.
In 383 verliet hij Carthago voor Rome en vervolgens voor Milaan, waar hij een leerstoel kreeg en waar zijn moeder zich bij hem voegde. Augustinus, die er een gewoonte van maakte om ’s zondags naar bisschop Ambrosius te luisteren, vroeg zich af hoe het met Christus zat… Tot die beslissende dag in augustus 386 – zoals hij vertelde in zijn Belijdenissen – toen een kinderliedje hem opdroeg de brieven van de heilige Paulus “op te nemen en te lezen”.
Na een retraiteperiode van enkele maanden ontving Augustinus in de paasnacht van 387 het doopsel uit de handen van Ambrosius. Vastbesloten om terug te keren naar Afrika, ervoeren hij en Monica een mystieke extase terwijl ze wachtten om aan boord te gaan in Ostia – die hij de “contemplatie van Ostia” noemde. Een paar dagen later stierf zijn moeder op 56-jarige leeftijd.
Augustinus en zijn metgezellen keerden in 388 terug naar Tagaste en vestigden zich op de familieboerderij en stichtten een gemeenschap. In 391 werd hij tot priester gewijd en vijf jaar later tot bisschop van Hippo (in de buurt van het huidige Annaba, in Algerije). Augustinus legde zijn geestelijken een bescheiden levenswijze op, die hij als voorbeeld stelde. Hij was “een voorbeeldige bisschop in zijn pastorale werk, met aandacht voor de armen en voor de vorming van zijn geestelijkheid, stichter van kloosters”, benadrukte Benedictus XVI in het portret dat hij in januari 2008 van de heilige Augustinus tekende.
Het was in Hippo dat hij zijn grote werken schreef: De Bekentenissen (397-400); van de Drie-eenheid (410-416); De stad van God (410-426)… Het was ook van Hippo dat hij vocht tegen de Manicheeërs (387-400), de Donatisten (392-412) en de Pelagianen (412-430). Augustinus was een van de belangrijkste figuren van het christendom van die tijd geworden en stierf in 430, tijdens het beleg van Hippo door de Vandalen. Zijn lichaam werd naar Sardinië vervoerd, voordat het rond 725 naar Pavia werd vervoerd, waar het nog steeds wordt bewaard in de basiliek van San Pietro in Ciel d’Oro. Augustinus werd in 1298 bij acclamatie heilig verklaard en in hetzelfde jaar door paus Bonifatius VIII erkend als kerkleraar.
Wat is het filosofische en theologische belang van de heilige Augustinus?
De Augustijner geleerde, Henri-Irénée Marrou, placht te zeggen: “Zestien eeuwen scheiden ons van deze man; Zestien eeuwen verenigen ons met Hem. Zijn Bekentenissen, deze “buitengewone spirituele autobiografie die veel aandacht schenkt aan het mysterie van God dat in ons verborgen is”, stelt ons volgens Benedictus XVI in staat de innerlijke reis te volgen van een man die gepassioneerd is door God.
In De stad van God – geschreven tussen 413 en 416, als reactie op de aanvallen van heidenen die het christendom ervan beschuldigden de oorzaak te zijn van de val van Rome in 410 – recapituleert Augustinus de geschiedenis van de mensheid, geregeerd door de Voorzienigheid maar verdeeld over twee liefdes die aan de oorsprong liggen van twee steden: de aardse stad, geboren uit eigenliefde en onverschilligheid voor God, en de hemelse stad, geboren uit liefde voor God en onverschilligheid voor zichzelf. Augustinus verduidelijkt ook wat het terrein is van het tijdelijke en wat het terrein van het geloof is.
« Augustinus van Hippo bleef aanwezig in het leven van de Kerk en in de geest en cultuur van het hele Westen Johannes Paulus II had eerder in Augustinum Hipponensem de Apostolische Brief geschreven die hij in 1986 aan deze Kerkleraar opdroeg, voor de 16een honderdste verjaardag van zijn bekering. In feite stond Augustinus het christendom toe om het Griekse erfgoed – met een allegorische lezing van de Schrift gekoppeld aan het neoplatonisme – en het Romeinse erfgoed – te integreren door een deel van de Romeinse Republiek op te nemen. Hij veranderde het begrip rechtvaardigheid, maakte een duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad, en droeg bij aan “de vorming van de moderne identiteit” – aldus de Canadese filosoof Charles Taylor. Hij ontwikkelde ook de grote filosofische vragen zoals verlangen, zelfkennis, innerlijkheid, herinnering… en tijd.
Op theologisch niveau drong Augustinus aan op goddelijke transcendentie, in de diepten van elk ervan: “Je was intiemer dan de intimiteit van mijzelf, en hoger dan de toppen van mezelf” Belijdenissen. Deze woorden zijn nog steeds actueel, zoals in 2003 bleek uit de lezingen van de Bekentenissen van Gérard Depardieu in Parijs en Straatsburg, en de publicatie van zijn volledige werken in La Pléiade (1).
Hoewel hij ertoe heeft bijgedragen dat de liefde in het christendom op de voorgrond is getreden, wordt Augustinus er toch van beschuldigd dat hij een wantrouwen jegens het vlees op het Westen heeft overgebracht – met het begrip “zonde van het vlees” dat hij van de neoplatonisten heeft overgenomen. Het is aan hem dat we de uitdrukking “erfzonde” te danken hebben om te zeggen dat ieder mens, vanaf zijn geboorte, deel uitmaakt van een menselijke geschiedenis die gekenmerkt wordt door de verwerping van God.
In welk opzicht is Augustinus vandaag de dag nog steeds belangrijk?
Volgens Marcel Neusch, een theoloog van de Assumptionisten (1935-2015), bestaat de spiritualiteit van Augustinus uit niets anders dan het maken van de waarheid over het eigen leven en het richten ervan op het ware welzijn ervan.
En deze zoektocht naar waarheid heeft zeven elementen:
1. De drijvende kracht achter de zoektocht naar waarheid is verlangen, liefde;
2. Deze zoektocht wordt gedaan door een pad te volgen dat van buiten naar binnen gaat, van het lagere (de gemakkelijke genoegens) naar het hogere (ware zelfrealisatie);
3. Deze zoektocht is het werk van genade. De mens kan geen enkele eer voor zichzelf opeisen;
4. Deze zoektocht vereist aandacht voor de tekenen die God maakt door anderen, gebeurtenissen, lezingen… Maar God spreekt ook binnenin, en het is het geloof dat zich opent voor Zijn waarheid;
5. Deze zoektocht vereist onderscheidingsvermogen, dat wordt gedaan door dialoog met ervaren mensen;
6. De gemeenschap is de bevoorrechte plaats om de toewijding om Christus te volgen te verifiëren;
7. De zoektocht naar de waarheid moet apostolische urgentie opwekken.
Wat het religieuze leven betreft, bleef Augustinus zeer belangrijk, aangezien veel ordes of congregaties onder het gezag van zijn heerschappij leefden, vooral de Assumptionisten
Bron : la-croix.com/Abonnes/Theologie/Augustin-dHippone-geant-foi-2019-03-15-1701008983
door André Larané

Augustinus van Hippo is de meest fascinerende christelijke theoloog die er is en misschien wel de belangrijkste na Paulus van Tarsus.
Augustinus, geboren aan het einde van het Romeinse Rijk, was getuige van de grote invasies en de verovering van Rome door de Visigotische Alarik. Hij had het gevoel dat een hele wereld om hem heen instortte en dit gevoel zou zijn geschriften doordringen.
Een jonge man aangetrokken door sensualiteit
Augustinus werd in 354 geboren in Tagaste, in een Romeinse provincie die bestond uit het huidige Algerije en Tunesië, als zoon van een heidense en libertijnse vader en een christelijke en vrome moeder, Monica. Hij leidde een leven van plezier voordat hij zich op 32-jarige leeftijd bekeerde, naar het voorbeeld van zijn moeder.
Hij vertelt in de Bekentenissen = belijdenissen) dat hij, overmand door twijfels in de tuin van zijn huis in Milaan, een kind in de aangrenzende tuin hoorde zingen: “Tolle, lege, tolle, lege!” (“Neem en lees! Neem en lees! in het Frans). Hij wierp zijn blik op een boek dat zijn vriend Alypius opensloeg en las vervolgens een brief van de heilige Paulus aan de Romeinen: “Laten we eerlijk leven, als op klaarlichte dag, zonder gulzigheid of drank… Laten we, als we ons in een nieuw kleed kleden, Christus aandoen en ons geen zorgen maken over ons lichaam.” Dit besliste zijn bekering en hij werd gedoopt door Ambrosius, de bisschop van Milaan.
Volgens de legende vroeg de jongeman op een dag aan Ambrosius of de wekelijkse rust op zaterdag moest worden gevierd zoals in Milaan of op zondag zoals in Rome. Hij tekende een antwoord dat spreekwoordelijk is geworden: “Doe in Rome zoals de Romeinen deden”.
Augustinus werd al snel tot bisschop van Hippo gekozen en speelde tot aan zijn dood een centrale rol in de Kerk, vooral door zijn prediking, brieven en geschriften.
Een lucide analist van zijn tijd
In de eerste eeuwen van het christendom geloofden gelovigen dat het einde van de wereld en het Laatste Oordeel op handen waren. Ze zagen geen belang in het handhaven van de sociale orde. Het celibaat, de kuisheid en de weigering om de wapens te dragen getuigden van een letterlijke lezing van de evangeliën en de leer van de heilige Paulus.
Sint-Augustinus geschrift (anoniem van de vijftiende eeuw, Dijon Museum)In de tijd van Augustinus zijn wij er niet meer. Het einde van de wereld staat niet meer op de agenda. Aan de andere kant lijkt het christendom stevig verankerd te zijn in het Romeinse Rijk. Keizer Theodosius erkende het overwicht ervan en riep het in 392 uit tot de officiële religie.
Tegen degenen die het bijbelse gebod letterlijk nemen: “Gij zult niet doden”, legitimeert hij het concept van een “rechtvaardige oorlog”. Op zoek naar het juiste evenwicht streed hij met zijn pen tegen de sektarische tendensen die in de eerste eeuwen in het christendom floreerden.
Augustinus stierf op 76-jarige leeftijd, op 28 augustus 430, terwijl de Vandalen van Genserik zijn goede stad Hippo belegerden. Zijn immense werk (meer dan dertigduizend pagina’s) rangschikt hem onder de grootste leraren van de Kerk; Hij is de patroonheilige van de theologen.
Bron : https://www.herodote.net/Un_theologien_entre_deux_mondes-synthese-207.php


“Hoe ziet liefde eruit? Het heeft de handen om anderen te helpen.
Het heeft de voeten om zich naar de armen en behoeftigen te haasten.
Het heeft ogen om ellende en gebrek te zien.
Het heeft oren om de zuchten en het verdriet van mensen te horen.
Zo ziet liefde eruit.”
Sint-Augustinus


“Je verlangen is gebed; en als je verlangen voortdurend is, is je gebed voortdurend. Daarom, is het niet tevergeefs dat de apostel zei: Het is niet voor niets dat de apostel Paulus zegt: “Bid zonder ophouden”. Zullen we dan altijd met onze knieën op de grond zitten, onze lichamen neergebogen, onze handen opgeheven? Handen omhoog, zodat hij tegen ons zegt: “Bid zonder ophouden”? Als we dat bidden noemen, denk ik niet dat we het zonder kunnen. Ik denk niet dat we het zonder onderbreking kunnen doen. Maar er is een ander gebed in de ziel voor onophoudelijk bidden, wat verlangen is. Wat je ook doet, je houdt niet op met bidden, als je verlangt naar de rest van de hemel. Dus als je je gebed niet wilt onderbreken, onderbreek dan je verlangen niet. Een onophoudelijk verlangen is een voortdurende stem”….
(Augustinus van Hippo, Vertoog over Psalm 37, 14, Vertoog over de Psalmen, Les éditions du Cerf, Col. Sagesses chrétiennes, 2007, p. 553)
Vertaald met DeepL.com (gratis versie)

‘Toen Jezus voorbijging, zag hij een man die Mattheüs heette bij de douanepost zitten. Hij zeide tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde hem.” – Mattheüs 9:9
“Het is niet mogelijk dat de evangeliën meer of minder in aantal kunnen zijn dan ze zijn. Er zijn vier zones van de wereld waarin we leven en vier hoofdwinden en de Kerk is verspreid over de hele wereld en haar “lichaamen grond” (1 Tm 3,15) is het Evangelie en de Geest van het leven; Daarom is het passend dat ze vier pilaren heeft, die aan alle kanten onsterfelijkheid uitademen en ons opnieuw bezielen. Het Woord, de Vormgever van alle dingen, Die op de cherubs zit en alle dingen in stand houdt (Ps 79:2; Hebreeën 1:3), Die aan de mensen geopenbaard is, heeft ons het Evangelie gegeven in vier aspecten, maar met elkaar verbonden door één Geest. David zegt, wanneer hij om deze manifestatie smeekt: “Gij die tussen de cherubijnen zit, straalt uit.”(Ps 79:2) Want ook de cherubijnen hadden vier gezichten (Ez 1:6) en hun gezichten waren beelden van de bedeling van de Zoon van God.
Want, zoals de Schrift zegt: “Het eerste levende schepsel was als een leeuw” (Openbaring 4:7), als symbool van Zijn krachtdadige werking, Zijn leiderschap en koninklijke macht; “het tweede was als een kalf”, wat Zijn offer- en priesterlijke orde aanduidt, maar “het derde had als het ware het gezicht als van een mens” – een duidelijke beschrijving van Zijn komst als een mens; “de vierde was als een vliegende adelaar”, wijzend op de gave van de Geest die met zijn vleugels boven de kerk zweefde. En daarom zijn de evangeliën van Markus, Lucas, Mattheüs en Johannes in overeenstemming met deze levende wezens, waaronder Christus Jezus zit. …
Zo was de vorm van de levende wezens, zo was ook het karakter van het Woord van God Zelf – het Woord van God Zelf sprak met de aartsvaders vóór Mozes, in overeenstemming met Zijn goddelijkheid en heerlijkheid, maar voor hen die onder de wet stonden, stelde Hij een priesterlijke en liturgische dienst in. Daarna, voor ons mens geworden, heeft Hij de gave van de Geest over de hele aarde gezonden en ons met Zijn Vleugels beschermd (Ps 16:8). … Als deze dingen zo zijn, zijn allen die de vorm verwerpen die het evangelie heeft aangenomen – dat wil zeggen, degenen die zeggen dat de evangeliën meer of minder in aantal moeten zijn – nutteloos, onwetend en aanmatigend.”
Bron : ETERNAL– St Irenaeus van Lyon (c 130-c 202) Bisschop, theoloog en martelaar – (Tegen ketterijen c. Boek III, 11, 8-9).
12 LERINGEN VAN AUGUSTINUS
1 -Ik ben een goede leraar zolang ik student blijf.
2 – Verwacht niet dat je van mij alle antwoorden krijgt die je nodig hebt. Ik ben geen perfecte leraar, ik leer gewoon elke dag nieuwe dingen, in de oefening van het lesgeven.
3- De ware leraar is altijd bereid om gecorrigeerd te worden.
4- Een man met een normaal lichaam en een misvormde geest is beklagenswaardiger dan wanneer hij volledig misvormd zou zijn.
5-Waarheid is het voedsel van de ziel.
6-Er gaat niets verloren terwijl we aan het zoeken zijn.
7 – Het maakt niet uit hoeveel je doet, het gaat erom hoeveel je liefhebt.
8- Liefde, zoals een vreugdevuur, hoe meer het brandt, hoe meer het brandt.
9-Als de wil compleet is, wordt werk vrije tijd.
10 – Gedeelde pijn is pijnverlichting.
11 – Een valse nederigheid is verfijnde trots.
12 – Als je aalmoezen geeft met verdriet, verlies je aalmoezen en liefde.
Bron : diocesedeformosa.com.br/artigos/os-12-ensinamentos-de-santo-agostinho/

“De Heer, hoewel Hij God was, is mens geworden.
Hij leed ter wille van wie lijden,
Hij werd gebonden voor hen die in boeien waren, veroordeeld voor de schuldigen, begraven voor hen die in het graf
liggen,
maar Hij stond op uit de doden en riep luid:
“Wie zal met mij strijden? Laat hem me confronteren.”
Ik heb de veroordeelden bevrijd, de doden weer tot leven gewekt,
mannen uit hun graven opgewekt.
Wie heeft er iets tegen mij in te brengen?
Ik, zei Hij, ben de Christus, Ik heb de dood vernietigd,
over de vijand getriomfeerd, de hel vertrapt,
de sterke gebonden en de mensen naar de hoogten van de hemel gebracht.
Ik ben de Christus.
Komt dan, al gij volken van mensen, ontvangt vergeving voor de zonden die u verontreinigen.
Ik ben je vergeving.
Ik ben het Pascha dat redding brengt.
Ik ben het lam dat voor u geofferd werd.
Ik ben uw Losprijs, uw Leven, uw Opstanding, uw Licht, Ik ben uw Redding en uw Koning.
Ik zal je naar de hoogten van de hemel brengen.
Met mijn eigen rechterhand zal ik u oprichten
en u de eeuwige Vader tonen.”
– uit een brief van de heilige Melito van Sardis
De heilige Melito, bisschop van Sardis (gestorven in 180)
Vroege kerkvader
Project Gutenberg’s De stad van God, deel I, door Aurelius Augustinus
Dit e-boek is voor iedereen overal ter wereld gratis en met
bijna geen beperkingen wat dan ook. Je mag het kopiëren, weggeven of
hergebruik het onder de voorwaarden van de Project Gutenberg-licentie inbegrepen
Voor engelse tekst :
https://www.gutenberg.org/files/45304/45304-h/45304-h.htm
Titel: De stad van God, deel I
Auteur: Aurelius Augustinus
Redacteur: Marcus Dodds
Releasedatum: 8 april 2014 [EBook #45304]
Tekensetcodering: ISO-8859-1
DE WERKEN
VAN
AURELIUS AUGUSTINUS,
BISSCHOP VAN NIJLPAAL.
EEN NIEUWE VERTALING.
Bewerkt door de
EERW. MARCUS DODS, MA
————————————————————–

DEEL I.
DE STAD VAN GOD,
DEEL I.
EDINBURGH:
T. & T. CLARK, 38, GEORGE STREET.
MDCCCLXXI.
[pagina ii]
GEDRUKT DOOR MURRAY EN GIBB,
VOOR
T. en T. CLARK, EDINBURGH.
LONDEN, HAMILTON, ADAMS EN CO.
DUBLIN, JOHN ROBERTSON EN CO.
NEW YORK, C. SCRIBNER EN CO.
[pagina iii]
DE
STAD VAN GOD.
Vertaald door de
EERW. MARCUS DODS, Ma
DEEL I
EDINBURGH:
T. & T. CLARK, 38, GEORGE STREET.
MDCCCLXXI.
[Pg iv]
Van het volgende werk zijn de boeken IV, XVII en XVIII vertaald door de Eerwaarde George Wilson , Glenluce; boeken V, VI, VII en VIII door de Eerwaarde JJ Smith .
[Pg v]
INHOUD.
BOEK I
Augustinus bekritiseert de heidenen, die de rampen in de wereld, en met name de plundering van Rome door de Goten, toeschreven aan de christelijke godsdienst en haar verbod op de aanbidding van de goden, 1
BOEK II.
Een overzicht van de rampen die de Romeinen vóór de tijd van Christus hebben geleden, waaruit blijkt dat hun goden hen in corruptie en ondeugd hadden gestort, 48
BOEK III.
De externe calamiteiten van Rome, 91
BOEK IV.
Dat rijk werd niet door de goden aan Rome gegeven, maar door de Ene Ware God, 135
BOEK V.
Over het lot, de vrije wil en Gods voorkennis, en over de bron van de deugden van de oude Romeinen, 177
BOEK VI.
Van Varro’s drievoudige indeling van de theologie, en van het onvermogen van de goden om iets bij te dragen aan het geluk van het toekomstige leven, 228
BOEK VII.
Van de “uitverkoren goden” van de burgerlijke theologie, en dat het eeuwige leven niet verkregen wordt door hen te aanbidden, 258
BOEK VIII.[pagina vi]
Een verslag van de Socratische en Platonische filosofie, en een weerlegging van de leer van Apuleius dat de demonen aanbeden moeten worden als bemiddelaars tussen goden en mensen, 305
BOEK IX.
Van degenen die beweren dat er een onderscheid is tussen demonen, waarvan sommige goed en andere slecht zijn, 353
BOEK X.
Porphyrius’ leer van de verlossing, 382
BOEK XI.
Augustinus gaat over tot het tweede deel van het werk, waarin de oorsprong, de voortgang en de bestemmingen van de aardse en hemelse steden worden besproken. – Speculaties over de schepping van de wereld, 436
BOEK XII.
Over de schepping van engelen en mensen, en over de oorsprong van het kwaad, 481
BOEK XIII.
Dat de dood een straf is en zijn oorsprong vindt in de zonde van Adam, 521
VOORWOORD VAN DE REDACTIE.
“Toen Rome bestormd en geplunderd werd door de Goten onder Alarik, hun koning,[1] de aanbidders van valse goden, of heidenen, zoals wij ze gewoonlijk noemen, probeerden deze ramp toe te schrijven aan de christelijke religie en begonnen de ware God te lasteren met nog meer dan hun gebruikelijke bitterheid en scherpte. Dit was het wat mijn ijver voor het huis van God aanwakkerde en mij ertoe aanzette de verdediging van de stad van God op zich te nemen tegen de beschuldigingen en verkeerde voorstellingen van haar aanvallers. Dit werk was meerdere jaren in mijn handen, vanwege de onderbrekingen veroorzaakt door vele andere zaken die eerder mijn aandacht hadden gevergd en die ik niet kon uitstellen. Deze grote onderneming werd echter uiteindelijk voltooid in tweeëntwintig boeken. Van deze weerleggen de eerste vijf degenen die denken dat de polytheïstische eredienst noodzakelijk is om wereldse welvaart te verzekeren en dat al deze overweldigende rampen ons zijn overkomen als gevolg van het verbod ervan. In de volgende vijf boeken richt ik mij tot hen die erkennen dat zulke calamiteiten te allen tijde het menselijk ras hebben getroffen en te allen tijde zullen treffen, en dat ze voortdurend terugkeren in vormen die min of meer rampzalig zijn, en alleen variëren in de scènes, gelegenheden en personen op wie ze vallen, maar terwijl ze dit erkennen, beweren ze dat de aanbidding van de goden voordelig is voor het toekomstige leven. In deze tien boeken weerleg ik dan ook deze twee meningen, die even ongegrond zijn als vijandig tegenover de christelijke religie.
“Maar opdat niemand de gelegenheid zou hebben om te zeggen dat ik, hoewel ik de stellingen van andere mensen had weerlegd, had nagelaten mijn eigen stellingen te bewijzen, wijd ik aan dit doel het tweede deel van[Pg. VIII] dit werk, dat twaalf boeken omvat, hoewel ik niet heb geaarzeld, zoals de gelegenheid zich voordeed, om mijn eigen meningen in de eerste tien boeken naar voren te brengen, of om de argumenten van mijn tegenstanders in de laatste twaalf te ontkrachten. Van deze twaalf boeken bevatten de eerste vier een verslag van de oorsprong van deze twee steden: de stad van God en de stad van de wereld. De tweede vier behandelen hun geschiedenis of vooruitgang; de derde en laatste vier, van hun verdiende bestemmingen. En dus, hoewel al deze tweeëntwintig boeken naar beide steden verwijzen, heb ik ze toch naar de betere stad vernoemd en ze De Stad van God genoemd.”
Dit is het verslag dat Augustinus zelf geeft[2] van de gelegenheid en het plan van dit zijn grootste werk. Maar naast deze expliciete informatie leren we uit de correspondentie[3] van Augustinus, dat het te danken was aan de opdringerigheid van zijn vriend Marcellinus dat deze verdediging van het christendom verder reikte dan de grenzen van een paar brieven. Kort voor de val van Rome was Marcellinus door keizer Honorius naar Afrika gestuurd om een regeling te treffen voor de geschillen tussen de donatisten en de katholieken. Dit bracht hem niet alleen in contact met Augustinus, maar ook met Volusianus, de proconsul van Afrika, en een man met een zeldzame intelligentie en openhartigheid. Toen hij ontdekte dat Volusianus, hoewel nog een heiden, interesse had in de christelijke religie, zette Marcellinus zijn hart erop om hem tot het ware geloof te bekeren. De details van de daaropvolgende belangrijke omgang tussen de geleerde en hofbisschop en de twee keizerlijke staatslieden zijn helaas bijna geheel voor ons verloren gegaan; maar de indruk die de bestaande correspondentie wekt, is dat Marcellinus het middel was om zijn twee vrienden met elkaar in contact te brengen. De eerste toenadering was van Augustinus, in de vorm van een eenvoudig en mannelijk verzoek dat Volusianus de Schriften zorgvuldig zou doornemen, vergezeld van een openhartig aanbod om zijn best te doen om alle moeilijkheden op te lossen die zich bij zo’n onderzoek zouden kunnen voordoen. Volusianus gaat dienovereenkomstig een correspondentie aan met Augustinus; en om de soort moeilijkheden te illustreren die mannen in zijn positie ervaren, geeft hij enkele grafische aantekeningen van een gesprek waarin hij onlangs[Pg ix] deelgenomen aan een bijeenkomst van enkele van zijn vrienden. De moeilijkheid waaraan het meeste gewicht wordt gehecht in deze brief, is de schijnbare onmogelijkheid om te geloven in de Incarnatie. Maar een brief die Marcellinus onmiddellijk naar Augustinus stuurde, waarin hij hem aanspoorde om Volusianus in het algemeen te antwoorden, bracht het inzicht dat de moeilijkheden en bezwaren tegen het christendom aldus beperkt waren uit een beleefde achting voor de kostbaarheid van de tijd van de bisschop en het grote aantal van zijn verplichtingen. Deze brief bracht, kortom, het belangrijke feit naar voren, dat het wegnemen van speculatieve twijfels niet zou volstaan voor de bekering van zulke mannen als Volusianus, wiens leven één was met het leven van het keizerrijk. Hun moeilijkheden waren eerder politiek, historisch en sociaal. Ze konden niet zien hoe de ontvangst van de christelijke levensregel verenigbaar was met de belangen van Rome als meesteres van de wereld.[4] En zo werd Augustinus ertoe gebracht een duidelijker en bredere visie te ontwikkelen op de gehele relatie die het christendom had met de oude staat van zaken – moreel, politiek, filosofisch en religieus – en werd hij geleidelijk aan aangetrokken om het uitgebreide werk op zich te nemen dat nu aan de Engelse lezer wordt gepresenteerd, en dat meer dan enig ander van zijn geschriften zijn meesterwerk genoemd kan worden.[5] of levenswerk. Het werd begonnen in het jaar van Marcellinus’ dood, 413 n.Chr ., en werd van tijd tot tijd in losse delen uitgegeven, tot het voltooid werd in het jaar 426. Het nam dus de rijpste jaren van Augustinus’ leven in beslag – van zijn negenenvijftigste tot zijn tweeënzeventigste jaar.[6]
Uit deze korte schets blijkt dat, hoewel het begeleidende werk in wezen een Apologie is, de Apologetica van Augustinus niet zomaar een reconstructie kan zijn van de enigszins versleten, zo niet verarmde, argumenten van Justinus en Tertullianus.[7] In feite, toen Augustinus overwoog wat er van hem werd verwacht, namelijk het christelijk geloof uiteen te zetten en het te rechtvaardigen voor verlichte mensen,[pagina x] mannen; om het te onderscheiden van, en de superioriteit ervan te tonen aan, al die vormen van waarheid, filosofisch of populair, die toen naar de overhand streefden, of op zijn minst naar een podium; om de ogen van de wereld een visioen van glorie voor te stellen dat zelfs de achting zou kunnen winnen van mannen die verblind waren door de fascinerende pracht van een wereldwijd rijk – hij erkende dat hem een taak was toevertrouwd waaraan zelfs zijn krachten niet toereikend zouden kunnen blijken – een taak die zeker ruimschoots ruimte zou bieden voor zijn geleerdheid, dialectiek, filosofisch begrip en scherpzinnigheid, welsprekendheid en vermogen tot uiteenzetting.
Maar het is de aanleiding van deze grote Verontschuldiging die het tegelijk met grandeur en vitaliteit bekleedt. Na meer dan elfhonderd jaar van gestage en triomfantelijke vooruitgang was Rome ingenomen en geplunderd. Het is moeilijk voor ons om te waarderen, onmogelijk om te overschatten, de schok die zo van het centrum naar de omtrek van de hele bekende wereld werd overgebracht. Het werd algemeen geloofd, niet alleen door de heidenen, maar ook door veel van de meest vrijzinnige christenen, dat de vernietiging van Rome het voorspel zou zijn van de vernietiging van de wereld.[8] Zelfs Hieronymus, van wie men zou kunnen denken dat hij verbitterd was tegen de trotse meesteres van de wereld vanwege haar ongastvrijheid jegens hem, kan zijn diepe emotie niet verbergen toen hij hoorde van haar val. “Een vreselijk gerucht”, zegt hij, “bereikt mij uit het Westen, dat vertelt over Rome dat belegerd is, gekocht voor goud, opnieuw belegerd, leven en bezit die samen ten onder gaan. Mijn stem hapert, snikken smoren de woorden die ik dicteer; want zij is een gevangene, die stad die de wereld in vervoering bracht.”[9] Augustinus is nooit zo theatraal als Hieronymus in de uitdrukking van zijn gevoelens, maar hij is even expliciet in het betreuren van de val van Rome als een grote ramp; en hoewel hij er niet voor terugdeinst haar recente schande toe te schrijven aan de losbandige[pagina xi] de manieren, de verwijfdheid en de trots van haar burgers, is hij niet zonder hoop dat ze, door terug te keren naar de eenvoudige, stoere en eervolle levensstijl die de vroege Romeinen kenmerkte, nog veel van haar vroegere welvaart terugkrijgt.[10] Maar terwijl Augustinus de ruïnes van Rome’s grootheid overdenkt, en, net als de hele wereld in deze crisis, de instabiliteit van de sterkste regeringen, de ontoereikendheid van het meest gezaghebbende staatsmanschap voelt, zweeft er boven deze ruïnes het schitterende visioen van de stad van God “die uit de hemel neerdaalt, versierd als een bruid voor haar echtgenoot.” Het oude sociale systeem brokkelt aan alle kanten af, maar in de plaats daarvan lijkt hij een zuiver christendom te zien opkomen. Hij ziet dat de menselijke geschiedenis en het menselijk lot niet volledig geïdentificeerd zijn met de geschiedenis van enige aardse macht – ook al is het niet zo kosmopolitisch als het rijk van Rome.[11] Hij vestigt de aandacht van de mens op het feit dat er een ander koninkrijk op aarde is, een stad met fundamenten, waarvan God de bouwer en maker is. Hij leert de mens om diepere inzichten in de geschiedenis te hebben, en laat hen zien hoe de stad van God, of de gemeenschap van Gods volk, vanaf het begin naast de koninkrijken van deze wereld en hun glorie heeft geleefd, en in stilte is toegenomen, “crescit occulto velut arbor ævo.” Hij laat zien dat de superieure moraal, de ware leer, de hemelse oorsprong van deze stad, haar succes verzekeren; en daartegenover schildert hij de dwaze of tegenstrijdige theorieën van de heidense filosofen, en de losgeslagen moraal van het volk, en legt het aan alle oprechte mensen voor om te zeggen of er in de aanwezigheid van zo’n duidelijk voldoende oorzaak voor de ondergang van Rome, ruimte is om het toe te schrijven aan de verspreiding van het christendom. Hij traceert het antagonisme van deze twee grote gemeenschappen van rationele wezens, terug naar hun eerste divergentie in de val van de engelen, en naar de voltooiing van alle dingen in het laatste oordeel en de eeuwige bestemming van het goede en het kwade. Met andere woorden, de stad van God is “de eerste echte poging om een filosofie van de geschiedenis te produceren,”[12] om historische[Blz. xii] gebeurtenissen in verband met hun ware oorzaken en in hun werkelijke volgorde. Dit plan van het werk is niet alleen een groot concept, maar het gaat gepaard met veel praktische voordelen; het belangrijkste is dat het een volledige behandeling van die doctrines van ons geloof die meer direct historisch zijn, toestaat en zelfs vereist, de doctrines van de schepping, de val, de incarnatie, de verbinding tussen het Oude en Nieuwe Testament en de doctrine van “de laatste dingen.”[13]
Het effect dat dit grote werk heeft voortgebracht, is onmogelijk nauwkeurig te bepalen. Beugnot verklaart, met een absoluutheid die wij in een minder competente autoriteit als aanmatiging zouden veroordelen, dat het effect slechts zeer gering kan zijn geweest.[14] Waarschijnlijk zou het effect ervan stil en traag zijn; eerst op ontwikkelde geesten, en pas indirect op het volk. Het effect ervan moet zeker verzwakt zijn door de onderbroken manier van publicatie. Het is een gemakkelijkere taak om de intrinsieke waarde ervan te schatten. Maar ook hierover verschillen de patristische en literaire autoriteiten sterk. Dupin geeft toe dat het zeer prettig leest, vanwege de verrassende verscheidenheid aan zaken die worden geïntroduceerd om het betoog te illustreren en vooruit te helpen, maar bekritiseert de auteur omdat hij zeer nutteloze kwesties bespreekt en redenen aanvoert die niemand die niet al overtuigd was, zouden kunnen bevredigen.[15] Huet spreekt ook over het boek als “un amas confus d’excellents materiaux; c’est de l’or en barre et en lingots.”[16] L’Abbé Flottes bekritiseert deze meningen als onrechtvaardig en citeert met instemming de onvoorwaardelijke lofrede van Pressensé.[17] Maar waarschijnlijk is de populariteit van het boek de beste rechtvaardiging. Deze populariteit kan worden afgemeten aan de omstandigheid dat er tussen het jaar 1467 en het einde van de vijftiende eeuw niet minder dan twintig[Blz. xiii] Er waren nieuwe edities nodig, dat wil zeggen een nieuwe editie elke achttien maanden.[18] En in de interessante reeks brieven die Ludovicus Vives uitwisselde met Erasmus, die hem had gevraagd een commentaar te schrijven op de Stad van God voor zijn uitgave van Augustinus’ werken, vinden we Vives pleitend voor een aparte uitgave van dit werk, met het argument dat het van alle geschriften van Augustinus vrijwel het enige was dat door patristische studenten werd gelezen, en daarom vanzelfsprekend een veel grotere verspreiding zou kunnen hebben.[19]
Als ons gevraagd zou worden waaraan deze populariteit te danken is, zouden we geneigd zijn deze vooral toe te schrijven aan de grote verscheidenheid aan ideeën, meningen en feiten die hier aan de lezer worden voorgelegd. Het belang ervan als bijdrage aan de geschiedenis van de mening kan niet worden overschat. We vinden er niet alleen aanwijzingen of expliciete verklaringen van de eigen opvattingen van de auteur over bijna elk belangrijk onderwerp dat zijn gedachten bezighield, maar ook een beknopte tentoonstelling van de ideeën die het leven van die tijd het krachtigst hebben beïnvloed. Zo wordt het, zoals Poujoulat zegt, “comme l’encyclopédie du cinquième siècle.” Alles wat waardevol is, samen met veel dat dat inderdaad niet is, in de religie en filosofie van de klassieke naties van de oudheid, wordt besproken. En op sommige takken van deze onderwerpen heeft het, naar het oordeel van iemand die goed gekwalificeerd is om te oordelen, “meer bewaard dan de hele overgebleven Latijnse literatuur.” Het is waar dat we soms moe worden van de al te uitgebreide weerlegging van meningen die voor een moderne geest vanzelfsprekende absurditeiten lijken; maar als deze meningen in de vijfde eeuw werkelijk gangbaar waren, zal de geschiedkundige onderzoeker niet twisten over de vorm waarin zijn informatie wordt overgebracht, noch de absurditeit begaan om Augustinus de dwaasheid van deze meningen toe te schrijven, maar eerder de eer om ze te ontploffen. Dat Augustinus een goed geïnformeerde en onpartijdige[Blz. xiv] criticus, blijkt uit de hoffelijkheid en oprechtheid die hij altijd aan zijn tegenstanders toont, uit het respect dat hij van de heidenen zelf kreeg en uit zijn eigen vroege leven. De meest rigoureuze kritiek heeft hem slechts in enkele zeer zeldzame gevallen, die gemakkelijk te verklaren zijn, op feitelijke punten in gebreke gesteld. Zijn geleerdheid zou inderdaad niet opwegen tegen wat in onze tijd als zodanig wordt beschouwd: zijn leven was te druk en te toegewijd aan de armen en de geestelijk behoeftigen om enige buitengewone verwerving toe te laten. Hij had geen toegang tot literatuur behalve het Latijn; of in ieder geval had hij alleen voldoende Grieks om hem in staat te stellen Griekse auteurs te raadplegen over belangrijke punten, en niet genoeg om hem in staat te stellen hun geschriften met gemak en plezier te lezen.[20] Maar hij had een diepgaande kennis van zijn eigen tijd en een vertrouwde omgang niet alleen met de Latijnse dichters, maar ook met veel andere auteurs, van wie sommige geschriften nu voor ons verloren zijn gegaan, behalve de fragmenten die bewaard zijn gebleven via zijn citaten.
Maar de interesse die aan de Stad van God kleeft is niet alleen historisch. Het is de ernst en het vermogen waarmee hij zijn eigen filosofische en theologische visies ontwikkelt die de lezer geleidelijk fascineren en hem laten inzien waarom de wereld dit tot een van de weinige beste boeken aller tijden heeft gemaakt. De fundamentele lijnen van de Augustijnse theologie worden hier in een uitgebreide en interessante vorm uiteengezet. Nooit werd gedacht dat ze zo abstract waren uitgedrukt in zo’n populaire taal. Hij behandelt metafysische problemen met het onbeschaamde gemak van Plato, met alle nauwkeurigheid en scherpzinnigheid van Cicero, en meer dan Cicero’s diepzinnigheid. Hij voelt zich nergens meer thuis dan wanneer hij de incompetentie van het neoplatonisme blootlegt of de harmonie van de christelijke leer en de ware filosofie demonstreert. En hoewel er in de Stad van God , zoals in alle oude boeken, dingen staan die ons kinderlijk en onvruchtbaar lijken, zijn er ook de meest verrassende verwachtingen van moderne speculatie. Er is een oprechte worsteling met die problemen die voortdurend opnieuw aan de orde komen omdat ze ten grondslag liggen aan de relatie van de mens met God en de geestelijke wereld,[Blz. xv] problemen die niet specifiek zijn voor een bepaalde eeuw. Terwijl we deze levendige discussies lezen,
De veertien eeuwen vallen weg
Tussen ons en de Afrikaanse heilige,
En aan zijn zijde dringen wij er vandaag op aan,
De eeuwenoude zoektocht en de oude klacht.
Er wordt ons geen uiterlijk teken gegeven,
Van zee of aarde komt geen antwoord;
Verstild als de warme Numidische hemel
Hij stelde tevergeefs vragen over de bochten in onze bevroren lucht.”
Het is waar, de stijl van het boek is niet alles wat men zou kunnen wensen: er zijn passages die alleen interessant kunnen zijn voor de antiquaar; er zijn andere die niets anders te bieden hebben dan de glans van hun welsprekendheid; er zijn veel herhalingen; er wordt af en toe gebruik gemaakt van argumenten “plus ingenieux que solides”, zoals M. Saisset zegt. Augustinus’ grote bewonderaar, Erasmus, aarzelt niet om hem een schrijver te noemen “obscuræ subtilitatis et parum amœnæ prolixitatis;”[21] maar “de moeite om de schijnbare onduidelijkheden te doorgronden zal worden beloond met het vinden van een echte rijkdom aan inzicht en verlichting.” Sommigen die de openingshoofdstukken van de Stad van God hebben gelezen , hebben misschien gedacht dat het tijdverspilling zou zijn om verder te gaan; maar niemand, zo zijn we ervan overtuigd, heeft ooit spijt gehad van het lezen ervan. Het boek heeft zijn fouten; maar het introduceert ons op effectieve wijze bij de meest invloedrijke theoloog en de grootste populaire leraar; bij een genie dat niet veel regels achter elkaar kan knikken; bij een redenaar wiens dialectiek formidabeler, scherper en zevender is dan die van Socrates of Thomas van Aquino; bij een heilige wiens vurige en oprechte devotionele gevoel door de strengste argumentatie heen barst; bij een man wiens vriendelijkheid en humor, universele sympathieën en breedte van intelligentie, pit en vitaliteit verlenen aan de meest abstracte verhandeling.
De juistheid van het publiceren van een vertaling van zo’n uitgelezen staaltje oude literatuur behoeft geen verdediging. Zoals Poujoulat zeer verstandig opmerkt, zijn er tegenwoordig niet veel mensen die een werk in het Latijn van tweeëntwintig boeken zullen lezen. Misschien zijn er nog minder die dat zouden moeten doen. Met onze drukke buren in Frankrijk is dit werk een[Blz. xvi] favoriet gedurende 400 jaar. Er kunnen acht onafhankelijke vertalingen van in de Franse taal worden genoemd, hoewel sommige hiervan gedeeltelijk slechts herzieningen zijn. Een van deze vertalingen heeft maar liefst vier edities doorgemaakt. De meest recente is die welke deel uitmaakt van de Nisard-serie; maar de beste, voor zover we hebben gezien, is die van de begaafde hoogleraar filosofie aan het College van Frankrijk, Emile Saisset. Deze vertaling is inderdaad alles wat gewenst kan worden: hier en daar treedt een omissie op, en over een of twee weergaven kan een meningsverschil bestaan; maar de buitengewone gelukzaligheid en geest van het geheel laten zien dat het een werk van liefde is geweest, de liefdevolle hulde van een discipel die trots is op zijn meester. Het voorwoord van M. Saisset is een van de meest waardevolle bijdragen die ooit zijn geleverd aan het begrip van Augustinus’ filosofie.[22]
Van Engelse vertalingen is er een onverklaarbare armoede geweest. Er bestaat er maar één,[23] en dit zo uitzonderlijk slecht, zo anders dan de pikante vertalingen van de zeventiende eeuw in het algemeen, zo onnauwkeurig en zo vaak onbegrijpelijk, dat het niet onmogelijk is dat het iets heeft gedaan om het Engelse publiek een afkeer te geven van het boek zelf. Dat de huidige vertaling ook verbeterd zou kunnen worden, weten we; dat veel mannen geschikter waren voor de taak, op het gebied van wetenschap, zijn we ons zeer bewust; maar dat iemand het met intensere genegenheid en verering voor de auteur zou hebben uitgevoerd, zijn we niet bereid toe te geven. Er zijn een paar aantekeningen toegevoegd waar dat nodig leek. Sommige zijn origineel, sommige van de benedictijn Augustinus, en de rest van het uitgebreide commentaar van Vives.[24]
De bewerker.
Glasgow , 1871.
[pagina 1]
DE STAD VAN GOD.
EERSTE BOEK
ARGUMENT.
AUGUSTINUS BESCHULDIGT DE HEIDENEN, DIE DE RAMPEN IN DE WERELD, EN IN HET BIJZONDER DE RECENTE PLONS VAN ROME DOOR DE GOTEN, TOESCHREVEN AAN DE CHRISTELIJKE GODSDIENST EN HET VERBOD OP DE AANBIDDING VAN GODEN. HIJ SPREEKT OVER DE ZEGENINGEN EN KWALEN DES LEVENS, DIE TOEN, ZOALS ALTIJD, GOEDE EN SLECHTE MENSEN OVERKOMEN. TOT SLOT BESCHULDIGT HIJ DE SCHAAMTELOOSHEID VAN HEN DIE DE CHRISTENEN VERWETEN DAT HUN VROUWEN DOOR DE SOLDATEN WAREN GESCHONDEN.
VOORWOORD, WAARIN ZIJN PLAN VOOR HET ONDERNEMEN VAN DIT WERK WORDT UITGELEGD.
De glorieuze stad van God is mijn thema in dit werk, dat jij, mijn liefste zoon Marcellinus,[25] voorgesteld, en die u verschuldigd is door mijn belofte. Ik heb haar verdediging op mij genomen tegen hen die hun eigen goden verkiezen boven de Stichter van deze stad, een stad die buitengewoon glorieus is, of wij haar nu zien zoals zij nog steeds leeft door geloof in deze vluchtige loop van de tijd, en als een vreemdeling vertoeft te midden van de goddelozen, of zoals zij zal wonen in de vaste stabiliteit van haar eeuwige zetel, waarop zij nu met geduld wacht, verwachtend totdat “de gerechtigheid zal wederkeren tot het oordeel,”[26] en het verkrijgt, door zijn uitmuntendheid, de uiteindelijke overwinning en volmaakte vrede. Dit is een groot werk, en een moeilijk werk; maar God is mijn helper. Want ik weet welk vermogen vereist is om de trotse te overtuigen hoe groot de deugd van nederigheid is, die ons, niet door een volkomen menselijke arrogantie, maar door een goddelijke genade, verheft boven alle aardse waardigheden die op dit veranderende toneel wankelen. Voor de Koning en Stichter[pagina 2] van deze stad waarover wij spreken, heeft in de Schrift aan Zijn volk een uitspraak van de goddelijke wet verkondigd in deze woorden: “God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.”[27] Maar dit, wat Gods voorrecht is, de opgeblazen ambitie van een trotse geest, beïnvloedt ook, en houdt er zeer van dat dit tot zijn eigenschappen wordt gerekend,
“Heb medelijden met de nederige ziel,
En verpletter de zonen van hoogmoed.”[28]
En daarom moeten we, aangezien het plan van het werk dat we hebben ondernomen dat vereist en de gelegenheid zich voordoet, ook spreken over de aardse stad die, hoewel zij de heerseres is over de volkeren, zelf wordt geregeerd door haar heerschappij.
1. Van de tegenstanders van de naam van Christus, die de barbaren om Christus’ wil spaarden toen zij de stad bestormden.
Want aan deze aardse stad behoren de vijanden toe, tegen wie ik de stad Gods moet verdedigen. Velen van hen zijn inderdaad, nadat ze van hun goddeloze dwaling zijn gered, voldoende geloofwaardige burgers van deze stad geworden; maar velen zijn zo ontstoken van haat tegen haar, en zijn zo ondankbaar jegens haar Verlosser voor Zijn opmerkelijke weldaden, dat ze vergeten dat ze nu niet in staat zouden zijn om een enkel woord tot haar nadeel te uiten, als ze niet in haar heilige plaatsen, toen ze vluchtten voor het staal van de vijand, dat leven hadden gevonden waarop ze zich nu beroemen. Worden niet juist die Romeinen, die door de barbaren werden gespaard door hun eerbied voor Christus, vijanden van de naam van Christus? De relikwieën van de martelaren en de kerken van de apostelen getuigen hiervan; want in de plundering van de stad waren ze een open toevluchtsoord voor allen die naar hen vluchtten, of ze nu christen of heiden waren. Tot aan hun drempel woedde de bloeddorstige vijand; daar had zijn moorddadige woede een grens. Daarheen brachten degenen van de vijand die enig medelijden hadden met degenen aan wie zij genade hadden verleend, opdat niet iemand die minder genadig was hen zou treffen. En inderdaad, toen zelfs die moordenaars die zich overal elders meedogenloos toonden, op deze plekken kwamen waar datgene verboden was wat de oorlogsvergunning op elke andere plaats toeliet, werd hun woedende woede voor slachting beteugeld en hun gretigheid om gevangenen te nemen geblust. Zo ontsnapten de menigten die nu verwijten[pagina 3] de christelijke godsdienst, en schrijven Christus de kwalen toe die hun stad zijn overkomen; maar het behoud van hun eigen leven – een zegen die zij te danken hebben aan het respect dat de barbaren voor Christus hebben – schrijven zij niet toe aan onze Christus, maar aan hun eigen geluk. Zij zouden, als zij enige juiste waarnemingen hadden, de strengheid en ontberingen die hun vijanden hun hebben aangedaan, moeten toeschrijven aan die goddelijke voorzienigheid die de verdorven manieren van mensen door kastijding wil hervormen, en die met soortgelijke kwellingen de rechtvaardigen en prijzenswaardigen oefent, – hen ofwel, wanneer zij de beproeving hebben doorstaan, naar een betere wereld te verplaatsen, of hen nog steeds op aarde vast te houden voor latere doeleinden. En zij zouden het aan de geest van deze christelijke tijden moeten toeschrijven, dat, in tegenstelling tot de gewoonte van de oorlog, deze bloeddorstige barbaren hen spaarden, en hen spaarden omwille van Christus, of deze genade nu werkelijk werd betoond op promiscue plaatsen, of op die plaatsen die speciaal aan Christus’ naam waren gewijd, en waarvan de allergrootste als heiligdommen waren uitgekozen, dat aldus de volledige reikwijdte kon worden gegeven aan het uitgebreide mededogen dat verlangde dat een grote menigte daar onderdak zou vinden. Daarom zouden zij God moeten danken, en met oprechte belijdenis hun toevlucht zoeken tot Zijn naam, opdat zij zo de straf van het eeuwige vuur mogen ontlopen – zij die met leugenachtige lippen deze naam op zich namen, opdat zij de straf van de huidige vernietiging mochten ontlopen. Want van hen die u brutaal en schaamteloos de dienaren van Christus ziet beledigen, zijn er velen die die vernietiging en slachting niet zouden zijn ontkomen als zij niet hadden beweerd dat zij zelf dienaren van Christus waren. Maar nu verzetten ze zich, in ondankbare trots en goddeloze waanzin, en met het risico gestraft te worden in eeuwige duisternis, op perverse wijze tegen die naam waaronder ze zichzelf op frauduleuze wijze beschermden om te kunnen genieten van het licht van dit korte leven.
2. Dat het volkomen in strijd is met het gebruik van oorlog, dat de overwinnaars de overwonnenen sparen ter wille van hun goden.
Er zijn geschiedenissen van talloze oorlogen, zowel vóór de bouw van Rome als na de opkomst en uitbreiding van zijn heerschappij. Laten we die lezen en één voorbeeld aanhalen waarin, toen een stad door buitenlanders was ingenomen, de overwinnaars[pagina 4] zij die naar de tempels van hun goden waren gevlucht, werden gespaard;[29] of een geval waarin een barbaarse generaal bevel gaf dat niemand ter dood gebracht mocht worden die in deze of gene tempel was aangetroffen. Zag Aeneas niet
“Stervende Priamus bij het heiligdom,
“Hij heeft de haard goddelijk gemaakt door hem te bezoedelen?”[30]
Hebben Diomedes en Ulysses niet
“Sleep met rode handen, de schildwacht gedood,
Haar noodlottige beeld van jouw fane,
Haar kuise lokken raken elkaar aan en bevlekken met bloed
De maagdelijke kroon die ze droeg?”[31]
Datgene wat volgt, is ook niet waar, dat
“Vanaf dat moment veranderde het tij van het fortuin,
En Griekenland werd zwakker.”[32]
Want hierna veroverden en vernietigden ze Troje met vuur en zwaard; hierna onthoofdden ze Priamus toen hij naar de altaren vluchtte. Troje ging ook niet ten onder omdat het Minerva verloor. Want wat had Minerva zelf eerst verloren, dat ze ten onder ging? Haar bewakers misschien? Ongetwijfeld; alleen haar bewakers. Want zodra ze gedood waren, kon ze gestolen worden. Het waren in feite niet de mannen die door het beeld bewaard werden, maar het beeld door de mannen. Hoe werd ze dan aangeroepen om de stad en de burgers te verdedigen, zij die haar eigen verdedigers niet kon verdedigen?
3. Dat de Romeinen niet hun gebruikelijke scherpzinnigheid toonden toen ze erop vertrouwden dat ze baat zouden hebben bij de goden die er niet in waren geslaagd Troje te verdedigen.
En dit zijn de goden aan wiens beschermende zorg de Romeinen hun stad graag toevertrouwden! O, ook al te jammerlijke vergissing! En ze zijn woedend op ons als we zo over hun goden spreken, hoewel ze, in plaats van woedend te zijn op hun eigen schrijvers, geld uitgeven om te leren wat ze zeggen; en inderdaad, de leraren van deze schrijvers worden zelfs waardig geacht voor een salaris uit de staatskas en andere eerbewijzen. Er is Vergilius, die door jongens wordt gelezen, zodat deze grote dichter, deze beroemdste en meest gewaardeerde van allemaal[pagina 5] dichters, hun maagdelijke geest kunnen bevruchten en niet snel door hen vergeten kunnen worden, volgens het gezegde van Horatius:
“Het verse vat behoudt lang zijn eerste smaak.”[33]
Welnu, in deze Vergilius, zeg ik, wordt Juno voorgesteld als vijandig tegenover de Trojanen, en zet hij Aeolus, de koning van de winden, tegen hen op met de woorden:
“Een ras dat ik nu haat, ploegt de zee,
Troje naar Italië vervoeren,
En de thuisgoden overwonnen.”[34] …
En hadden verstandige mannen de verdediging van Rome aan deze overwonnen goden moeten toevertrouwen? Maar men zal zeggen, dit was slechts het gezegde van Juno, die, als een boze vrouw, niet wist wat ze zei. Wat zegt dan Aeneas zelf, – Aeneas die zo vaak als “vroom” wordt aangeduid? Zegt hij niet,
“Zie! Panthus, ontsnapt aan de dood door te vluchten,
Priester van Apollo op de hoogte,
Zijn overwonnen goden met trillende handen
Hij draagt, en beschut snelle eisen?”[35]
Is het niet duidelijk dat de goden (die hij zonder aarzelen “overwonnenen” noemt) eerder aan Aeneas werden toevertrouwd dan hij aan hen, wanneer er tegen hem wordt gezegd:
“De goden van haar huiselijke heiligdommen
“Uw land aan uw zorg toevertrouwen?”[36]
Als Vergilius dan zegt dat de goden zulke waren, en overwonnen werden, en dat ze, toen ze overwonnen waren, niet konden ontsnappen behalve onder de bescherming van een man, wat is het dan voor waanzin om te veronderstellen dat Rome wijselijk aan deze bewakers was toevertrouwd, en niet had kunnen worden ingenomen tenzij het hen had verloren! Inderdaad, overwonnen goden aanbidden als beschermers en kampioenen, wat is dit anders dan het aanbidden van geen goede godheden, maar slechte voortekenen?[37] Zou het niet verstandiger zijn om te geloven, niet dat Rome nooit in zo’n grote ramp zou zijn gevallen als ze niet eerst waren vergaan, maar eerder dat ze allang zouden zijn vergaan als Rome ze niet zo lang had bewaard als ze kon? Want wie ziet niet, als hij erover nadenkt, wat een dwaze veronderstelling het is dat ze niet konden worden overwonnen onder overwonnen verdedigers, en dat ze alleen maar zijn vergaan[pagina 6] omdat ze hun beschermgoden verloren hadden, terwijl de enige oorzaak van hun ondergang was dat ze goden kozen die tot ondergang waren veroordeeld? De dichters hadden dus, toen ze deze dingen over de overwonnen goden componeerden en zongen, niet de bedoeling om leugens te verzinnen, maar spraken als eerlijke mensen uit wat de waarheid van hen afdwong. Dit zal echter zorgvuldig en uitgebreid worden besproken op een andere en meer passende plaats. Ondertussen zal ik kort en naar mijn beste vermogen uitleggen wat ik bedoelde te zeggen over deze ondankbare mensen die op godslasterlijke wijze de rampen aan Christus toeschrijven die ze verdiend lijden als gevolg van hun eigen slechte manieren, terwijl ze datgene wat omwille van Christus is hen ondanks hun slechtheid bespaard heeft, niet eens de moeite nemen om op te merken; en in hun krankzinnige en godslasterlijke brutaliteit gebruiken ze tegen Zijn naam juist die lippen waarmee ze ten onrechte diezelfde naam claimden, zodat hun leven gespaard kon worden. Op de plaatsen die aan Christus gewijd zijn, waar omwille van Hem geen vijand hen kwaad zou doen, hielden ze hun tong in bedwang, zodat ze veilig en beschermd zouden zijn. Maar zodra ze uit deze heiligdommen komen, laten ze hun tong los en slingeren ze vloeken vol haat naar Hem.
4. Over het asiel van Juno in Troje, dat niemand van de Grieken redde; en over de kerken van de apostelen, die iedereen die naar hen toe vluchtte, beschermden tegen de barbaren.
Troje zelf, de moeder van het Romeinse volk, was, zoals ik al zei, niet in staat om haar eigen burgers te beschermen op de heilige plaatsen van hun goden tegen het vuur en het zwaard van de Grieken, hoewel de Grieken dezelfde goden aanbaden. En niet alleen dat, maar
“Phœnix en Ulysses vielen
In de lege rechtbanken bij Juno’s cel
De buit werd bewaard;
Weggehaald uit de brandende heiligdommen,
Daar lag de machtige schat van Ilium,
Rijke altaren, schalen van massief goud,
En gevangenekleding, ruw opgerold
In één promiscue hoop;
Terwijl jongens en matrones, wild van angst,
In lange rijen stonden ze daar.”[38]
Met andere woorden, de plaats gewijd aan zo’n grote godin[pagina 7] werd gekozen, niet dat er geen gevangene uit zou worden geleid, maar dat alle gevangenen erin zouden worden opgesloten. Vergelijk nu dit “asiel” – het asiel niet van een gewone god, niet van een van de gewone goden, maar van Jupiter’s eigen zuster en vrouw, de koningin van alle goden – met de kerken die ter nagedachtenis aan de apostelen waren gebouwd. Daarin werden de buit verzameld die uit de brandende tempels was gered en van de goden was geroofd, niet om ze aan de overwonnenen terug te geven, maar om ze onder de overwinnaars te verdelen; terwijl in deze met de grootste religieuze naleving en respect alles werd teruggebracht wat hen toebehoorde, zelfs al was het ergens anders gevonden. Daar ging de vrijheid verloren; hier werd ze bewaard. Daar was de slavernij streng; hier strikt uitgesloten. In die tempel werden mensen gedreven om de bezittingen van hun vijanden te worden, die nu over hen heersten; in deze kerken werden mensen door hun meedogenloze vijanden geleid, zodat ze in vrijheid konden zijn. Kortom, de zachtaardige[39] De Grieken eigenden zich die tempel van Juno toe voor de doeleinden van hun eigen hebzucht en trots; terwijl deze kerken van Christus zelfs door de wilde barbaren werden gekozen als de geschikte scènes voor nederigheid en genade. Maar misschien hebben de Grieken in die overwinning van hen toch de tempels van die goden gespaard die ze samen met de Trojanen aanbaden, en durfden ze de ellendige en verslagen Trojanen die daarheen vluchtten niet met het zwaard te doden of gevangen te nemen; en misschien heeft Vergilius, op de manier van dichters, afgebeeld wat nooit echt is gebeurd? Maar het staat buiten kijf dat hij de gebruikelijke gewoonte van een vijand bij het plunderen van een stad heeft afgebeeld.
5. Caesars uitspraak over de universele gewoonte van een vijand om een stad te plunderen.
Zelfs Caesar zelf geeft ons een positief getuigenis over deze gewoonte; want in zijn toespraak in de senaat over de samenzweerders zegt hij (zoals Sallust, een historicus met een opmerkelijke betrouwbaarheid, schrijft[40] ) “dat maagden en jongens worden geschonden, kinderen worden losgerukt uit de armen van hun ouders, matrones worden onderworpen aan[pagina 8] wat ook het genoegen van de veroveraars mocht zijn, tempels en huizen geplunderd, slachting en verbranding wijdverbreid; kortom, alles vol met wapens, lijken, bloed en geweeklaag.” Als hij hier geen tempels had genoemd, zouden we kunnen veronderstellen dat vijanden de gewoonte hadden de woningen van de goden te sparen. En de Romeinse tempels liepen gevaar door deze rampen, niet door buitenlandse vijanden, maar door Catilina en zijn metgezellen, de meest nobele senatoren en burgers van Rome. Maar dit, mag men zeggen, waren verlaten mannen en de vadermoordenaars van hun vaderland.
6. Dat zelfs de Romeinen, toen zij steden innamen, de veroverden niet spaarden in hun tempels.
Waarom moeten we dan in ons betoog rekening houden met de vele naties die oorlogen met elkaar hebben gevoerd en nergens de overwonnenen in de tempels van hun goden hebben gespaard? Laten we eens kijken naar de praktijk van de Romeinen zelf: laten we, zeg ik, de Romeinen in herinnering roepen en herzien, wier grootste lof het was “de overwonnenen te sparen en de trotsen te onderwerpen,” en dat ze er de voorkeur aan gaven “eerder te vergeven dan een onrecht te wreken;”[41] en onder zoveel en grote steden die zij hebben bestormd, ingenomen en omvergeworpen voor de uitbreiding van hun heerschappij, laten we ons vertellen welke tempels zij gewoonlijk vrijstelden, zodat iedereen die daar zijn toevlucht zocht, vrij was. Of hebben ze dit echt gedaan en is het feit door de geschiedschrijvers van deze gebeurtenissen verzwegen? Moet men geloven dat mannen die met de grootste gretigheid punten zochten die ze konden prijzen, die zouden weglaten die, naar hun eigen mening, de meest opmerkelijke bewijzen van vroomheid zijn? Marcus Marcellus, een vooraanstaande Romein, die Syracuse, een zeer prachtig versierde stad, innam, zou naar verluidt de naderende ondergang ervan hebben betreurd en er zijn eigen tranen over hebben vergoten voordat hij haar bloed vergoot. Hij nam ook maatregelen om de kuisheid zelfs van zijn vijand te bewaren. Want voordat hij bevel gaf voor de bestorming van de stad, vaardigde hij een edict uit dat de schending van een vrije persoon verbood. Toch werd de stad geplunderd volgens de gewoonte van de oorlog; Ook lezen we nergens dat zelfs een zo kuise en zachtaardige commandant bevelen gaf dat niemand gewond mocht raken die naar deze of gene tempel was gevlucht.[pagina 9] En dit zou zeker niet zijn weggelaten, wanneer noch zijn geween, noch zijn edict ter bescherming van de kuisheid in stilte kon worden aangenomen. Fabius, de veroveraar van de stad Tarente, wordt geprezen omdat hij zich onthield van het maken van buit van de beelden. Want toen zijn secretaris hem de vraag stelde, wat hij wilde doen met de beelden van de goden, die in grote aantallen waren genomen, verhulde hij zijn gematigdheid onder een grap. Want hij vroeg van welke soort ze waren; en toen ze hem rapporteerden dat er niet alleen veel grote beelden waren, maar sommige ervan bewapend, “Oh,” zei hij, “laten we bij de Tarentijnen hun boze goden achterlaten.” Als we dan zien dat de schrijvers van de Romeinse geschiedenis niet in stilte konden passeren, noch het gehuil van de ene generaal, noch het gelach van de andere, noch het kuise medelijden van de een, noch de schertsende gematigdheid van de ander, bij welke gelegenheid zou het dan achterwege gelaten worden, als zij, ter ere van een van de goden van hun vijand, deze bijzondere vorm van clementie hadden betoond, dat in welke tempel dan ook slachtpartijen of gevangenschap verboden waren?
7. Dat de wreedheden die plaatsvonden tijdens de plundering van Rome in overeenstemming waren met de gebruiken van de oorlog, terwijl de daden van genade voortkwamen uit de invloed van de naam van Christus.
Al de plundering waaraan Rome werd blootgesteld in de recente ramp – al het bloedbad, de plundering, de verbranding en de ellende – was het resultaat van de gewoonte van oorlog. Maar wat nieuw was, was dat barbaarse barbaren zich zo zachtmoedig gedroegen, dat de grootste kerken werden uitgekozen en apart gezet om gevuld te worden met de mensen aan wie kwartier was gegeven, en dat er niemand werd gedood, niemand met geweld werd weggesleept; dat velen door hun meedogenloze vijanden naar binnen werden geleid om in vrijheid te worden gesteld, en dat er niemand door genadeloze vijanden tot slavernij werd gebracht. Wie niet ziet dat dit toe te schrijven is aan de naam van Christus en aan het christelijke temperament, is blind; wie dit ziet en geen lof geeft, is ondankbaar; wie iemand ervan weerhoudt het te prijzen, is krankzinnig. Het zij verre van een verstandig mens om deze genade toe te schrijven aan de barbaren. Hun felle en bloeddorstige geesten werden ontzag inboezemd, beteugeld en wonderbaarlijk getemperd door Hem die zo lang geleden door Zijn profeet had gezegd: “Ik[pagina 10] Ik zal hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheden met slagen; toch zal Ik mijn goedertierenheid niet geheel van hen wegnemen.[42]
8. Over de voor- en nadelen die vaak zonder onderscheid ten deel vallen aan goede en slechte mensen.
Zal iemand zeggen: Waarom werd dit goddelijke mededogen dan zelfs tot de goddelozen en ondankbaren uitgebreid? Waarom, maar omdat het de genade was van Hem die dagelijks “Zijn zon laat opgaan over de bozen en de goeden, en regen laat vallen over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.”[43] Want hoewel sommigen van deze mannen, dit bedenkend, berouw hebben van hun slechtheid en zich bekeren, zijn er anderen, zoals de apostel zegt, die “de rijkdom van Zijn goedheid en lankmoedigheid verachten, en naar hun hardheid en onberouwvol hart voor zichzelf toorn verzamelen tegen de dag van de toorn en de openbaring van het rechtvaardige oordeel van God, die ieder mens zal vergelden naar zijn werken.”[44] Niettemin nodigt het geduld van God de goddelozen nog steeds uit tot berouw, zoals de gesel van God de goeden opvoedt tot geduld. En zo omarmt ook de genade van God de goeden, opdat zij hen mag koesteren, zoals de strengheid van God de goddelozen arresteert om hen te straffen. Het heeft de goddelijke voorzienigheid goed geleken om in de toekomstige wereld voor de rechtvaardigen goede dingen te bereiden, die de onrechtvaardigen niet zullen genieten; en voor de goddelozen kwade dingen, waardoor de goeden niet zullen worden gekweld. Maar wat de goede dingen van dit leven betreft, en de kwaden ervan, heeft God gewild dat deze gemeenschappelijk zouden zijn voor beide; opdat wij niet te gretig de dingen zouden begeren waarvan men ziet dat goddelozen er evenveel van genieten, noch met een onbetamelijke angst zouden terugdeinzen voor de kwalen die zelfs goede mensen vaak lijden.
Er is ook een heel groot verschil in het doel dat gediend wordt door zowel die gebeurtenissen die we ongunstig noemen als die welke we voorspoedig noemen. Want de goede mens wordt niet verheven door de goede dingen van de tijd, noch gebroken door de kwalen ervan; maar de slechte mens, omdat hij verdorven is door het geluk van deze wereld, voelt zich gestraft door het ongeluk ervan.[45] Toch gebeurt het vaak, zelfs in de[pagina 11] huidige verdeling van tijdelijke dingen, bewijst God duidelijk Zijn eigen inmenging. Want als elke zonde nu met een duidelijke straf werd bezocht, zou er niets lijken te zijn gereserveerd voor het laatste oordeel; aan de andere kant, als geen enkele zonde nu een duidelijk goddelijke straf zou ontvangen, zou men concluderen dat er helemaal geen goddelijke voorzienigheid is. En zo ook van de goede dingen van dit leven: als God deze niet door een zeer zichtbare vrijgevigheid zou verlenen aan sommigen van die personen die erom vragen, zouden we zeggen dat deze goede dingen niet tot Zijn beschikking stonden; en als Hij ze gaf aan allen die ze zochten, zouden we veronderstellen dat dit de enige beloningen van Zijn dienst waren; en zo’n dienst zou ons niet godvruchtig maken, maar eerder hebzuchtig en begerig. Daarom, hoewel goede en slechte mensen hetzelfde lijden, moeten we niet veronderstellen dat er geen verschil is tussen de mensen zelf, omdat er geen verschil is in wat ze beiden lijden. Want zelfs in de gelijkenis van het lijden blijft er een ongelijkheid in de lijdenden; en hoewel blootgesteld aan dezelfde kwelling, zijn deugd en ondeugd niet hetzelfde. Want zoals hetzelfde vuur goud helder doet gloeien en kaf doet roken; en onder dezelfde dorsvlegel het stro klein wordt geslagen, terwijl het graan wordt gereinigd; en zoals de droesem niet met de olie wordt vermengd, hoewel door dezelfde druk uit de kuip geperst, zo bewijst, zuivert, verheldert dezelfde hevigheid van beproeving het goede, maar verdoemt, ruïneert, verdelgt de goddelozen. En zo is het dat in dezelfde beproeving de goddelozen God verafschuwen en lasteren, terwijl de goeden bidden en prijzen. Zo materieel maakt het een verschil, niet welke kwalen worden geleden, maar wat voor soort mens ze lijdt. Want, opgeschud door dezelfde beweging, ademt modder een vreselijke stank uit, en zalf verspreidt een welriekende geur.
9. Redenen om zowel het slechte als het goede te corrigeren.
Wat hebben de christenen dan geleden in die rampzalige periode, wat niet iedereen ten goede zou komen die de volgende omstandigheden naar behoren en getrouw zou overwegen? Allereerst moeten ze nederig diezelfde zonden overwegen die God ertoe hebben aangezet de wereld te vullen met zulke vreselijke rampen; want hoewel ze ver verwijderd zijn van de excessen van slechte, immorele en goddeloze mensen, oordelen ze zichzelf toch niet zo volkomen verwijderd van alle fouten dat ze te goed zijn om zelfs voor deze tijdelijke kwalen te lijden. Want[pagina 12] ieder mens, hoe prijzenswaardig hij ook leeft, geeft toch op sommige punten toe aan de lust van het vlees. Hoewel hij niet vervalt in grove enormiteit van goddeloosheid, en verlaten gemeenheid, en afschuwelijke godslastering, vervalt hij toch in sommige zonden, hetzij zelden, hetzij des te vaker naarmate de zonden minder belangrijk lijken. Maar om dit nog maar niet te noemen, waar kunnen we gemakkelijk een man vinden die een juiste en juiste schatting houdt van die personen vanwege wier weerzinwekkende trots, luxe en hebzucht, en vervloekte ongerechtigheden en goddeloosheid, God nu de aarde slaat zoals Zijn voorspellingen dreigden? Waar is de man die met hen leeft op de manier waarop het ons past om met hen te leven? Want vaak verblinden wij onszelf op goddeloze wijze voor de gelegenheden om hen te onderwijzen en te vermanen, soms zelfs om hen te berispen en te berispen, hetzij omdat wij terugdeinzen voor de arbeid of ons schamen hen te beledigen, of omdat wij bang zijn goede vriendschappen te verliezen, opdat dit ons niet in de weg zou staan van onze vooruitgang, of ons zou schaden in een wereldse aangelegenheid, die hetzij onze hebzuchtige gezindheid wenst te verkrijgen, of onze zwakheid terugdeinst voor het verliezen. Zodat, hoewel het gedrag van goddeloze mensen onaangenaam is voor de goede, en daarom vallen zij niet met hen in die verdoemenis die zulke personen in het hiernamaals wacht, toch, omdat zij hun verdoemelijke zonden sparen door vrees, daarom, zelfs al zijn hun eigen zonden gering en vergeeflijk, zij terecht gegeseld worden met de goddelozen in deze wereld, hoewel zij in de eeuwigheid geheel aan straf ontkomen. Terecht, wanneer God hen samen met de goddelozen treft, vinden zij dit leven bitter, door liefde voor wiens zoetheid zij weigerden bitter te zijn voor deze zondaars.
Als iemand nalaat om te berispen en fouten te vinden bij hen die verkeerd doen, omdat hij een geschiktere gelegenheid zoekt, of omdat hij vreest dat ze erger zullen worden door zijn berisping, of dat andere zwakke personen ontmoedigd zullen worden om te proberen een goed en vroom leven te leiden, en van het geloof afgedreven zullen worden; dan lijkt de omissie van deze man niet te worden veroorzaakt door hebzucht, maar door een liefdadige overweging. Maar wat laakbaar is, is dat zij die zelf in opstand komen tegen het gedrag van de goddelozen, en op een heel andere manier leven, toch die fouten in andere mensen sparen die ze zouden moeten berispen en waarvan ze hen zouden moeten afbrengen; en hen sparen omdat[pagina 13] zij vrezen aanstoot te geven, uit vrees dat zij hun belangen zouden schaden in die dingen die goede mensen onschuldig en rechtmatig kunnen gebruiken, hoewel zij ze hebzuchtiger gebruiken dan past bij mensen die vreemdelingen zijn in deze wereld en de hoop op een hemels vaderland belijden. Want niet alleen de zwakkere broeders, die genieten van het huwelijksleven en kinderen hebben (of ernaar verlangen), en huizen en vestigingen bezitten, die de apostel in de gemeenten aanspreekt, hen waarschuwend en onderwijzend hoe zij moeten leven, zowel de vrouwen met hun mannen, als de mannen met hun vrouwen, de kinderen met hun ouders, en ouders met hun kinderen, en dienaren met hun meesters, en meesters met hun dienaren, niet alleen verkrijgen en verliezen deze zwakkere broeders met genoegen veel aardse en tijdelijke dingen, waardoor zij het niet aandurven mensen te beledigen wier verontreinigde en slechte leven hen zeer mishaagt; maar ook zij die op een hoger niveau leven, die niet verstrikt zijn in de netten van het huwelijksleven, maar karig voedsel en kleding gebruiken, denken vaak aan hun eigen veiligheid en goede naam, en onthouden zich ervan om kritiek te leveren op de goddelozen, omdat ze hun listen en geweld vrezen. En hoewel ze hen niet zo vrezen dat ze ertoe worden aangezet om soortgelijke ongerechtigheden te begaan, nee, niet door welke bedreigingen of geweld dan ook; toch weigeren ze vaak om kritiek te leveren op juist die daden die ze weigeren te delen in het begaan ervan, wanneer ze mogelijk door kritiek te leveren hun begaan zouden kunnen verhinderen. Ze onthouden zich van inmenging, omdat ze vrezen dat, als het niet goed uitpakt, hun eigen veiligheid of reputatie beschadigd of vernietigd kan worden; niet omdat ze inzien dat hun behoud en goede naam nodig zijn, dat ze in staat zouden kunnen zijn om degenen te beïnvloeden die hun instructie nodig hebben, maar eerder omdat ze zwakjes genieten van de vleierij en het respect van mensen, en bang zijn voor de oordelen van het volk, en de pijn of dood van het lichaam; dat wil zeggen dat hun niet-ingrijpen het gevolg is van egoïsme, en niet van liefde.
Daarom lijkt mij dit een van de voornaamste redenen waarom de goeden samen met de slechten worden gekastijd, wanneer God het goed vindt om de losbandige manieren van een gemeenschap met tijdelijke straffen te bezoeken. Ze worden samen gestraft, niet omdat ze een even corrupt leven hebben geleid, maar omdat[pagina 14] de goeden zowel als de slechten, hoewel niet evenveel als zij, houden van dit tegenwoordige leven; terwijl zij het goedkoop zouden moeten houden, opdat de slechten, vermaand en hervormd door hun voorbeeld, het eeuwige leven zouden kunnen grijpen. En als zij niet de metgezellen van de goeden willen zijn in het zoeken naar het eeuwige leven, moeten zij bemind worden als vijanden en geduldig behandeld worden. Want zolang zij leven, blijft het onzeker of zij niet tot een beter verstand zullen komen. Deze zelfzuchtige personen hebben meer reden om te vrezen dan degenen tot wie door de profeet werd gezegd: “Hij wordt weggenomen in zijn ongerechtigheid, maar zijn bloed zal Ik eisen van de hand van de wachter.”[46] Want wachters of opzieners van het volk worden in de gemeenten aangesteld, opdat zij de zonde onverbiddelijk kunnen bestraffen. Ook is die mens niet onschuldig aan de zonde waarover wij spreken, die, hoewel hij geen wachter is, toch in het gedrag van hen met wie de relaties van dit leven hem in contact brengen, veel dingen ziet die verweten zouden moeten worden, en ze toch over het hoofd ziet, bang om aanstoot te geven en zulke wereldse zegeningen te verliezen die rechtmatig begeerd kunnen worden, maar die hij maar al te gretig grijpt. Dan is er ten slotte nog een andere reden waarom de goeden getroffen worden door tijdelijke rampen – de reden die het geval van Job illustreert: dat de menselijke geest beproefd mag worden, en dat deze gemanifesteerd mag worden met welke standvastigheid van vroom vertrouwen, en met hoe onbarmhartig een liefde, hij aan God kleeft.[47]
10. Dat de heiligen niets verliezen door het verlies van tijdelijke goederen.
Dit zijn de overwegingen die men in het oog moet houden, zodat men de vraag kan beantwoorden of er kwaad gebeurt aan de gelovigen en godvruchtigen dat niet in winst kan worden omgezet. Of zullen we zeggen dat de vraag overbodig is en dat de apostel aan het dwalen is als hij zegt: “Wij weten dat alle dingen meewerken ten goede voor hen die God liefhebben?”[48]
Zij verloren alles wat zij hadden. Hun geloof? Hun godsvrucht? De bezittingen van de verborgen mens van het hart, die in de ogen van God van grote waarde zijn?[49] Hebben zij deze verloren? Want dit is de rijkdom van de christenen, aan wie de rijke apostel[pagina 15] zei: “Godsvrucht met tevredenheid is een groot gewin. Want wij hebben niets in deze wereld meegebracht, en het is zeker dat wij niets kunnen meenemen. En als wij voedsel en kleding hebben, laten wij daar dan tevreden mee zijn. Maar zij die rijk willen worden, vallen in verzoeking en een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de liefde voor geld is de wortel van alle kwaad; die, terwijl sommigen ernaar verlangden, zij zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelf met vele smarten doorboord.”[50]
Zij die al hun wereldse bezittingen verloren in de plundering van Rome, zouden, als zij hun bezittingen zouden bezitten zoals de apostel hen had geleerd, die zelf arm was van buiten, maar rijk van binnen, dat wil zeggen, als zij de wereld zouden gebruiken alsof zij haar niet gebruikten, in de woorden van Job kunnen zeggen, zwaar op de proef gesteld, maar niet overwonnen: “Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. De Heer heeft gegeven, en de Heer heeft genomen; zoals het de Heer behaagd heeft, zo is het gebeurd; de naam van de Heer zij geloofd.”[51] Als een goede dienaar beschouwde Job de wil van zijn Heer als zijn grote bezit, waaraan zijn ziel door gehoorzaamheid verrijkt werd; het deed hem ook geen verdriet om, terwijl hij nog leefde, die goederen te verliezen die hij bij zijn dood spoedig moest achterlaten. Maar wat betreft die zwakkere geesten die, hoewel er niet gezegd kan worden dat ze aardse bezittingen boven Christus verkiezen, er toch met een enigszins buitensporige gehechtheid aan vastklampen, zij hebben door de pijn van het verliezen van deze dingen ontdekt hoezeer zij zondigden door ze lief te hebben. Want hun verdriet is van hun eigen maaksel; in de woorden van de hierboven geciteerde apostel: “zij hebben zichzelf doorboord met veel smarten.” Want het was goed dat zij die deze verbale vermaningen zo lang hadden veracht, de lering van de ervaring ontvingen. Want wanneer de apostel zegt: “Zij die rijk willen worden, vallen in verzoeking,” enzovoort, dan is wat hij aan rijkdommen toeschrijft niet het bezit ervan, maar het verlangen ernaar. Want ergens anders zegt hij: ‘Vermaan de rijken in deze wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn en hun vertrouwen niet stellen op onzekere rijkdom, maar op de levende God, die ons alles rijkelijk geeft om ervan te genieten; dat zij goed doen, dat zij rijk zijn in goede werken, bereidwillig om uit te delen, bereidwillig om mee te delen; dat zij voor zichzelf een voorraad aanleggen.[pagina 16] een goed fundament voor de toekomst, zodat zij het eeuwige leven kunnen grijpen.”[52] Zij die zo’n gebruik van hun eigendom maakten, zijn getroost voor lichte verliezen door grote winsten, en hebben meer plezier gehad in die bezittingen die ze veilig weggelegd hebben, door ze vrijwillig weg te geven, dan verdriet om die bezittingen die ze volledig verloren door een angstige en egoïstische hamstering ervan. Want niets zou op aarde kunnen vergaan, behalve wat ze zich zouden schamen om van de aarde mee te nemen. De opdracht van onze Heer luidt: “Verzamel voor uzelf geen schatten op aarde, waar mot en roest ze verderven, en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamel voor uzelf schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze verderven, en waar dieven niet inbreken of stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.”[53] En zij die naar dit bevel hebben geluisterd, hebben in de tijd van de verdrukking bewezen hoe goed zij waren geadviseerd om deze meest betrouwbare leraar en meest trouwe en machtige bewaker van hun schat niet te verachten. Want als velen blij waren dat hun schat was opgeslagen op plaatsen waar de vijand toevallig niet op stuitte, hoeveel beter gegrond was dan de vreugde van hen die, door de raad van hun God, met hun schat waren gevlucht naar een citadel die geen vijand onmogelijk kan bereiken! Zo onze Paulinus, bisschop van Nola,[54] die vrijwillig afstand deed van grote rijkdom en behoorlijk arm werd, hoewel overvloedig rijk in heiligheid, toen de barbaren Nola plunderden en hem gevangen namen, bad hij in stilte, zoals hij later tegen mij zei: “O Heer, laat mij niet bezorgd zijn over goud en zilver, want waar al mijn schatten zijn, weet U.” Want al zijn schatten waren waar hij geleerd had ze te verbergen en op te slaan door Hem die ook had voorspeld dat deze rampen in de wereld zouden gebeuren. Bijgevolg verloren die personen die hun Heer gehoorzaamden toen Hij hen waarschuwde waar en hoe ze schatten moesten bewaren, zelfs hun aardse bezittingen niet bij de invasie van de barbaren; terwijl zij die nu berouw tonen[pagina 17] dat zij Hem niet gehoorzaamden, hebben geleerd hoe zij aardse goederen op de juiste manier moeten gebruiken. Zo niet door de wijsheid die hun verlies had kunnen voorkomen, dan toch wel door de ervaring die daarop volgt.
Maar sommige goede en christelijke mannen zijn gemarteld, zodat ze gedwongen konden worden hun goederen aan de vijand af te staan. Ze konden inderdaad noch het goede afleveren, noch verliezen dat hen goed maakte. Als ze echter marteling verkozen boven het afstaan van de mammon van ongerechtigheid, dan zeg ik dat ze geen goede mannen waren. In plaats daarvan hadden ze eraan herinnerd moeten worden dat, als ze zo zwaar leden omwille van het geld, ze alle kwelling moesten verdragen, indien nodig, omwille van Christus; zodat ze geleerd zouden kunnen worden om Hem lief te hebben die verrijkt met eeuwige gelukzaligheid allen die voor Hem lijden, en niet zilver en goud, waarvoor het zielig was om te lijden, of ze het nu behielden door een leugen te vertellen, of het verloren door de waarheid te vertellen. Want onder deze martelingen verloor niemand Christus door Hem te belijden, niemand bewaarde rijkdom behalve door het bestaan ervan te ontkennen. Zodat mogelijk de marteling die hen leerde hun genegenheid te richten op een bezit dat ze niet konden verliezen, nuttiger was dan die bezittingen die, zonder enige nuttige vrucht, hun angstige eigenaren onrustig maakten en kwelden. Maar dan worden we eraan herinnerd dat sommigen werden gemarteld die geen rijkdom hadden om af te staan, maar die niet werden geloofd toen ze dat zeiden. Ook dezen hadden echter misschien een verlangen naar rijkdom en waren niet vrijwillig arm met een heilige berusting; en aan zulke mensen moest duidelijk worden gemaakt dat niet alleen het feitelijke bezit, maar ook het verlangen naar rijkdom, zulke ondraaglijke pijnen verdiende. En zelfs als ze verstoken waren van verborgen voorraden goud en zilver, omdat ze leefden in de hoop op een beter leven, – ik weet inderdaad niet of zo iemand werd gemarteld op de veronderstelling dat hij rijkdom had; maar als dat zo is, dan beleed hij zeker Christus door, toen hij de vraag werd gesteld, een heilige armoede te belijden. En hoewel het nauwelijks te verwachten was dat de barbaren hem zouden geloven, kon toch geen enkele biechtvader van heilige armoede gemarteld worden zonder een hemelse beloning te ontvangen.
Opnieuw zeggen ze dat de lange hongersnood menig christen te gronde richtte. Maar ook dit gebruikten de gelovigen voor goede doeleinden door het vroom te verdragen. Want degenen die door de hongersnood werden gedood, werden er direct door gedood.[pagina 18] gered van de kwalen van dit leven, zoals een milde ziekte dat zou hebben gedaan; en degenen die alleen maar honger leden, leerden om spaarzamer te leven en raakten gewend aan langer vasten.
11. Over het einde van dit leven, of het nu materieel is of dat het lang uitgesteld zal worden.
Maar, zo wordt eraan toegevoegd, veel christenen werden afgeslacht en op een afschuwelijke manier ter dood gebracht. Welnu, als dit moeilijk te verdragen is, is het zeker het gemeenschappelijke lot van allen die in dit leven geboren worden. Hiervan ben ik tenminste zeker, dat er nog nooit iemand is gestorven die niet voorbestemd was om op een gegeven moment te sterven. Nu stelt het einde van het leven het langste leven gelijk aan het kortste. Want van twee dingen die op elkaar zijn opgehouden te bestaan, is de ene niet beter, de andere slechter – de ene groter, de andere kleiner.[55] En wat heeft het voor zin welke dood een einde maakt aan het leven, aangezien hij die eenmaal gestorven is niet gedwongen wordt dezelfde beproeving een tweede keer te ondergaan? En aangezien in de dagelijkse slachtoffers van het leven ieder mens als het ware bedreigd wordt met talloze doden, zolang het onzeker blijft welke van hen zijn lot is, zou ik willen vragen of het niet beter is om er één te lijden en te sterven, dan te leven in angst voor alle doden? Ik ben niet onkundig van de armzalige angst die ons ertoe aanzet om liever lang te leven in angst voor zoveel doden, dan om één keer te sterven en zo aan alle doden te ontsnappen; maar het zwakke en laffe krimpen van het vlees is één ding, en de weloverwogen en redelijke overtuiging van de ziel iets heel anders. Dat de dood niet als een kwaad beoordeeld moet worden, wat het einde is van een goed leven; want de dood wordt alleen kwaad door de vergelding die erop volgt. Zij die voorbestemd zijn om te sterven, hoeven zich dus niet af te vragen welke dood zij zullen sterven, maar naar welke plaats de dood hen zal leiden. En aangezien christenen zich er terdege van bewust zijn dat de dood van de godvruchtige arme man wiens zweren door de honden werden gelikt, veel beter was dan die van de slechte rijke man die in purper en fijn linnen lag, wat voor kwaad zouden deze verschrikkelijke sterfgevallen dan kunnen doen aan de doden die goed hadden geleefd?
[pagina 19]
12. Over het begraven van de doden: dat het onthouden daarvan aan christenen hun geen kwaad doet.[56]
Verder worden we eraan herinnerd dat in zo’n bloedbad als toen plaatsvond, de lichamen zelfs niet begraven konden worden. Maar goddelijk vertrouwen wordt niet geschokt door zo’n onheilspellende omstandigheid; want de gelovigen houden in gedachten dat de verzekering is gegeven dat geen haar van hun hoofd zal vergaan, en dat daarom, hoewel ze zelfs door beesten worden verslonden, hun gezegende opstanding hierdoor niet zal worden verhinderd. De Waarheid zou op geen enkele manier hebben gezegd: “Vrees niet hen die het lichaam doden, maar niet in staat zijn de ziel te doden,”[57] als er iets is wat een vijand aan het lichaam van de gedode zou kunnen doen, wat schadelijk zou kunnen zijn voor het toekomstige leven. Of zal iemand misschien zo’n absurd standpunt innemen om te beweren dat degenen die het lichaam doden niet gevreesd moeten worden vóór de dood, en opdat zij het lichaam niet doden, maar na de dood, opdat zij het niet van begrafenis beroven? Als dit zo is, dan is datgene wat Christus zegt, onjuist: “Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, en daarna niets meer kunnen doen;”[58] want het lijkt erop dat ze het dode lichaam grote schade kunnen toebrengen. Het zij verre van ons om te veronderstellen dat de Waarheid zo vals kan zijn. Van hen die het lichaam doden wordt gezegd dat ze “iets doen”, omdat de doodsklap wordt gevoeld, het lichaam nog steeds gevoel heeft; maar daarna kunnen ze niets meer doen, want in het gedode lichaam is geen gevoel. En zo liggen er inderdaad veel lichamen van christenen onbegraven; maar niemand heeft ze gescheiden van de hemel, noch van die aarde die helemaal gevuld is met de aanwezigheid van Hem die weet waar Hij weer zal opstaan wat Hij heeft geschapen. Er wordt inderdaad in de Psalm gezegd: “De dode lichamen van Uw dienaren hebben zij tot voedsel gegeven aan de vogels des hemels, het vlees van Uw heiligen aan de beesten der aarde. Hun bloed hebben zij vergoten als water rondom Jeruzalem; en er was niemand om ze te begraven.”[59] Maar dit werd eerder gezegd om de wreedheid van hen die deze dingen deden te tonen, dan de ellende van hen die ze ondergingen. In de ogen van de mensen lijkt dit een hard en treurig lot, maar “kostbaar in de ogen van de Heer is de dood van Zijn heiligen.”[pagina 20][60] Daarom zijn al deze laatste ambten en ceremonies die de doden betreffen, de zorgvuldige begrafenisregelingen, en de uitrusting van het graf, en de pracht van de begrafenissen, eerder de troost van de levenden dan de troost van de doden. Als een kostbare begrafenis enig goed doet aan een slecht mens, kan een smerige begrafenis, of helemaal geen begrafenis, de godvruchtigen schaden. Zijn menigte bedienden voorzag de in het purper geklede Dives van een begrafenis die schitterend was in de ogen van de mens; maar in de ogen van God was dat een weelderigere begrafenis die de verwende arme ontving uit de handen van de engelen, die hem niet naar een marmeren graf droegen, maar hem omhoog droegen naar Abrahams boezem.
De mannen tegen wie ik de verdediging van de stad van God op mij heb genomen, lachen om dit alles. Maar zelfs hun eigen filosofen[61] hebben een zorgvuldige begrafenis veracht; en vaak hebben hele legers gevochten en zijn gevallen voor hun aardse vaderland zonder zich te bekommeren om de vraag of ze onbeschermd op het slagveld zouden worden achtergelaten, of het voedsel van wilde beesten zouden worden. Over deze nobele minachting voor de begrafenis heeft de poëzie terecht gezegd: “Hij die geen graf heeft, heeft de hemel als zijn gewelf.”[62] Hoeveel te minder zouden zij de onbegraven lichamen van christenen moeten beledigen, aan wie is beloofd dat het vlees zelf zal worden hersteld en het lichaam opnieuw zal worden gevormd, waarbij alle ledematen ervan niet alleen uit de aarde zullen worden verzameld, maar ook uit de meest geheime schuilhoeken van alle andere elementen waarin de dode lichamen van mensen verborgen hebben gelegen!
13. Redenen om de lichamen van heiligen te begraven.
Niettemin zijn de lichamen van de doden om deze reden niet te verachten en onbegraven te laten; allerminst de lichamen van de rechtvaardigen en gelovigen, die door de Heilige Geest zijn gebruikt als Zijn organen en instrumenten voor alle goede werken. Want als de kleding van een vader, of zijn ring, of iets dat hij droeg, kostbaar is voor zijn kinderen, in verhouding tot de liefde die zij hem toedroegen, met hoeveel te meer reden zouden wij dan moeten zorgen voor[pagina 21] de lichamen van hen die wij liefhebben, die zij veel nauwer en intiemer droegen dan welke kleding dan ook! Want het lichaam is geen vreemd sieraad of hulpmiddel, maar een deel van de menselijke natuur. En daarom werden aan de rechtvaardigen van vroeger de laatste ambten vroom verleend, en werden er graven voor hen voorzien, en werden er uitvaarten gevierd;[63] en zijzelf gaven, terwijl ze nog leefden, hun zonen bevelen over de begrafenis en, bij gelegenheid, zelfs over het verplaatsen van hun lichamen naar een favoriete plek.[64] En Tobit wordt, volgens het getuigenis van de engel, geprezen en er wordt gezegd dat hij God behaagde door de doden te begraven.[65] Ook onze Heer Zelf, hoewel Hij op de derde dag zou opstaan, applaudisseert en prijst het goede werk van de religieuze vrouw die kostbare zalf over Zijn ledematen uitgoot en dat deed tegen Zijn begrafenis, aan onze bijval.[66] En het Evangelie spreekt met lof over hen die zorgvuldig zijn lichaam van het kruis hebben gehaald, het liefdevol in kostbare doeken hebben gewikkeld en voor de begrafenis hebben gezorgd.[67] Deze voorbeelden bewijzen zeker niet dat lijken enig gevoel hebben; maar ze laten zien dat Gods voorzienigheid zich zelfs uitstrekt tot de lichamen van de doden, en dat zulke vrome ambten Hem welgevallig zijn, zoals het koesteren van het geloof in de opstanding. En we kunnen er ook deze gezonde les uit trekken, dat als God zelfs geen enkel soort ambt vergeet dat liefdevolle zorg aan de onbewuste doden betoont, Hij des te meer de liefdadigheid beloont die wij jegens de levenden uitoefenen. Andere dingen, inderdaad, die de heilige patriarchen zeiden over de begrafenis en het wegnemen van hun lichamen, bedoelden ze in een profetische zin; maar daarover hoeven we hier niet uitgebreid te spreken, aangezien wat we al hebben gezegd voldoende is. Maar als het ontbreken van die dingen die nodig zijn voor het onderhoud van de levenden, zoals voedsel en kleding, hoewel pijnlijk en beproevend, de kracht en deugdzame volharding van goede mensen niet breekt, noch de vroomheid uit hun zielen uitroeit, maar deze juist vruchtbaarder maakt, hoeveel minder kan dan de afwezigheid van de begrafenis en van de andere gebruikelijke aandacht die aan de doden wordt besteed, hen ellendig maken die al rusten in de verborgen verblijfplaatsen van de gezegenden! Bijgevolg, hoewel in de plundering van Rome en van andere steden de doden[pagina 22] Als de lichamen van de christenen van deze laatste ambten beroofd werden, is dit niet de schuld van de levenden, want zij konden ze niet vervullen. Ook is dit geen straf voor de doden, want zij kunnen het verlies niet voelen.
14. Over de gevangenschap van de heiligen, en dat de goddelijke vertroosting hen daarin nooit in de steek liet.
Maar, zeggen ze, veel christenen werden zelfs gevangen weggevoerd. Dat zou inderdaad een zeer beklagenswaardig lot zijn, als ze weggevoerd konden worden naar een plaats waar ze hun God niet konden vinden. Maar voor deze ramp biedt ook de Heilige Schrift grote troost. De drie jongelingen[68] waren gevangenen; Daniël was een gevangene; zo waren ook andere profeten; en God, de Trooster, liet hun niet in de steek. En op dezelfde wijze heeft Hij Zijn eigen volk niet in de steek gelaten in de macht van een volk dat, hoewel barbaars, toch menselijk is,—Hij die de profeet niet in de steek liet[69] in de buik van een monster. Deze dingen worden inderdaad belachelijk gemaakt in plaats van geloofd door degenen met wie we debatteren; hoewel ze geloven wat ze in hun eigen boeken lezen, dat Arion van Methymna, de beroemde lyricus,[70] toen hij overboord werd gegooid, werd hij op de rug van een dolfijn ontvangen en naar het land gebracht. Maar dat verhaal van ons over de profeet Jona is veel ongelooflijker, — ongelooflijker omdat het wonderbaarlijker is, en wonderbaarlijker omdat het een grotere demonstratie van macht is.
15. Van Regulus, bij wie we een voorbeeld vinden van het vrijwillig verdragen van gevangenschap ter wille van de godsdienst; wat hem toch geen voordeel opleverde, hoewel hij een aanbidder van de goden was.
Maar onder hun eigen beroemde mannen hebben ze een zeer nobel voorbeeld van het vrijwillig verdragen van gevangenschap in gehoorzaamheid aan een religieus geweten. Marcus Attilius Regulus, een Romeinse generaal, was een gevangene in de handen van de Carthagers. Maar zij, die er meer op gebrand waren hun gevangenen met de Romeinen te ruilen dan ze te houden, stuurden Regulus als een speciale gezant met hun eigen ambassadeurs om deze ruil te onderhandelen, maar bonden hem eerst met een eed, dat als hij er niet in slaagde hun wens te vervullen, hij zou terugkeren naar Carthago. Hij ging, en overtuigde de senaat tot de tegenovergestelde koers, omdat hij[pagina 23] geloofde dat het niet in het voordeel van de Romeinse republiek was om een uitwisseling van gevangenen te doen. Nadat hij zo zijn invloed had uitgeoefend, dwongen de Romeinen hem niet om terug te keren naar de vijand; maar wat hij had gezworen, voerde hij vrijwillig uit. Maar de Carthagers doodden hem met verfijnde, uitgebreide en afschuwelijke martelingen. Ze sloten hem op in een smalle doos, waarin hij gedwongen werd te staan, en waarin fijn geslepen spijkers rondom hem waren bevestigd, zodat hij niet op enig deel ervan kon leunen zonder intense pijn; en dus doodden ze hem door hem van zijn slaap te beroven.[71] Met recht juichen zij inderdaad de deugd toe die boven zo’n vreselijk lot uitsteeg. De goden bij wie hij zwoer waren echter degenen die nu geacht worden het verbod op hun aanbidding te wreken door deze huidige calamiteiten aan het menselijk ras toe te brengen. Maar als deze goden, die speciaal in dit opzicht werden aanbeden, zodat ze geluk in dit leven konden brengen, wilden of toelieten dat deze straffen werden opgelegd aan iemand die zijn eed aan hen hield, welke wreedere straf zouden ze dan in hun woede aan een meineedpleger hebben kunnen opleggen? Maar waarom mag ik uit mijn redenering geen dubbele gevolgtrekking maken? Regulus had zeker zo’n ontzag voor de goden, dat hij omwille van zijn eed noch in zijn eigen land zou blijven, noch ergens anders heen zou gaan, maar zonder aarzelen naar zijn bitterste vijanden zou terugkeren. Als hij dacht dat deze handelwijze voordelig zou zijn met betrekking tot dit huidige leven, dan was hij zeker erg bedrogen, want het bracht zijn leven tot een vreselijk einde. Door zijn eigen voorbeeld leerde hij in feite dat de goden het tijdelijke geluk van hun aanbidders niet veiligstellen; aangezien hijzelf, die toegewijd was aan hun aanbidding, zowel in de strijd werd overwonnen als gevangen werd genomen, en toen, omdat hij weigerde te handelen in strijd met de eed die hij bij hen had gezworen, werd gemarteld en ter dood werd gebracht door een nieuwe, tot nu toe ongehoorde, en al te afschuwelijke soort straf. En op de veronderstelling dat de aanbidders van de goden worden beloond met geluk in het hiernamaals, waarom belasteren ze dan de invloed van het christendom? waarom beweren ze dat dit[pagina 24] ramp heeft de stad getroffen omdat ze is opgehouden haar goden te aanbidden, want, hoe ijverig ze ook moge aanbidden, ze kan toch net zo ongelukkig zijn als Regulus was? Of zal iemand zo’n wonderbaarlijke blindheid dragen tot het punt dat hij in het aangezicht van de evidente waarheid wild probeert te beweren dat hoewel één man ongelukkig kan zijn, hoewel een aanbidder van de goden, een hele stad dat niet kan zijn? Dat wil zeggen, de macht van hun goden is beter geschikt om menigten te behouden dan individuen, – alsof een menigte niet uit individuen zou bestaan.
Maar als ze zeggen dat M. Regulus, zelfs terwijl hij gevangen zat en deze lichamelijke kwellingen onderging, toch de zegen van een deugdzame ziel zou kunnen genieten,[72] laten ze dan die ware deugd erkennen waardoor ook een stad gezegend kan worden. Want de zegen van een gemeenschap en van een individu vloeien voort uit dezelfde bron; want een gemeenschap is niets anders dan een harmonieuze verzameling individuen. Zodat ik in de tussentijd niet bezig ben met het bespreken van wat voor soort deugd Regulus bezat: genoeg, dat ze door zijn zeer nobele voorbeeld gedwongen worden te erkennen dat de goden niet aanbeden moeten worden ter wille van lichamelijk comfort of externe voordelen; want hij gaf er de voorkeur aan al zulke dingen te verliezen in plaats van de goden te beledigen bij wie hij had gezworen. Maar wat kunnen we maken van mensen die er prat op gaan zo’n burger te hebben, maar bang zijn om een stad als hij te hebben? Als ze dit niet vrezen, laten ze dan erkennen dat een dergelijke ramp zoals Regulus overkwam ook een gemeenschap kan overkomen, hoewel ze hun goden net zo ijverig aanbidden als hij; en laten ze de schuld van hun ongelukken niet langer op het christendom schuiven. Maar aangezien onze huidige zorg betrekking heeft op de christenen die gevangen zijn genomen, moeten zij die deze ramp aangrijpen om onze meest heilzame religie op een manier te beschimpen die niet minder onvoorzichtig dan brutaal is, dit overwegen en hun mond houden. Want als het geen schande was voor hun goden dat een zeer nauwgezette aanbidder van hen, om zijn eed aan hen te houden, van zijn geboorteland werd beroofd zonder hoop een ander te vinden, en in handen viel van zijn vijanden, en ter dood werd gebracht door een langdurige en verfijnde marteling, laat staan dat de[pagina 25] De christelijke naam moet worden beschuldigd van de gevangenschap van hen die in de kracht ervan geloven, omdat zij, in de volle verwachting van een hemels vaderland, weten dat zij zelfs in hun eigen huizen pelgrims zijn.
16. Over de schending van de gewijde en andere christelijke maagden waaraan zij in gevangenschap werden onderworpen, en waaraan zij zelf geen toestemming gaven; en of dit hun zielen verontreinigde.
Maar zij denken dat zij een afdoende aanklacht tegen het christendom inbrengen, wanneer zij de verschrikking van gevangenschap verergeren door eraan toe te voegen dat niet alleen vrouwen en ongehuwde maagden, maar zelfs gewijde maagden, geschonden werden. Maar werkelijk, met betrekking tot dit is het niet het christelijk geloof, noch de vroomheid, noch zelfs de deugd van kuisheid, die in enige moeilijkheid is gevat: de enige moeilijkheid is om het onderwerp zo te behandelen dat het zowel de bescheidenheid als de rede bevredigt. En bij het bespreken ervan zullen wij niet zo zorgvuldig zijn om onze beschuldigers te antwoorden als om onze vrienden te troosten. Laat dit daarom in de eerste plaats worden neergelegd als een onaantastbaar standpunt, dat de deugd die het leven goed maakt haar troon heeft in de ziel, en vandaar de leden van het lichaam regeert, dat heilig wordt in de kracht van de heiligheid van de wil; en dat zolang de wil vast en onwankelbaar blijft, niets dat een ander persoon met het lichaam doet, of aan het lichaam, enige fout is van de persoon die het lijdt, zolang hij er niet aan kan ontsnappen zonder zonde. Maar aangezien niet alleen pijn kan worden toegebracht, maar ook lust kan worden bevredigd aan het lichaam van een ander, wanneer zoiets gebeurt, dan dringt schaamte zich op, zelfs in een volkomen zuivere geest die de bescheidenheid niet heeft verlaten. Schaamte, opdat niet zou worden aangenomen dat de daad die niet kon worden ondergaan zonder enig zinnelijk genot, ook met enige instemming van de wil is begaan.
17. Van zelfmoord gepleegd uit angst voor straf of oneer.
En bijgevolg, zelfs als sommige van deze maagden zelfmoord zouden plegen om zo’n schande te vermijden, wie die enig menselijk gevoel heeft, zou weigeren hen te vergeven? En wat betreft degenen die geen einde aan hun leven zouden maken, opdat zij niet zouden lijken te ontsnappen aan de misdaad van een ander door een zonde van henzelf, hij die dit hun ten laste legt als een grote slechtheid is zelf niet onschuldig aan de schuld van dwaasheid. Want als het niet geoorloofd is om de wet te nemen[pagina 26] in onze eigen handen, en zelfs een schuldige persoon doden, wiens dood geen openbare straf heeft gerechtvaardigd, dan is hij die zichzelf doodt zeker een moordenaar, en des te schuldiger aan zijn eigen dood, omdat hij onschuldiger was aan die overtreding waarvoor hij zichzelf tot de dood veroordeelde. Vervloeken wij terecht de daad van Judas, en spreekt de waarheid zelf uit dat hij door zichzelf op te hangen de schuld van dat meest onrechtvaardige verraad eerder verergerde dan verzoende, aangezien hij, door te wanhopen aan Gods genade in zijn verdriet dat de dood veroorzaakte, zichzelf geen plaats overliet voor een helende boetedoening? Hoeveel te meer zou hij zich moeten onthouden van het gewelddadig op zichzelf slaan van degene die niets heeft gedaan dat zo’n straf verdient! Want Judas, toen hij zichzelf doodde, doodde een goddeloze man; maar hij ging uit dit leven weg, niet alleen beschuldigd van de dood van Christus, maar ook van zijn eigen dood: want hoewel hij zichzelf doodde vanwege zijn misdaad, was zijn zelfmoord een andere misdaad. Waarom zou iemand die geen kwaad heeft gedaan, zichzelf kwaad doen? Waarom zou hij door zelfmoord een onschuldige doden om aan de schuldige daad van een ander te ontkomen? En waarom zou hij zichzelf een zonde aandoen, zodat de zonde van een ander hem niet kan worden aangedaan?
18. Over het geweld dat door de lust van een ander aan het lichaam kan worden aangedaan, terwijl de geest onaangetast blijft.
Maar is er een angst dat zelfs de lust van een ander de geschondene kan verontreinigen? Het zal niet verontreinigen, als het van een ander is: als het verontreinigt, is het niet van een ander, maar wordt het ook gedeeld door de verontreinigde. Maar aangezien zuiverheid een deugd van de ziel is, en als metgezel de kracht heeft die liever alle kwalen zal verdragen dan in te stemmen met het kwaad; en aangezien niemand, hoe grootmoedig en zuiver ook, altijd de beschikking heeft over zijn eigen lichaam, maar alleen de instemming en weigering van zijn wil kan beheersen, welke gezonde mens kan dan veronderstellen dat, als zijn lichaam wordt gegrepen en met geweld wordt gebruikt om de lust van een ander te bevredigen, hij daardoor zijn zuiverheid verliest? Want als zuiverheid op deze manier kan worden vernietigd, dan is zuiverheid zeker geen deugd van de ziel; noch kan het worden gerekend tot die goede dingen waardoor het leven goed wordt gemaakt, maar tot de goede dingen van het lichaam, in dezelfde categorie als kracht, schoonheid, gezonde en ongebroken gezondheid, en, kortom, al zulke goede dingen die kunnen worden verminderd zonder de goedheid en rechtschapenheid van ons leven op enigerlei wijze te verminderen. Maar als zuiverheid[pagina 27] niets beter zijn dan deze, waarom zou het lichaam dan in gevaar gebracht worden om bewaard te worden? Als het daarentegen aan de ziel toebehoort, dan is het zelfs niet verloren wanneer het lichaam geschonden wordt. Meer nog, de deugd van heilige onthouding, wanneer het de onreinheid van vleselijke lusten weerstaat, heiligt zelfs het lichaam, en daarom, wanneer deze onthouding onoverwonnen blijft, wordt zelfs de heiligheid van het lichaam bewaard, omdat de wil om het heilig te gebruiken blijft, en, voor zover het in het lichaam zelf ligt, ook de kracht.
Want de heiligheid van het lichaam bestaat niet in de integriteit van zijn leden, noch in hun vrijstelling van alle aanraking; want ze worden blootgesteld aan verschillende ongelukken die hen geweld aandoen en verwonden, en de chirurgen die verlichting bieden, voeren vaak operaties uit die de toeschouwer ziek maken. Stel dat een vroedvrouw (hetzij kwaadwillig of per ongeluk, of door onkunde) de maagdelijkheid van een meisje heeft vernietigd, terwijl ze probeerde deze vast te stellen: ik veronderstel dat niemand zo dwaas is om te geloven dat de maagd door deze vernietiging van de integriteit van één orgaan zelfs maar iets van haar lichamelijke heiligheid heeft verloren. En zo, zolang de ziel deze vastberadenheid behoudt die zelfs het lichaam heiligt, maakt het geweld dat wordt aangericht door de lust van een ander geen indruk op deze lichamelijke heiligheid, die intact wordt gehouden door iemands eigen aanhoudende zelfbeheersing. Stel dat een maagd de eed die ze aan God heeft gezworen schendt en haar verleider tegemoet gaat met de bedoeling zich aan hem over te geven, zullen we dan zeggen dat ze, terwijl ze gaat, zelfs lichamelijke heiligheid bezit, terwijl ze al die heiligheid van de ziel die het lichaam heiligt, heeft verloren en vernietigd? Het zij verre van ons om woorden zo verkeerd toe te passen. Laten we liever deze conclusie trekken, dat terwijl de heiligheid van de ziel blijft, zelfs wanneer het lichaam wordt geschonden, de heiligheid van het lichaam niet verloren gaat; en dat op dezelfde manier de heiligheid van het lichaam verloren gaat wanneer de heiligheid van de ziel wordt geschonden, hoewel het lichaam zelf intact blijft. En daarom heeft een vrouw die is geschonden door de zonde van een ander, en zonder enige toestemming van haarzelf, geen reden om zichzelf ter dood te brengen; laat staan dat ze reden heeft om zelfmoord te plegen om zo’n schending te voorkomen, want in dat geval pleegt ze een zekere doodslag om een misdaad te voorkomen die nog onzeker is, en niet haar eigen.
[pagina 28]
19. Van Lucretia, die een einde aan haar leven maakte vanwege de schande die haar was aangedaan.
Dit is dus ons standpunt, en het lijkt voldoende helder. Wij beweren dat wanneer een vrouw wordt geschonden terwijl haar ziel niet toegeeft in te stemmen met de ongerechtigheid, maar onschendbaar kuis blijft, de zonde niet van haar is, maar van hem die haar schendt. Maar durven zij tegen wie wij niet alleen de zielen, maar ook de heilige lichamen van deze verontwaardigde christelijke gevangenen moeten verdedigen, onze positie misschien te betwisten? Maar allen weten hoe luid zij de zuiverheid van Lucretia, die edele matrone van het oude Rome, prijzen. Toen de zoon van koning Tarquinius haar lichaam had geschonden, maakte zij de slechtheid van deze jonge losbandige bekend aan haar echtgenoot Collatinus en aan haar bloedverwant Brutus, mannen van hoge rang en vol moed, en verbond hen door een eed om het te wreken. Toen, ziek van hart en niet in staat om de schande te verdragen, maakte zij een einde aan haar leven. Hoe zullen we haar noemen? Een overspeelster of kuis? Het is geen vraag welke zij was. Niet gelukkiger dan waar zei een declamator over deze treurige gebeurtenis: “Hier was een wonder: er waren er twee, en slechts één pleegde overspel.” Zeer krachtig en waar gesproken. Want deze declamator, die in de vereniging van de twee lichamen de vuile lust van de ene en de kuise wil van de andere ziet, en geen acht slaat op het contact van de lichaamsdelen, maar op de grote verscheidenheid van hun zielen, zegt: “Er waren er twee, maar het overspel werd slechts door één gepleegd.”
Maar hoe komt het dat zij die geen deelgenoot was van de misdaad de zwaarste straf van de twee draagt? Want de overspelige werd alleen verbannen met zijn vader; zij onderging de extreme straf. Als dat geen onreinheid was waardoor zij onvrijwillig werd verkracht, dan is dit geen gerechtigheid waardoor zij, kuis zijnde, wordt gestraft. Ik doe een beroep op u, gij wetten en rechters van Rome. Zelfs na het plegen van grote gruweldaden, laat u de misdadiger niet ongestraft doden. Als iemand dan deze zaak voor uw rechtbank zou brengen en u zou bewijzen dat een vrouw niet alleen ongestraft, maar ook kuis en onschuldig, was gedood, zou u de moordenaar dan niet met een evenredig zware straf treffen? Deze misdaad werd begaan door Lucretia; die Lucretia zo gevierd en geprezen doodde de onschuldige, kuise, verontwaardigde Lucretia. Spreek het vonnis uit. Maar als u dat niet kunt, omdat er geen[pagina 29] vergelijk iemand die je kunt straffen, waarom prijs je dan met zo’n onmetelijke lof haar die een onschuldige en kuise vrouw heeft vermoord? Je zult het zeker onmogelijk vinden om haar te verdedigen voor de rechters van de lagere rijken, als die zo zijn als jouw dichters hen graag voorstellen; want zij is een van degenen
“Die zichzelf onschuldig naar de ondergang hebben gezonden,
En dat allemaal uit afschuw van de dag,
In waanzin hebben ze hun leven weggegooid.”
En als zij met de anderen terug wil keren,
“Het lot verspert de weg: rond hun fort
De langzame, onaantrekkelijke wateren kruipen,
En bind hem vast met een negenvoudige ketting.”[73]
Of misschien is ze er niet, omdat ze zichzelf doodde in het besef van schuld, niet van onschuld? Zijzelf alleen kent haar reden; maar wat als ze verraden werd door het genoegen van de daad, en Sextus toestemming gaf, hoewel hij haar zo heftig mishandelde, en toen zo berouwvol werd, dat ze dacht dat alleen de dood haar zonde kon verzoenen? Zelfs als dit het geval was, had ze toch haar hand moeten afhouden van zelfmoord, als ze met haar valse goden een vruchtbaar berouw had kunnen bewerkstelligen. Als dit echter de stand van zaken was, en als het onjuist was dat er twee waren, maar slechts één overspel pleegde; als de waarheid was dat beiden erbij betrokken waren, de een door openlijke aanval, de ander met geheime toestemming, dan heeft ze geen onschuldige vrouw gedood; en daarom kunnen haar erudiete verdedigers volhouden dat ze niet tot die klasse van de bewoners beneden behoort “die zichzelf onschuldig naar het verderf stuurden.” Maar dit geval van Lucretia verkeert in zo’n dilemma dat als je de moord verzacht, je het overspel bevestigt; als je haar vrijspreekt van overspel, maak je de aanklacht van moord zwaarder; en er is geen uitweg uit het dilemma als men zich afvraagt: Als ze overspel pleegde, waarom haar dan prijzen? Als ze kuis was, waarom haar dan doden?
Niettemin, voor ons doel om degenen te weerleggen die niet in staat zijn te begrijpen wat ware heiligheid is, en die daarom onze verontwaardigde christelijke vrouwen beledigen, is het voldoende dat in het geval van deze nobele Romeinse matrone in haar[pagina 30] lof, “Er waren er twee, maar het overspel was de misdaad van slechts één.” Want Lucretia werd vol vertrouwen verondersteld superieur te zijn aan de besmetting van elke instemmende gedachte aan het overspel. En dienovereenkomstig, aangezien ze zelfmoord pleegde omdat ze werd onderworpen aan een schanddaad waaraan ze geen schuldige rol had, is het duidelijk dat deze daad van haar niet werd ingegeven door de liefde voor zuiverheid, maar door de overweldigende last van haar schaamte. Ze schaamde zich dat er zo’n afschuwelijke misdaad tegen haar was gepleegd, hoewel zonder haar medeplichtigheid; en deze matrone, met de Romeinse liefde voor glorie in haar aderen, werd bevangen door een trotse angst dat, als ze bleef leven, zou worden verondersteld dat ze het onrecht dat haar was aangedaan, vrijwillig niet verafschuwde. Ze kon haar geweten niet aan mannen tonen, maar ze oordeelde dat haar zelfopgelegde straf haar gemoedstoestand zou getuigen; en ze brandde van schaamte bij de gedachte dat haar geduldige verdraagzaamheid van de afschuwelijke belediging die een ander haar had aangedaan, zou worden uitgelegd als medeplichtigheid met hem. Niet zo’n beslissing was het besluit van de christelijke vrouwen die net als zij leden en toch overleefden. Ze weigerden de schuld van anderen op zichzelf te wreken en voegden zo hun eigen misdaden toe aan die misdaden waaraan ze geen deel hadden. Want dit zouden ze gedaan hebben als hun schaamte hen tot moord had gedreven, zoals de lust van hun vijanden hen tot overspel had gedreven. In hun eigen ziel, in het getuigenis van hun eigen geweten, genieten ze de glorie van kuisheid. Ook in de ogen van God worden ze als rein beschouwd en dat stelt hen tevreden; ze vragen niet meer: het is voldoende dat ze de gelegenheid hebben om goed te doen en ze weigeren de nood van menselijk wantrouwen te ontlopen, opdat ze daardoor niet afwijken van de goddelijke wet.
20. Dat christenen onder geen enkele omstandigheid de bevoegdheid hebben om zelfmoord te plegen.
Het is niet zonder betekenis dat er in geen enkele passage van de heilige canonieke boeken een goddelijk voorschrift of toestemming te vinden is om ons eigen leven te nemen, hetzij om het genot van onsterfelijkheid te betreden, hetzij om iets te mijden of om onszelf van wat dan ook te ontdoen. Nee, de wet, correct geïnterpreteerd, verbiedt zelfs zelfmoord, waar het zegt: “Gij zult niet doden.” Dit wordt met name bewezen door de[pagina 31] weglating van de woorden “uw naaste”, die worden ingevoegd wanneer valse getuigenis verboden is: “Gij zult geen valse getuigenis afleggen tegen uw naaste.” En ook zou niemand om deze reden moeten veronderstellen dat hij dit gebod niet heeft overtreden als hij alleen valse getuigenis heeft afgelegd tegen zichzelf. Want de liefde voor onze naaste wordt gereguleerd door de liefde voor onszelf, zoals er staat geschreven: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Als dan hij die valse uitspraken over zichzelf doet niet minder schuldig is aan het afleggen van valse getuigenissen dan wanneer hij ze had gedaan ten nadele van zijn naaste; hoewel in het gebod dat valse getuigenissen verbiedt alleen zijn naaste wordt genoemd, en mensen die geen moeite doen om het te begrijpen, zouden kunnen veronderstellen dat een man een valse getuige van zijn eigen schade mocht zijn; hoeveel meer reden hebben we dan om te begrijpen dat een man zichzelf niet mag doden, aangezien in het gebod “Gij zult niet doden” geen beperking is toegevoegd of enige uitzondering is gemaakt ten gunste van iemand, en het minst ten gunste van hem aan wie het gebod is opgelegd! En zo proberen sommigen dit gebod zelfs uit te breiden tot dieren en vee, alsof het ons verbiedt om leven te nemen van enig schepsel. Maar als dat zo is, waarom breiden we het dan niet ook uit tot de planten en alles wat geworteld is in en gevoed wordt door de aarde? Want hoewel deze klasse van schepselen geen gevoel heeft, wordt er toch gezegd dat ze leven, en bijgevolg kunnen ze sterven; en daarom, als er geweld tegen hen wordt gedaan, kunnen ze gedood worden. Zo zegt ook de apostel, wanneer hij spreekt over de zaden van zulke dingen als deze, “Dat wat gij zaait, wordt niet levend gemaakt, tenzij het sterft;” en in de Psalm wordt gezegd, “Hij doodde hun wijnstokken met hagel.” Moeten we het daarom beschouwen als een overtreding van dit gebod, “Gij zult niet doden,” om een bloem te plukken? Zijn we zo krankzinnig om de dwaze dwaling van de Manicheeërs te tolereren? Als we deze geraaskal dan even terzijde laten, als we, wanneer we zeggen: Gij zult niet doden, dit niet begrijpen van de planten, aangezien zij geen gevoel hebben, noch van de irrationele dieren die vliegen, zwemmen, lopen of kruipen, aangezien zij van ons gescheiden zijn door hun gebrek aan rede, en daarom door de rechtvaardige aanstelling van de Schepper aan ons onderworpen zijn om te doden of in leven te houden voor ons eigen gebruik; als dat zo is, dan blijft het zo dat we dat gebod eenvoudigweg van de mens begrijpen. Het gebod is: “Gij zult de mens niet doden;” daarom is noch een ander noch een[pagina 32] uzelf, want wie zichzelf doodt, doodt nog steeds niets anders dan de mens.
21. Van de gevallen waarin we mensen ter dood kunnen brengen zonder dat ze schuldig worden bevonden aan moord.
Er zijn echter enkele uitzonderingen gemaakt door de goddelijke autoriteit op haar eigen wet, dat mensen niet ter dood gebracht mogen worden. Deze uitzonderingen zijn van twee soorten, gerechtvaardigd door een algemene wet, of door een speciale opdracht die voor een bepaalde tijd aan een individu is verleend. En in dit laatste geval is hij aan wie autoriteit is gedelegeerd, en die slechts het zwaard is in de hand van hem die het gebruikt, niet zelf verantwoordelijk voor de dood die hij toebrengt. En dienovereenkomstig hebben zij die oorlog hebben gevoerd in gehoorzaamheid aan het goddelijke bevel, of in overeenstemming met Zijn wetten, in hun persoon de publieke rechtvaardigheid of de wijsheid van de regering vertegenwoordigd, en in deze hoedanigheid hebben ze slechte mensen ter dood gebracht; zulke personen hebben op geen enkele manier het gebod overtreden: “Gij zult niet doden.” Abraham werd inderdaad niet alleen onschuldig geacht aan wreedheid, maar werd zelfs geprezen om zijn vroomheid, omdat hij bereid was zijn zoon te doden in gehoorzaamheid aan God, niet aan zijn eigen passie. En het is redelijkerwijs een vraag of wij het moeten beschouwen als in overeenstemming met een bevel van God dat Jefta zijn dochter doodde, omdat zij hem ontmoette toen hij had gezworen dat hij aan God zou offeren wat hem het eerst zou ontmoeten als hij als overwinnaar uit de strijd terugkeerde. Ook Simson, die het huis op zichzelf en zijn vijanden samen neerhaalde, wordt alleen gerechtvaardigd op deze grond, dat de Geest die wonderen door hem verrichtte, hem geheime instructies had gegeven om dit te doen. Met uitzondering van deze twee soorten gevallen, die gerechtvaardigd worden door een rechtvaardige wet die algemeen van toepassing is, of door een speciale mededeling van God Zelf, de bron van alle gerechtigheid, is iedereen die een mens doodt, hetzij zichzelf of een ander, betrokken bij de schuld van moord.
22. Dat zelfmoord nooit door grootmoedigheid kan worden ingegeven.
Maar zij die gewelddadige handen aan zichzelf hebben gelegd, zijn misschien te bewonderen om hun grootsheid van ziel, hoewel ze niet geprezen kunnen worden om de degelijkheid van hun oordeel. Echter, als je de zaak nader bekijkt, zul je het nauwelijks grootsheid van ziel noemen, die een mens ertoe aanzet om te doden[pagina 33] zichzelf in plaats van het hoofd te bieden aan de ontberingen van het fortuin, of zonden waarin hij niet verwikkeld is. Is het niet eerder een bewijs van een zwakke geest, om niet in staat te zijn om de pijnen van lichamelijke slavernij of de dwaze mening van het gewone volk te verdragen? En is dat niet de grotere geest, die eerder de kwalen van het leven onder ogen ziet dan ontvlucht, en die, in vergelijking met het licht en de zuiverheid van het geweten, het oordeel van mensen, en met name van het gewone volk, dat vaak verwikkeld is in een mist van dwaling, in geringe achting acht? En daarom, als zelfmoord als een grootmoedige daad moet worden beschouwd, kan niemand een hogere rang voor grootmoedigheid innemen dan die Cleombrotus, die (zoals het verhaal gaat), toen hij Plato’s boek had gelezen waarin hij handelt over de onsterfelijkheid van de ziel, zichzelf van een muur wierp en zo van dit leven overging naar dat waarvan hij geloofde dat het beter was. Want hij werd niet hard getroffen door een ramp, noch door enige beschuldiging, vals of waar, die hij niet goed had kunnen verwerken: er was, kortom, geen motief, maar alleen grootmoedigheid, die hem aanspoorde om de dood te zoeken en te breken met de zoete gevangenschap van dit leven. En toch zou Plato, die hij had gelezen, hem hebben verteld dat dit een grootmoedige in plaats van een gerechtvaardigde daad was; want hij zou zeker geneigd zijn geweest om zelfmoord te plegen, of op zijn minst aan te bevelen, als niet hetzelfde heldere intellect dat zag dat de ziel onsterfelijk was, ook had ingezien dat het zoeken naar onsterfelijkheid door zelfmoord eerder verboden dan aangemoedigd moest worden.
Opnieuw wordt gezegd dat velen zichzelf hebben gedood om te voorkomen dat een vijand dat zou doen. Maar we vragen niet of het is gedaan, maar of het had moeten gebeuren. Een gezond oordeel verdient zelfs de voorkeur boven voorbeelden, en voorbeelden stemmen inderdaad overeen met de stem van de rede; maar niet alle voorbeelden, maar alleen die welke zich onderscheiden door hun vroomheid en evenredig navolging verdienen. Voor zelfmoord kunnen we niet het voorbeeld van patriarchen, profeten of apostelen aanhalen; hoewel onze Heer Jezus Christus, toen Hij hen vermaande om van stad tot stad te vluchten als ze vervolgd werden, die gelegenheid heel goed had kunnen aangrijpen om hen te adviseren om gewelddadige handen op zichzelf te leggen en zo aan hun vervolgers te ontsnappen. Maar aangezien Hij dit niet deed, noch deze manier van afscheid nemen van dit leven voorstelde, hoewel Hij Zijn eigen[pagina 34] vrienden voor wie Hij beloofd had eeuwige woningen te bereiden, is het duidelijk dat zulke voorbeelden als voortkomen uit de “volken die God vergeten” geen aanleiding geven tot navolging door de aanbidders van de ene ware God.
23. Wat moeten we denken van het voorbeeld van Cato, die zelfmoord pleegde omdat hij de overwinning van Caesar niet kon verdragen?
Naast Lucretia, over wie al genoeg is gezegd, hebben onze voorstanders van zelfmoord moeite om een ander voorschrijvend voorbeeld te vinden, tenzij het dat van Cato is, die zelfmoord pleegde in Utica. Zijn voorbeeld wordt aangehaald, niet omdat hij de enige was die dat deed, maar omdat hij zo werd geacht als een geleerd en uitstekend man, dat het aannemelijk zou kunnen zijn dat wat hij deed een goede zaak was en is om te doen. Maar wat kan ik over deze daad van hem zeggen, behalve dat zijn eigen vrienden, verlichte mannen zoals hij, hem voorzichtig afraadden en daarom oordeelden dat zijn daad die van een zwakke in plaats van een sterke geest was, en niet ingegeven door eervol gevoel dat schaamte voorkwam, maar door zwakte die terugdeinsde voor ontberingen? Cato veroordeelt zichzelf inderdaad door het advies dat hij gaf aan zijn zeer geliefde zoon. Want als het een schande was om onder Caesars heerschappij te leven, waarom spoorde de vader de zoon dan aan tot deze schande, door hem aan te moedigen absoluut te vertrouwen op Caesars vrijgevigheid? Waarom overtuigde hij hem niet om samen met zichzelf te sterven? Als Torquatus werd geprezen voor het doden van zijn zoon, terwijl hij tegen de bevelen in een gevecht was aangegaan, en succesvol, met de vijand, waarom spaarde de overwonnen Cato dan zijn overwonnen zoon, hoewel hij zichzelf niet spaarde? Was het schandelijker om een overwinnaar te zijn tegen de bevelen in, dan om je te onderwerpen aan een overwinnaar tegen de aanvaarde ideeën van eer in? Cato kan het dan ook niet schandelijk hebben gevonden om onder Caesars heerschappij te leven, want als hij dat had gedaan, zou het zwaard van de vader zijn zoon van deze schande hebben bevrijd. De waarheid is dat zijn zoon, van wie hij zowel hoopte als verlangde dat hij door Caesar zou worden gespaard, niet meer door hem werd bemind dan dat Caesar de glorie benijdde om hem te vergeven (zoals Caesar zelf ook zou hebben gezegd[74] ); of als afgunst een te sterk woord is, laten we dan zeggen dat hij zich schaamde dat deze glorie de zijne zou zijn.
[pagina 35]
24. Dat in die deugd waarin Regulus Cato overtreft, christenen zich bij uitstek onderscheiden.
Onze tegenstanders zijn beledigd dat wij de heilige Job, die vreselijke kwalen in zijn lichaam verdroeg, boven Cato verkiezen boven zichzelf te bevrijden van alle kwelling door zichzelf de dood toe te brengen; of andere heiligen, van wie in onze gezaghebbende en betrouwbare boeken is opgetekend dat zij gevangenschap en de onderdrukking van hun vijanden verdroegen in plaats van zelfmoord te plegen. Maar hun eigen boeken machtigen ons om Marcus Regulus boven Cato te verkiezen. Want Cato had Caesar nooit overwonnen; en toen hij door hem werd overwonnen, versmaadde hij het zich aan hem te onderwerpen, en om aan deze onderwerping te ontsnappen, bracht hij zichzelf ter dood. Regulus daarentegen had eerder de Carthagers overwonnen en had als bevelhebber van het leger van Rome voor de Romeinse republiek een overwinning behaald die geen burger kon betreuren, en die de vijand zelf gedwongen was te bewonderen; maar later, toen hij op zijn beurt door hen werd verslagen, verkoos hij hun gevangene te zijn in plaats van zichzelf buiten hun bereik te stellen door zelfmoord. Geduldig onder de heerschappij van de Carthagers en standvastig in zijn liefde voor de Romeinen, beroofde hij de een niet van zijn overwonnen lichaam, noch de ander van zijn onoverwonnen geest. Ook was het niet de liefde voor het leven die hem ervan weerhield zelfmoord te plegen. Dit werd duidelijk genoeg aangegeven door zijn onverbiddelijke terugkeer, op grond van zijn belofte en eed, naar dezelfde vijanden die hij door zijn woorden in de senaat nog erger had geprovoceerd dan zelfs door zijn wapens in de strijd. Met zo’n minachting voor het leven, en er de voorkeur aan gevend het te beëindigen door welke kwellingen opgewonden vijanden ook maar konden bedenken, in plaats van het te beëindigen door zijn eigen hand, had hij niet duidelijker kunnen verklaren hoe groot een misdaad hij zelfmoord vond. Onder al hun beroemde en opmerkelijke burgers hebben de Romeinen geen betere man om op te roemen dan deze, die noch verdorven was door voorspoed, want hij bleef een zeer arme man na het behalen van zulke overwinningen; noch gebroken door tegenspoed, want hij keerde onverschrokken terug naar het meest ellendige einde. Maar als de dapperste en beroemdste helden, die slechts een aards land te verdedigen hadden, en die, hoewel ze slechts valse goden hadden, hen toch een ware aanbidding gaven en hun eed aan hen nauwgezet hielden; als deze mannen, die volgens de gewoonte[pagina 36] en het recht van oorlog overwonnen vijanden aan het zwaard te onderwerpen, maar terugdeinsden om een einde te maken aan hun eigen leven, zelfs wanneer ze door hun vijanden werden overwonnen; als ze, hoewel ze helemaal geen angst voor de dood hadden, toch liever slavernij zouden ondergaan dan zelfmoord te plegen, hoeveel te meer moeten christenen, de aanbidders van de ware God, de aspiranten naar een hemels burgerschap, terugdeinzen voor deze daad, als ze in Gods voorzienigheid voor een tijdje in de handen van hun vijanden zijn overgeleverd om hen te beproeven of te corrigeren! En zeker, christenen die aan deze vernederende toestand zijn onderworpen, zullen niet in de steek worden gelaten door de Allerhoogste, die Zichzelf ter wille van hen vernederde. Ook mogen ze niet vergeten dat ze niet door oorlogswetten of militaire bevelen gebonden zijn om zelfs een overwonnen vijand aan het zwaard te onderwerpen; en als een man de vijand die gezondigd heeft, niet ter dood mag brengen, of nog tegen hem mag zondigen, wie is dan zo verdwaasd om te beweren dat hij zichzelf mag doden omdat een vijand tegen hem gezondigd heeft of gaat zondigen?
25. Dat wij niet door de zonde moeten proberen de zonde te vermijden.
Maar, zo wordt ons verteld, is er reden om te vrezen dat, wanneer het lichaam onderworpen is aan de lust van de vijand, het sluipende genot van de zintuigen de ziel kan verleiden om toe te stemmen in de zonde, en er moeten stappen worden ondernomen om zo’n rampzalig resultaat te voorkomen. En is zelfmoord niet de juiste manier om niet alleen de zonde van de vijand te voorkomen, maar ook de zonde van de christen die zo wordt verleid? Nu zal in de eerste plaats de ziel die geleid wordt door God en Zijn wijsheid, in plaats van door lichamelijke begeerte, zeker nooit instemmen met het verlangen dat in haar eigen vlees wordt opgewekt door de lust van een ander. En in ieder geval, als het waar is, zoals de waarheid duidelijk verklaart, dat zelfmoord een verfoeilijke en verdoemelijke slechtheid is, wie is dan zo’n dwaas om te zeggen: Laten we nu zondigen, zodat we een mogelijke toekomstige zonde kunnen voorkomen; laten we nu moord plegen, opdat we misschien later overspel plegen? Als we zo door ongerechtigheid worden beheerst dat onschuld uitgesloten is en we hooguit een keuze kunnen maken uit zonden, is een toekomstig en onzeker overspel dan niet te verkiezen boven een huidige en zekere moord? Is het niet beter om een slechtheid te begaan die door berouw kan worden genezen, dan een misdaad die geen ruimte laat voor genezende berouw? Ik zeg dit ter wille van die mannen of vrouwen die bang zijn dat ze verleid kunnen worden om in te stemmen met de daden van hun overtreder.[pagina 37] lust, en denken dat ze gewelddadige handen aan zichzelf moeten slaan, en zo niet de zonde van een ander, maar hun eigen zonde moeten voorkomen. Maar verre zij het van de geest van een Christen die op God vertrouwt, en rust in de hoop op Zijn hulp; verre zij het, zeg ik, van zo’n geest om een schandelijke toestemming te geven aan genoegens van het vlees, hoe die ook gepresenteerd worden. En als die wellustige ongehoorzaamheid, die nog steeds in onze sterfelijke leden woont, haar eigen wet volgt, ongeacht onze wil, dan zijn haar bewegingen in het lichaam van iemand die ertegen in opstand komt zeker net zo onschuldig als haar bewegingen in het lichaam van iemand die slaapt.
26. Dat in bepaalde bijzondere gevallen de voorbeelden van de heiligen niet gevolgd mogen worden.
Maar, zeggen ze, in de tijd van de vervolging ontsnapten enkele heilige vrouwen aan degenen die hen met geweld bedreigden, door zichzelf in rivieren te werpen waarvan ze wisten dat ze zouden verdrinken; en op deze manier gestorven, worden ze in de katholieke kerk vereerd als martelaren. Over zulke personen waag ik het niet om roekeloos te spreken. Ik kan niet zeggen of de kerk niet een goddelijke autoriteit heeft gekregen, bewezen door betrouwbare bewijzen, om hun nagedachtenis zo te eren: het kan zijn dat het zo is. Het kan zijn dat ze niet door menselijk oordeel werden misleid, maar door goddelijke wijsheid werden aangezet tot hun daad van zelfvernietiging. We weten dat dit het geval was met Simson. En wanneer God een daad gebiedt, en door duidelijk bewijs te kennen geeft dat Hij die heeft bevolen, wie zal gehoorzaamheid dan crimineel noemen? Wie zal zo’n religieuze onderwerping beschuldigen? Maar dan is niet iedere man gerechtvaardigd om zijn zoon aan God te offeren, omdat Abraham prijzenswaardig was in het doen daarvan. De soldaat die een man heeft gedood in gehoorzaamheid aan het gezag waaronder hij rechtmatig is aangesteld, wordt niet beschuldigd van moord door enige wet van zijn staat; nee, als hij hem niet heeft gedood, dan wordt hij beschuldigd van verraad aan de staat en van minachting van de wet. Maar als hij op eigen gezag en uit eigen impuls heeft gehandeld, heeft hij in dit geval de misdaad begaan van het vergieten van menselijk bloed. En zo wordt hij gestraft voor het doen zonder bevelen, precies datgene waarvoor hij wordt gestraft voor het nalaten te doen toen hij wel bevelen had gekregen. Als de bevelen van een generaal zo’n groot verschil maken, zullen de bevelen van God dan geen verschil maken? Hij, die het weet,[Blz. 38] onwettig is om zichzelf te doden, mag dit toch doen als hij bevolen wordt door Hem wiens bevelen wij niet mogen verwaarlozen. Laat hem er alleen heel zeker van zijn dat het goddelijke bevel is betekend. Wat ons betreft, wij kunnen alleen deelgenoot worden van de geheimen van het geweten voor zover deze aan ons worden onthuld, en alleen voor zover oordelen wij: “Niemand weet de dingen van een mens, behalve de geest van de mens die in hem is.”[75] Maar dit bevestigen wij, dit handhaven wij, dit verklaren wij op alle mogelijke manieren juist, dat niemand zichzelf de dood mag opleggen, want dit is ontsnappen aan de kwalen van de tijd door zich te storten in die van de eeuwigheid; dat niemand dit mag doen vanwege de zonden van een ander, want dit zou zijn ontsnappen aan een schuld die hem niet zou kunnen bezoedelen, door zelf grote schuld op zich te nemen; dat niemand dit mag doen vanwege zijn eigen zonden uit het verleden, want hij heeft dit leven des te meer nodig, opdat deze zonden door berouw genezen kunnen worden; dat niemand een einde mag maken aan dit leven om dat betere leven te verkrijgen waar wij na de dood naar uitzien, want zij die door hun eigen hand sterven, hebben na de dood geen beter leven.
27. Of vrijwillige dood nagestreefd moet worden om zonde te vermijden.
Er blijft één reden over voor zelfmoord die ik eerder noemde, en die als een goede wordt beschouwd, namelijk om te voorkomen dat men in zonde vervalt, hetzij door de verlokkingen van genot, hetzij door de hevigheid van pijn. Als deze reden goed was, dan zouden we mensen ertoe aangezet worden om zichzelf onmiddellijk te vernietigen, zodra ze gewassen zijn in het wasbekken van wedergeboorte en de vergeving van alle zonden hebben ontvangen. Dan is het tijd om aan alle toekomstige zonden te ontsnappen, wanneer alle vroegere zonden zijn uitgewist. En als deze ontsnapping rechtmatig door zelfmoord wordt verzekerd, waarom dan niet juist dan? Waarom houdt een gedoopte persoon zijn hand tegen om zijn eigen leven te nemen? Waarom stelt iemand die bevrijd is van de gevaren van dit leven zichzelf er weer aan bloot, wanneer hij zo gemakkelijk de macht heeft om zich van ze allemaal te ontdoen, en wanneer er geschreven staat: “Hij die gevaar liefheeft, zal erin vallen?”[76] Waarom houdt hij van, of staat hij tenminste oog in oog met, zoveel ernstige gevaren, door in dit leven te blijven waaruit hij rechtmatig kan vertrekken? Maar is iemand zo verblind en verdraaid in zijn morele natuur, en zo ver van de waarheid afgedwaald,[pagina 39] als te denken dat, hoewel een mens zichzelf zou moeten wegdoen uit angst om door de onderdrukking van één man, zijn meester, tot zonde te worden verleid, hij toch zou moeten leven en zichzelf zo bloot zou moeten stellen aan de uurlijkse verleidingen van deze wereld, zowel aan al die kwalen die de onderdrukking van één meester met zich meebrengt, als aan talloze andere ellenden waarin dit leven ons onvermijdelijk betrekt? Welke reden is er dan voor onze tijd te verspillen aan die vermaningen waarmee we de gedoopten proberen te bezielen, hetzij tot maagdelijke kuisheid, of persoonlijke onthouding, of huwelijkstrouw, wanneer we zo’n veel eenvoudigere en beknoptere methode van bevrijding van zonde hebben, door hen die net gedoopt zijn te overtuigen een einde te maken aan hun leven, en zo zuiver en goed geconditioneerd tot hun Heer over te gaan? Als iemand denkt dat zo’n overreding geprobeerd moet worden, zeg ik niet dat hij dwaas is, maar krankzinnig. Met welk gezicht kan hij dan tegen een man zeggen: “Dood uzelf, opdat u aan uw kleine zonden niet een afschuwelijke zonde toevoegt, terwijl u leeft onder een onkuise meester, wiens gedrag dat van een barbaar is?” Hoe kan hij dit zeggen, als hij niet zonder slechtheid kan zeggen: “Dood uzelf, nu u van al uw zonden gewassen bent, opdat u niet opnieuw in soortgelijke of zelfs verergerde zonden vervalt, terwijl u leeft in een wereld die zo’n macht heeft om te verleiden met haar onreine genoegens, te kwellen met haar vreselijke wreedheden, te overwinnen met haar dwalingen en verschrikkingen?” Het is slecht om dit te zeggen; het is daarom slecht om uzelf te doden. Want als er een rechtvaardige reden voor zelfmoord zou kunnen zijn, zou dit zo zijn. En aangezien zelfs dit niet zo is, is er geen.
28. Door welk oordeel van God de vijand zijn lusten mocht botvieren op de lichamen van christenen op het vasteland.
Laat uw leven dan geen last voor u zijn, gij trouwe dienaren van Christus, ook al werd uw kuisheid tot een speelbal van uw vijanden. U hebt een grote en ware troost, als u een goed geweten behoudt en weet dat u niet hebt ingestemd met de zonden van hen die toestemming kregen om zondige verontwaardiging over u te plegen. En als u zou vragen waarom deze toestemming werd verleend, dan is het inderdaad een diepe voorzienigheid van de Schepper en Bestuurder van de wereld; en “ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onvindbaar Zijn wegen.”[77] Niettemin,[pagina 40] ondervraag trouw uw eigen zielen, of u niet onnodig opgeblazen bent door uw integriteit, en zelfbeheersing, en kuisheid; en of u niet zo begerig bent geweest naar de menselijke lof die aan deze deugden wordt toegekend, dat u jaloers bent geweest op sommigen die ze bezaten. Ik, voor mijn part, ken uw harten niet, en daarom beschuldig ik u niet; ik hoor zelfs niet wat uw harten antwoorden als u ze ondervraagt. En toch, als ze antwoorden dat het is zoals ik heb verondersteld dat het zou kunnen zijn, verwonder u dan niet dat u datgene bent verloren waarmee u de lof van mensen kunt winnen, en datgene behoudt wat niet aan mensen kan worden getoond. Als u niet hebt ingestemd met de zonde, was dat omdat God Zijn hulp aan Zijn genade toevoegde, zodat het niet verloren zou gaan, en omdat schande voor mensen de menselijke glorie volgde, zodat het niet geliefd zou worden. Maar in beide opzichten hebben zelfs de kleinmoedigen onder u een troost, goedgekeurd door de ene ervaring, getuchtigd door de andere; gerechtvaardigd door de ene, gecorrigeerd door de andere. Wat betreft degenen wier harten, wanneer ze ondervraagd worden, antwoorden dat ze nooit trots zijn geweest op de deugd van maagdelijkheid, weduwschap of huwelijkskuisheid, maar, neerbuigend tot degenen van lage stand, zich met beving verheugden in deze gaven van God, en dat ze nooit iemand hebben benijd om de gelijke voortreffelijkheden van heiligheid en zuiverheid, maar dat ze boven de menselijke toejuiching uitstegen, die gewoonlijk overvloedig is in verhouding tot de zeldzaamheid van de toegejuichte deugd, en eerder wensten dat hun eigen aantal zou toenemen, dan dat door de kleinheid van hun aantal ieder van hen zou opvallen; zelfs zulke gelovige vrouwen, zeg ik, moeten niet klagen dat de barbaren toestemming kregen om hen zo grof te kwetsen; noch moeten ze zichzelf toestaan te geloven dat God hun karakter over het hoofd zag toen Hij daden toeliet die niemand ongestraft begaat. Want sommige meest flagrante en goddeloze verlangens worden op dit moment vrij spel gegeven door het geheime oordeel van God, en zijn gereserveerd voor het openbare en uiteindelijke oordeel. Bovendien is het mogelijk dat die christelijke vrouwen, die zich niet bewust zijn van enige onterechte trots vanwege hun deugdzame kuisheid, waardoor ze zondeloos het geweld van hun gevangennemers hebben verdragen, toch een sluimerende zwakte hadden die hen tot een trotse en verachtelijke houding had kunnen verleiden, als ze niet waren onderworpen aan de vernedering die[pagina 41] overkwam hen bij de inname van de stad. Zoals dus sommige mannen door de dood werden weggenomen, opdat geen slechtheid hun gemoed zou veranderen, zo waren deze vrouwen verontwaardigd, opdat voorspoed hun bescheidenheid niet zou bederven. Noch die vrouwen, die al opgeblazen waren door de omstandigheid dat ze nog maagd waren, noch zij die zo opgeblazen hadden kunnen zijn als ze niet waren blootgesteld aan het geweld van de vijand, verloren hun kuisheid, maar wonnen veeleer nederigheid: de eersten werden gered van de trots die ze al koesterden, de laatsten van de trots die binnenkort op hen zou zijn gegroeid.
Wij moeten verder opmerken dat sommigen van die lijders wellicht hebben begrepen dat onthouding een lichamelijk goed is, en blijft zolang het lichaam onschendbaar is, en niet begrepen dat de zuiverheid van zowel het lichaam als de ziel rust op de standvastigheid van de wil, versterkt door Gods genade, en niet met geweld van een onwillige persoon kan worden afgenomen. Van deze dwaling zijn zij nu waarschijnlijk verlost. Want wanneer zij bedenken hoe gewetensvol zij God dienden, en wanneer zij zich weer vestigen in de vaste overtuiging dat Hij in geen geval degenen kan verlaten die Hem zo dienen en zo Zijn hulp inroepen; en wanneer zij bedenken, wat zij niet kunnen betwijfelen, hoe welgevallig Hem kuisheid is, worden zij opgesloten tot de conclusie dat Hij deze rampen nooit zou hebben kunnen toestaan Zijn heiligen te treffen, als door hen die heiligheid zou kunnen worden vernietigd die Hij Zelf aan hen had geschonken, en die Hij graag in hen ziet.
29. Wat de dienaren van Christus moeten zeggen als antwoord aan de ongelovigen die hen verwijten dat Christus hen niet heeft gered van de woede van hun vijanden.
De hele familie van God, de allerhoogste en meest ware, heeft daarom een eigen troost, een troost die niet kan bedriegen en die een zekerder hoop in zich heeft dan de wankelende en vallende zaken van de aarde kunnen bieden. Zij zullen de discipline van dit tijdelijke leven niet weigeren, waarin zij worden geschoold voor het eeuwige leven; noch zullen zij hun ervaring ervan betreuren, want de goede dingen van de aarde gebruiken zij als pelgrims die niet door hen worden vastgehouden, en haar kwalen bewijzen of verbeteren hen. Wat betreft degenen die hen beledigen in hun beproevingen, en wanneer kwalen hen overkomen zeggen: “Waar is uw God?”[78] We kunnen hen vragen waar hun goden zijn als ze de rampen ondergaan die hen overkomen.[pagina 42] om dat te vermijden aanbidden ze hun goden, of beweren dat ze aanbeden zouden moeten worden; want de familie van Christus wordt voorzien van haar antwoord: onze God is overal aanwezig, geheel overal; niet beperkt tot een plaats. Hij kan onopgemerkt aanwezig zijn en afwezig zijn zonder te bewegen; wanneer Hij ons blootstelt aan tegenslagen, is het om onze volmaaktheden te bewijzen of onze onvolmaaktheden te corrigeren; en in ruil voor ons geduldig verdragen van het lijden van de tijd, reserveert Hij voor ons een eeuwige beloning. Maar wie bent u, dat wij ons zouden verwaardigen om met u te spreken, zelfs over uw eigen goden, veel minder over onze God, die “te vrezen is boven alle goden? Want alle goden van de volken zijn afgoden; maar de Heer heeft de hemelen gemaakt.”[79]
30. Dat degenen die klagen over het christendom, in werkelijkheid ongeremd in schandelijke weelde willen leven.
Als de beroemde Scipio Nasica nu nog zou leven, die ooit uw paus was en unaniem door de senaat werd gekozen, toen men in de paniek die door de Punische oorlog was ontstaan, op zoek ging naar de beste burger om de Frygische godin te vermaken, zou hij deze schaamteloosheid van u beteugelen, hoewel u misschien nauwelijks het gelaat van zo’n man zou durven aanschouwen. Want waarom klaagt u in uw ellende over het christendom, tenzij omdat u ongeremd van uw luxueuze vrijheid wilt genieten en een verlaten en losbandig leven wilt leiden zonder onderbreking door enig ongemak of ramp? Want uw verlangen naar vrede, voorspoed en overvloed wordt zeker niet ingegeven door enig doel om deze zegeningen eerlijk te gebruiken, dat wil zeggen met matigheid, soberheid, matigheid en vroomheid; want uw doel is veeleer om los te gaan in een eindeloze verscheidenheid aan dwaze genoegens en zo uit uw voorspoed een morele plaag te genereren die duizendmaal rampzaliger zal blijken te zijn dan de felste vijanden. Het was zo’n ramp als deze dat Scipio, uw opperpriester, uw beste man naar het oordeel van de hele senaat, vreesde toen hij weigerde akkoord te gaan met de vernietiging van Carthago, Rome’s rivaal; en zich verzette tegen Cato, die de vernietiging ervan adviseerde. Hij vreesde veiligheid, die vijand van zwakke geesten, en hij zag in dat een gezonde angst een geschikte beschermer voor de burgers zou zijn. En[pagina 43] hij had zich niet vergist: de gebeurtenis bewees hoe wijs hij had gesproken. Want toen Carthago werd verwoest en de Romeinse republiek werd bevrijd van haar grote oorzaak van angst, volgde er onmiddellijk een menigte rampzalige kwalen uit de voorspoedige toestand van zaken. Eerst werd de eendracht verzwakt en vernietigd door felle en bloedige opstanden; daarna volgden, door een aaneenschakeling van onheilspellende oorzaken, burgeroorlogen, die in hun kielzog zulke slachtpartijen, zulk bloedvergieten, zulke wetteloze en wrede proscriptie en plundering met zich meebrachten, dat die Romeinen die in de dagen van hun deugd alleen schade hadden verwacht van de handen van hun vijanden, nu hun deugd verloren was, grotere wreedheden leden van de handen van hun medeburgers. De lust om te heersen, die met andere ondeugden onder de Romeinen in meer ongemitigeerde intensiteit bestond dan onder enig ander volk, nadat het bezit had genomen van de machtiger weinigen, onderwierp het onder zijn juk de rest, versleten en vermoeid.
Lees verder “THE CITY OF GOD (De stad van God)Volledig werk van Augustinus !!!!”


Augustinus (354-430) is bekend als onrustig zoeker naar waarheid, als bekeerling, als bisschop en als geleerde. Hij is minder bekend als monnik. Toch kan men zijn persoonlijkheid slechts ten volle begrijpen wanneer men voor ogen houdt dat hij na zijn bekering niets anders wilde zijn dan dienaar Gods, wat voor hem “monnik” betekende. Als monnik heeft hij geleefd, ook toen hij priester was en later zelfs als bisschop. Maar er is meer. Hij heeft ook een meer dan gewone invloed uitgeoefend op het christelijke ideaal van het religieuze leven door het schrijven van de oudste, bewaarde kloosterregel van het westen. Daardoor heeft hij een zeer grote betekenis gehad voor de ontwikkeling van het latere westerse religieuze leven.
Maar in de loop van de eeuwen hebben verschillende kloosterregels de naam van Augustinus gedragen: een Regel voor vrouwen (Regularis informatio), een Regel voor mannen (Praeceptum) en een Reglement voor een klooster (Ordo monasterii). Deze zijn in niet minder dan negen verschillende vormen overgeleverd. Maar de laatste onderzoekingen hebben uitgewezen dat slechts één ervan op Augustinus zelf teruggaat. Vooral Luc Verheijen o.s.a. heeft op dit gebied baanbrekend werk verricht. Na jarenlang onderzoek heeft hij ons een kritische Latijnse tekst van de Regel van Augustinus bezorgd in zijn tweedelig monumentaal werk: La Règle de saint Augustin, Parijs, 1967. Het is op deze tekst dat wij onze Nederlandse vertaling (zowel in vrouwelijke als in mannelijke vorm) gebaseerd hebben.
INVLOED

De invloed van de Regel van Augustinus blijkt uit het feit dat er veertien handschriften van voor het jaar 1000 bewaard gebleven zijn, waarvan het oudste dateert uit de zesde eeuw. Die invloed laat zich ook aflezen uit het gebruik dat schrijvers in Gallië, Spanje en Italië, in de twee eeuwen volgend op Augustinus’ dood, van de Regel van Augustinus gemaakt hebben. Bij het samenstellen van richtlijnen voor mannelijke of vrouwelijke religieuzen in hun omgeving halen zij bepaalde gedeelten uit de Regel van Augustinus aan. De bekendsten onder hen zijn: Fulgentius van Ruspe (462/8-527/33), Caesarius van Arles (ca. 470-542), Leander van Sevilla (ca. 545-600/1), Isidorus van Sevilla (ca. 560-636), de schrijver van de Regel van de Magister en Benedictus van Nursia.

De Regel van Augustinus werd dus overgeschreven en raakte aldus wijd verspreid. Dit bewijst alleszins dat er mensen waren die leefden van de inspiratie die de Regel bood. Maar we mogen ons dit niet te eenzijdig voorstellen. Voor het jaar 1000 werd de Regel van Augustinus altijd samen met andere Regels en monastieke documenten overgeleverd. Zo vloeiden verschillende religieuze stromingen samen in één grote traditie. Deze traditie van de Vaders werd als één geheel aan de toenmalige kloosterlingen als inspiratiebron aangeboden. Slechts tussen de negende en de elfde eeuw verschijnt de Regel van Augustinus als alleen geldende leefregel voor een bepaalde groepering van kloosterlingen. Juist die eeuwen vormen de periode waarin een hervorming van het monastieke leven en van de diocesane clerus werd doorgevoerd. In die hervorming speelde de Regel van Augustinus een belangrijke rol en werd hij door verschillende groepen aangenomen als alleengeldende leefregel
Karakter van de Regel

De Regel geeft duidelijk de indruk een samenvatting te zijn van mondelinge conferenties die Augustinus voor zijn monniken hield. Hij is een soort beginselverklaring. De ideeën zijn er niet uitgewerkt, maar op een erg bondige manier weergegeven. Zij worden als bekend verondersteld. Daarom moet men al vertrouwd zijn met Augustinus’ andere werken om tot de diepere betekenis van de korte zinnen van de Regel door te dringen. De parallelteksten uit de andere werken moeten het geheel van de Regel verhelderen en doorzichtig maken. Voor Augustinus’ volgelingen is de Regel ongetwijfeld een samenvatting geweest om het geheugen op te frissen.
De Regel van Augustinus beslaat weinig bladzijden en heeft vooral de bedoeling enkele gedachten aan te bieden die inspirerend kunnen werken. Deze gedachten steunen vooral op de H. Schrift. In de korte tekst van de Regel zijn minstens vijfendertig verwijzingen naar de Schrift aanwezig, acht naar het Oude Testament en zevenentwintig naar het Nieuwe Testament. De tekst van de Regel is daarom een treffend voorbeeld van bijbelse stijl. Zelfs de meest eenvoudige zinnen zijn doorweven met bijbelse ideeën, die de grondinspiratie dragen. In deze verwijzingen naar de Heilige Schrift treedt ook Augustinus’ eigen visie en spiritualiteit aan het licht, want de bijbelse gedachten waar hij de nadruk op legt, zijn voor hem de dierbare bronnen waaruit hijzelf leefde. Juist deze bijbelse en evangelische grondslag vormt de blijvende structuur van de Regel, die de waarde ervan blijft verzekeren door de wisselende tijden en culturen heen.

De grondideeën van de Regel zijn opgebouwd rond het ideaal van de eerste gemeente van Jeruzalem uit Hand. 4, 31-35. Daardoor komen liefde en gemeenschap centraal te staan: een goed gemeenschapsleven is niets anders dan het in praktijk brengen van de liefde. Het valt onmiddellijk op hoe weinig concrete voorschriften of detailwetten in de Regel gegeven worden. Het gaat nergens om details, maar om de kern van de dingen en het hart van de mens. Vandaar de weg van de verinnerlijking die in de Regel herhaaldelijk toegepast wordt: het uiterlijke alleen is niet genoeg, het uiterlijke moet het symbool worden van het innerlijke. Het uiterlijke mag niet leeg blijven, maar moet bezield zijn. Een ander kenmerk dat hiermee samenhangt, is de nagenoeg totale afwezigheid van nadruk op het “ascetisme”, dat wil zeggen de beoefening van ascese in de materiële zin zoals het zich ontzeggen van eten en drinken of allerhande vormen van zelfkastijding. Het accent verschuift meer naar het leven in gemeenschap als overwinning op de zelfzucht. De Regel vraagt ons alle aandacht te laten uitgaan naar de onderlinge liefdesrelaties.

Hoofdstuk I: Het grondideaal: liefde en gemeensch
De eerste gemeente van Jeruzalem als model: één van hart en één van ziel op weg naar God – Leef één van hart en één van ziel samen en eer in elkaar God. Gemeenschap van goederen als eerste verwezenlijking van leven in gemeenschap. Leven in gemeenschap is geen blinde uniformiteit, maar eist de erkenning van ieders persoonlijke geaardheid. Nederigheid en hoogmoed als positieve en negatieve factor in het gemeenschapsleven.
Hoofdstuk II: Gebed en gemeenschap
Vaste tijden voor gemeenschappelijk gebed. Mogelijkheid tot individueel gebed. De grondwet van het bidden. Praktische richtlijnen voor het zingen van psalmen en hymnen.
Hoofdstuk III: Gemeenschap en zorg voor het lichaam
Soberheid in eten en drinken. Lezing onder de maaltijd. Ook hier: verschil in behandeling naargelang de persoon. De zorg voor zieken.
Hoofdstuk IV: Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor elkaar
Algemene richtlijn voor een onberispelijk gedrag. Toegespitst op de innerlijke houding tegenover de andere sekse. Gezamenlijke verantwoordelijkheid voor elkaars fouten. Deze verantwoordelijkheid moet zich uiten in terechtwijzing. Procedure van terechtwijzing. Deze handelwijze geldt ook als model bij alle andere fouten.
Hoofdstuk V: Onderlinge dienstverlening
Gemeenschap en kleding. Zorg voor het belang van de gemeenschap als criterium van vooruitgang. Publieke baden en de zorg voor zieken. Voor elkaar zorgen in alle lichamelijke behoeften.
Hoofdstuk VI: Liefde en conflict
Laat ruzie niet uitgroeien tot haat. Wederzijds elkaar vergiffenis schenken. Houding tegenover minderjarigen in het klooster.
Hoofdstuk VII:
Liefde in gezag en gehoorzaamheid
Gehoorzaam aan uw overste. Taak van de overste: dienen in liefde, leiding geven, voorbeeld zijn. Gehoorzaamheid als daad van mede-lijdende liefde.
Hoofdstuk VIII: Slotaansporing
Verlangen naar geestelijke schoonheid. Levende propaganda zijn voor Christus. Vrij onder de genade. Als in een spiegel
De regel van AugustinusHoofdstuk I
U die een kloostergemeenschap vormt, dragen wij op het volgende na te leven.
2. Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen (Ps. 68/67,7), één van ziel en één van hart (Hand. 4,32) op weg naar God. Want is dat juist niet de reden waarom u samen bent gaan leven?
3. Bij u mag er geen sprake zijn van persoonlijk eigendom. Zorg er integendeel voor dat alles onder u gemeenschappelijk is. Uw overste moet ieder van voedsel en kleding voorzien. Niet dat hij iedereen evenveel moet geven, want u bent niet allen even sterk, maar aan elke persoon moet gegeven worden wat hij persoonlijk nodig heeft. Zo leest u immers in de Handelingen van de Apostelen: “Zij bezaten alles gemeenschappelijk en ieder kreeg wat hij nodig had” (Hand. 4,32 en 35).
4. Zij die in de wereld iets bezaten, moeten er prijs op stellen dat dit, bij hun intrede in het klooster, van de gemeenschap wordt.
5. Maar zij die niets bezaten, moeten in het klooster niet gaan streven naar dat wat zij daarbuiten niet konden bereiken. Wel moet men hun zwakheid tegemoet komen door hun alles te verschaffen wat zij nodig hebben, ook al waren zij vroeger zo arm dat zij niet eens over het allernoodzakelijkste konden beschikken. Zij mogen zich echter niet gelukkig prijzen om het feit dat zij nu voedsel en kleding vinden, die tevoren buiten hun bereik lagen.
6. Zij mogen er evenmin groot op gaan dat zij nu omgang hebben met mensen die zij vroeger niet durfden benaderen, maar hun hart moet naar het hogere zoeken en niet naar aardse schijn. Als in de kloosters rijke mensen nederig en arme mensen verwaand worden, dan zouden de kloosters alleen maar van nut blijken voor rijke mensen, maar niet voor arme.
7. Van de andere kant mogen zij die in de wereld iets schenen te betekenen, niet uit de hoogte neerzien op hun broeders die vanuit een armoedig bestaan tot deze religieuze gemeenschap zijn toegetreden. Zij moeten ervoor zorgen veeleer trots te gaan op het samenleven met arme broeders dan op de maatschappelijke rang van hun rijke ouders. Ook mogen zij geen hoge dunk van zichzelf hebben omdat zij een deel van hun vermogen ter beschikking van de gemeenschap gesteld hebben. Anders zou de nietige mens nog meer ten prooi vallen aan hoogmoed door de gemeenschap in zijn rijkdom te laten delen dan door er zelf in de wereld van te genieten. Want terwijl iedere ondeugd tot uiting komt in het stellen van slechte daden, bedreigt de hoogmoed bovendien zelfs goede daden om deze te vernietigen. En wat voor zin heeft het zijn eigen bezit aan de armen uit te delen en zelf arm te worden, wanneer afstand doen van rijkdom iemand hoogmoediger zou maken dan het bezitten van een fortuin?
8. Leef dus allen één van ziel en één van hart (Hand. 4,32) samen en eer in elkaar God, want ieder van u is zijn tempel geworden (2 Kor. 6,16).
Hoofdstuk II
1. Volhard trouw in het gebed (Kol. 4,2) op de vastgestelde uren en tijden.
2. De gebedsruimte mag nergens anders voor gebruikt worden dan waarvoor zij bestemd is, want zij draagt die naam niet voor niets. Dan kan ieder die misschien ook buiten de vastgestelde uren wil bidden, er in zijn vrije tijd terecht zonder gestoord te worden door iemand die daar eigenlijk niets te maken heeft.
3. Wanneer u in psalmen en liederen tot God bidt, moeten de woorden die u uitspreekt ook in uw hart leven.
4. Houd u bij het zingen aan de tekst en zing niet wat niet bestemd is om gezongen te worden.

Hoofdstuk III
1. Bedwing uw lichaam door vasten en onthouding van eten en drinken voorzover uw gezondheid het toelaat. Wie niet zonder voedsel kan tot de hoofdmaaltijd, die tegen de avond plaats heeft, mag tevoren iets gebruiken, maar alleen rond het middaguur. Maar zieken mogen altijd iets gebruiken.
2. Luister van het begin tot het einde van de maaltijd naar de gebruikelijke lezing zonder lawaai te maken of te protesteren tegen de heilige Schrift. Want u moet niet alleen uw gewone honger stillen, maar ook hongeren naar het woord van God (Amos 8,11).
3. Sommigen zijn zwakker ten gevolge van een andere opvoeding. Als er voor hen aan tafel een uitzondering wordt gemaakt, behoren de overigen die vanwege een andere levenswijze sterker zijn, dat niet kwalijk te nemen of onrechtvaardig te vinden. Zij moeten niet denken dat de anderen gelukkiger zijn, omdat die beter voedsel krijgen dan zijzelf. Zij moeten er eerder blij om zijn dat zij tot iets in staat zijn wat de anderen niet aankunnen
4. Sommigen waren voor hun intrede een comfortabel leven gewend en ontvangen daarom wat meer voedsel of kleren, een beter bed of meer dekens. De anderen die sterker en daarom gelukkiger zijn, krijgen dat niet. Maar besef dan wel hoeveel die medebroeders nu moeten missen vergeleken bij hun vroegere levensomstandigheden, ook al kunnen zij niet dezelfde soberheid opbrengen als zij die lichamelijk sterker zijn. Niet iedereen moet willen hebben wat hij een ander meer ziet krijgen. Dat gebeurt immers niet om iemand voor te trekken, maar alleen om hem te ontzien. Anders zou in het klooster de verwerpelijke wantoestand ontstaan dat de armen een gemakkelijk leventje gaan leiden, terwijl de rijken zich alle mogelijke inspanningen getroosten.
5. Zieken moeten vanzelfsprekend aangepast voedsel krijgen; anders zou men de ziekte verergeren. Wanneer zij beter zijn, moeten zij goed verzorgd worden zodat ze zo vlug mogelijk herstellen, ook al behoorden zij vroeger tot de armste klasse van de maatschappij. Tijdens de herstelperiode behoren zij hetzelfde ontvangen als wat de rijken toegestaan wordt vanwege hun vroegere levenswijze. Maar als zij weer op krachten gekomen zijn, moeten ze opnieuw gaan leven zoals vroeger, toen ze gelukkiger waren omdat ze minder nodig hadden. Hoe soberder een levenswijze, hoe beter zij past bij dienaren van God.
Als een zieke genezen is, moet hij ervoor oppassen niet de slaaf te worden van eigen genoegens; hij moet weer afstand kunnen doen van de voorrechten die zijn ziekte meebracht. Zij die het gemakkelijkst sober kunnen leven, zullen zich de rijkste mensen achten. Want weinig nodig hebben is beter dan veel bezitten.
Hoofdstuk IV
1. Ga niet opvallend gekleed. Probeer niet door uw kleding in de smaak te vallen, maar door uw levenshouding.
2. Als u uitgaat, ga dan niet alleen en blijf bijeen als u op de plaats van bestemming bent gekomen.
3. Uw gaan en staan, heel uw gedrag mag niemand aanstoot geven, maar moet in overeenstemming zijn met een heilige levenswijze.
4. Wanneer u een vrouw ziet, blijf haar niet uitdagend aankijken. Natuurlijk kan niemand u verbieden vrouwen te zien, maar wel is het verkeerd een begeerte naar een vrouw te koesteren of te willen dat zij u begeert (vgl. Mat. 5,28). Want niet alleen een gebaar van genegenheid, ook de ogen wekken in man en vrouw de begeerte naar elkaar.
Zeg dus niet dat uw innerlijke houding goed is, als uw ogen begeren haar te bezitten, want het oog is de bode van het hart. En als men elkaar verkeerde bedoelingen laat blijken, ook zonder woorden, alleen maar door naar elkaar te kijken, en men genot vindt in elkaars hartstocht, al is het niet in elkaars armen, dan is er van echte reinheid, namelijk die van het hart, al geen sprake meer.
5. Trouwens wie zijn ogen niet van een vrouw af kan houden en graag haar aandacht trekt, moet niet denken dat anderen dit niet zien. Natuurlijk zien zij het; zelfs mensen van wie je het niet verwacht, merken het. Maar al blijft het verborgen en ziet geen mens het, wat dan te beginnen met God die het hart van iedere mens kent (Spr. 24,12) en voor wie niets verborgen is? Of moet men denken: God ziet het niet (Ps. 94/93,7), omdat Hij naarmate zijn wijsheid die van mensen te boven gaat, ook meer geduld tegenover de mens aan de dag legt? Een religieus moet bang zijn God in zijn liefde te krenken (Spr. 24,18). Omwille van deze liefde moet hij bereid zijn een zondige liefde tot een vrouw op te geven. Wie bedenkt dat God alles ziet, zal geen vrouw met zondige gevoelens willen aankijken. Want het woord van de Schrift “De Heer verafschuwt een begerig oog” (Spr. 27,20) drukt ons juist op dit punt ontzag voor Hem op het hart.
6. Weet u daarom verantwoordelijk voor elkaars zuiverheid, als u in de kerk samen bent of overal elders waar u in het gezelschap van vrouwen bent. Dan zal God die in u woont (2 Kor. 6,16), door uw verantwoordelijkheid voor elkaar over u waken.
7. Als u deze uitdagende blik waarover ik spreek bij een medebroeder opmerkt, waarschuw hem dan terstond, opdat het begonnen kwaad niet erger wordt, maar hij zijn gedrag zo snel mogelijk betert.
8. Ziet men hem na zo’n waarschuwing, of wanneer dan ook, toch weer hetzelfde doen, dan moet ieder die dat merkt hem beschouwen als een zieke die een behandeling nodig heeft. Het staat dan niemand meer vrij te zwijgen. Maar eerst moet u één of twee andere personen op de hoogte brengen om hem met twee of drie van zijn fout te kunnen overtuigen (Mat. 18,15-17) en met gepaste gestrengheid tot de orde te roepen. U mag niet denken dat u handelt uit kwaadwilligheid door dit te doen. Integendeel, u laadt schuld op uzelf als u door te zwijgen uw broeders hun ondergang tegemoet laat gaan, terwijl u hen op de goede weg zou kunnen brengen door te spreken. Stel bijvoorbeeld dat uw broeder een lichamelijke wonde had en die uit vrees voor een medische behandeling verborgen wilde houden; zou het dan niet harteloos zijn erover te zwijgen? En zou het daarentegen niet van medeleven getuigen dit bekend te maken? Hoeveel groter is dan niet uw plicht iemands toestand bekend te maken wanneer u daarmee kunt beletten dat het kwaad het hart van uw broeder verder aantast, wat veel erger is.
9. Wil hij niet luisteren naar uw waarschuwing, dan moet men eerst de overste erbij betrekken voor een gesprek onder vier ogen, om zo de anderen er buiten te houden. Luistert hij dan nog niet, dan mag u er anderen bijhalen om hem van zijn fout te overtuigen. Want als hij blijft ontkennen, dan moet men er buiten zijn weten anderen bij betrekken om hem in tegenwoordigheid van allen met meerdere personen op zijn fouten te kunnen wijzen (1 Tim. 5,20), omdat twee of drie personen eerder iemand kunnen overtuigen dan één persoon.
Is zijn schuld eenmaal bewezen, dan moet de overste of de priester onder wiens gezag het klooster valt, oordelen welke straf hij moet ondergaan ter verbetering. Wanneer hij weigert zich daaraan te onderwerpen, moet hij uit uw gemeenschap weggestuurd worden, ook wanneer hijzelf niet heen wil gaan. Ook dit gebeurt niet uit harteloosheid, maar uit liefde, want daardoor voorkomt men dat hij anderen door zijn slechte invloed te gronde richt.
10. Wat ik gezegd heb over het begerig kijken naar vrouwen, geldt ook voor alle andere zonden. Dezelfde gedragslijn moet u nauwgezet en trouw volgen bij het ontdekken, het verhinderen, het aan het licht brengen, het bewijzen en het bestraffen van andere fouten; wel met liefde voor de mensen, maar met afkeer van hun fouten.
11. Bekent iemand spontaan dat hij zover op het verkeerde pad is geraakt, dat hij in het geheim van een vrouw brieven ontvangt of geschenken aanneemt, dan moet men hem sparen en voor hem bidden. Maar wordt hij betrapt en schuldig bevonden, dan moet hij ernstig bestraft worden naar het oordeel van de priester of de overste.
Hoofdstuk V
1. Uw kleren moeten door één of meerdere personen gemeenschappelijk beheerd worden. Zij zullen ervoor zorgen ze te luchten en motvrij te houden. Zoals uw eten uit één keuken komt, zo moeten uw kleren uit één linnenkamer komen.
En als dat mogelijk is, moet het u eigenlijk weinig kunnen schelen welke zomer- of winterkleding u krijgt. Het maakt toch niets uit of u hetzelfde terugkrijgt als u afgegeven hebt of iets anders dat door een ander gedragen is. Als iedereen maar krijgt wat hij nodig heeft (Hand. 4,35). Wanneer dit jaloersheid en ontevredenheid wekt, of wanneer iemand gaat klagen iets gekregen te hebben dat minder goed is dan hij eerst had, en het beneden zijn stand acht kleren te dragen die een ander gedragen heeft, is dat dan geen les voor u? Als u om uw uiterlijk onenigheid krijgt, is dat geen bewijs dat er innerlijk nog heel wat ontbreekt aan de houding van uw hart? Maar ook wanneer u dit niet kunt opbrengen en men ontziet u op dit punt door uw eigen kleren terug te bezorgen, bewaar ze dan nog op één plaats, waar anderen er zorg voor dragen.
2. De bedoeling van dit alles is: dat niemand in zijn werk eigen voordeel zoekt. Alles moet gebeuren in dienst van de gemeenschap en met meer ijver en meer geestdrift dan wanneer ieder voor zichzelf en zijn eigen belang zou werken. Want over de liefde staat geschreven dat zij niet het eigen belang zoekt (1 Kor. 13,5), dat wil zeggen dat zij het gemeenschappelijke boven het eigen belang stelt en niet omgekeerd. Het feit dat u meer zorg aan de dag legt voor het belang van de gemeenschap dan voor uw eigen belang, is daarom een criterium voor uw vooruitgang. Zo zal zich in alles wat de voorbijgaande nood van de mens betreft, iets blijvends en verhevens openbaren, namelijk de liefde (1 Kor. 12,31 en 13,8 en 13. Ef. 3,19).
3. Hieruit volgt tevens dat een kloosterling die van zijn ouders of familieleden kleren of andere nuttige dingen krijgt, deze niet stiekem voor zichzelf mag houden. Hij moet ze ter beschikking van de overste stellen. Eenmaal gemeenschappelijk bezit geworden, moet de overste deze zaken geven aan wie ze nodig heeft (Hand. 4,35).
4. Als u uw kleren wilt wassen of laten wassen in een wasserij, zal dit gebeuren in overleg met de overste om te voorkomen dat een overdreven verlangen naar schone kleren uw karakter ontsiert.
5. Publieke baden mogen om gezondheidsredenen nooit geweigerd worden. Volg in deze zonder tegenspraak het medisch advies van de dokter. En al zou iemand het niet willen, dan moet hij het toch doen, desnoods op bevel van de overste, omdat het nodig is voor zijn gezondheid. Maar wil iemand gaan baden alleen omdat hij het fijn vindt, terwijl het echt niet nodig is, dan moet hij van eigen wensen afstand kunnen doen. Want wat prettig is, is nog niet altijd goed. Wat prettig is, kan ook schadelijk zijn.
6. Hoe het ook zij, als een medebroeder zegt dat hij zich niet goed voelt, ook al manifesteert de ziekte zich nog niet, geloof hem dan zonder meer. Maar als u er niet zeker van bent of de verzorging die iemand wil hebben, iets zal uithalen, roep er dan een dokter bij.
7. Zorg dat u altijd met twee of meer bent om naar een publieke badinrichting te gaan. Dat geldt trouwens ook als u ergens anders heen moet. En kies dan niet zelf de personen uit die met u mee zullen gaan, maar laat de overste beslissen wie met u mee zal gaan.
8. De gemeenschap zal iemand aanwijzen om voor de zieken te zorgen. Deze persoon moet tevens zorgen voor hen die aan de beterende hand zijn en voor hen die zwak zijn, ook al hebben zij geen koorts. De ziekenverzorger kan voor hen uit de keuken halen wat hijzelf nodig oordeelt.
9. Wie de zorg heeft voor voedsel, kleren of boeken moet zonder mopperen zijn medebroeders van dienst zijn.
10. De boeken kunt u dagelijks op een vastgestelde tijd gaan halen; buiten die tijd zijn ze niet beschikbaar.
11. Wie daarentegen verantwoordelijk is voor kleren en schoenen, mag niet uitstellen ze te geven aan hen die ze nodig hebben.
Hoofdstuk VI
1. Maak geen ruzie, maar als u ruzie hebt, maak er dan zo spoedig mogelijk een eind aan. Anders groeit een klein moment van woede uit tot haat, wordt een splinter een balk (Mat. 7,3-5) en maakt u van uw hart een moordkuil. Want er staat geschreven: “Ieder die zijn broeder haat is een moordenaar” (1 Joh. 3,15).
2. Als u iemand gekwetst hebt door hem uit te schelden, te verwensen of grof te beschuldigen, denk er dan aan het kwaad dat u aangericht hebt zo vlug mogelijk te herstellen door uw verontschuldigingen aan te bieden. En de ander die gekwetst werd moet op zijn beurt aan u vergiffenis schenken zonder er veel woorden aan vuil te maken. Als twee medebroeders elkaar beledigd hebben, moeten zij elkaar hun schuld vergeven (Mat. 6,12). Anders wordt uw bidden van het Onzevader een leugen. Trouwens hoe meer u bidt, hoe eerlijker uw gebed behoort te zijn.
Men kan beter te doen hebben met iemand die vlug kwaad wordt, maar het meteen weer goed maakt, zodra hij beseft dat hij een ander onrecht heeft aangedaan, dan met iemand die minder opvliegend is, maar er moeilijk toe overgaat zijn verontschuldigingen aan te bieden. Wie echter nooit vergiffenis wil vragen, of het niet van harte doet (Mat. 18,35), hoort niet thuis in een klooster, ook al wordt hij niet weggezonden.
Pas dus op voor harde woorden. Als ze u toch ontvallen zijn, wees dan niet bang het genezende woord te spreken met dezelfde mond die de wonde toebracht.
3. Het kan echter gebeuren dat de noodzakelijke zorg voor de goede gang van zaken iemand van u dwingt harde woorden te gebruiken tegenover minderjarigen om hen tot de orde te roepen. In dat geval wordt van u niet verlangd dat u hen daarvoor vergiffenis vraagt, ook al hebt uzelf het gevoel dat u daarin te ver bent gegaan. Want als u zich tegenover deze jongeren door overdreven nederigheid te onderdanig gaat gedragen, doet dit afbreuk aan het gezag dat hen leiding moet geven en waaraan zij zich moeten onderwerpen. In zulke omstandigheden moet u wel vergiffenis vragen aan de Heer van allen die weet hoeveel u van uw medebroeders houdt, ook van hen die u misschien te streng hebt aangepakt. Uw liefde voor elkaar mag niet in eigenliefde blijven steken, maar moet geleid worden door de Geest.
Hoofdstuk VII
1. Gehoorzaam aan uw overste (Hebr. 13,17) als aan een vader, maar ook met de achting die u hem verschuldigd bent omwille van zijn taak, anders misdoet u tegen God in hem. Dat geldt nog meer voor de priester die voor u allen zorg draagt.
2. Het komt in de eerste plaats de overste toe ervoor te zorgen dat men alles wat hier gezegd is, ook naleeft en dat men overtredingen niet achteloos voorbijgaat. Het is zijn taak op fouten te wijzen en ze te verbeteren. Wat zijn bevoegdheid of kracht te boven gaat, zal hij voorleggen aan de priester, wiens gezag in bepaalde opzichten groter is dan het zijne.
3. Wie een overheidsfunctie heeft moet zijn geluk niet zoeken in de macht waarmee hij kan domineren (Luc. 22,25-26), maar in de liefde waarmee hij dienstbaar kan zijn (Gal. 5,13). Door uw achting zal hij uw meerdere zijn; door zijn verantwoordelijkheid tegenover God zal hij zich de minste van allen weten. Voor allen moet hij een voorbeeld zijn in goede werken (Tit. 2,7); hij zal hen die hun werk verwaarlozen terechtwijzen, de moedelozen moed geven, de zwakken steunen, en met allen geduld hebben (1 Tess. 5,14). Hij moet zelf de richtlijnen van de gemeenschap in ere houden en er eerbied voor vragen bij anderen. Hij moet er meer op uit zijn door u bemind dan gevreesd te worden, hoewel liefde en ontzag tegelijk noodzakelijk zijn. Steeds moet hij bedenken dat hij voor u verantwoordelijk is tegenover God (Hebr. 13,17).
4. Door liefdevol te gehoorzamen bewijst u niet alleen medelijden te hebben met uzelf (Sir. 30,23/24), maar ook met uw overste. Want ook voor uw gemeenschap geldt: hoe hoger men geplaatst is, hoe meer gevaar men loopt.
Hoofdstuk VIII
1. De Heer geve dat u, gegrepen door het verlangen naar geestelijke schoonheid (Sir. 44,6), dit alles met liefde onderhoudt. Leef zo dat u door uw leven de levenwekkende goede geur van Christus verspreidt (2 Kor. 2,15-16). Ga niet als slaven gebukt onder de wet, maar leef als vrije mensen onder de genade (vgl. Rom. 6,14-22).
2. Eens in de week moet dit boekje voorgelezen worden. Het is als een spiegel: u kunt erin zien of u niets verwaarloost of vergeet (Jak. 1,23-25). En als u vindt dat u beantwoordt aan wat erin staat, dank dan de Heer, de gever van alle goed. Bemerkt iemand echter dat hij in gebreke gebleven is, dan moet hij betreuren wat voorbij is en op zijn hoede zijn voor de toekomst. Hij moet bidden: “Vergeef mijn schuld en leid mij niet in bekoring” (Mat. 6,12-13).
Bron : www.augustijnen.be/spiritualiteit/de-regel-van-augustinus

Broeders en zusters in Christus,
Wie het geluk heeft een nederig mens te ontmoeten, ontmoet een mooi mens: het is iemand die het niet nodig heeft altijd in de schijnwerpers te staan ondanks prestaties, titeltjes en verworven posities.
Toen de H. Augustinus werd gevraagd wat in de leer van Jezus op de eerste plaats komt, zei hij: nederigheid. “De nederigheid is de erken-ning van God afhankelijk te zijn. De nederige mens schrijft God alleen alle eer en alle roem toe; voor zichzelf ontvlucht en schuwt hij alle lof en iedere eer.”
Ooit omschreef iemand nederigheid als “de droom dat er een einde komt aan onze ijdelheid.” Dat is een droom om te koesteren.
In het evangelie worden we aangespoord ons de deugd van de nederigheid eigen te maken want wie zichzelf verheft, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden. Hoe doe je dat en wat zijn kenmerken van nederigheid ?
Nederigheid gaat samen met drie houdingen:
1) Zelfkennis. Zelfkennis is het begin van wijsheid. Het is het vermogen eigen sterkten en beperkingen te kennen. Iemand die zijn eigen fouten niet wil erkennen, is een hoogmoedig iemand en kan God niet op het spoor komen want hij waant zichzelf boven iedereen en God verheven. Een hoogmoedig mens vindt zichzelf heel belangrijk en zoekt zijn eigen voordeel en belangen.
In de brief van de apostel Jakobus staat: “God wederstaat de hoogmoedigen maar de nederigen geeft Hij genade.”
Hoogmoed is een kenmerk van de zonde. Het was hoogmoed die satan deed opstaan tegen God. Het is hoogmoed het beter te willen weten dan God. De hoogmoedige mens buigt niet voor God. De hoogmoedige mens is gericht op zichzelf; God weerstaat zulke mensen. Hun hart is verhard en ze zoeken God niet. De nederige mens heeft ontdekt dat hij God nodig heeft, voor redding en hulp, voor vergeving en leven, voor gezondheid en kracht. De nederige mens zoekt God en ontvangt genade.
2) Het tweede kenmerk is openheid of arm van geest zijn. Dit wil zeggen openstaan voor nieuwe ideeën en benaderingen die de H. Geest je wil aanreiken, en de wil om van anderen te leren. We kunnen van andere mensen veel leren door naar hen te luisteren. Arrogante en hoogmoedige mensen leggen anderen hun visie en mening op en willen niet luisteren naar andere meningen en naar wat God hun te zeggen heeft.
3) Aanvaarden dat je afhankelijk bent van God. Een nederige mens is God en de medemensen dankbaar voor het geschenk van hun vriendschap, dienstbaarheid en liefde. Een hoogmoedige mens denkt dat hij alles aan zichzelf te danken heeft, en wil alles controleren met een berekenende houding tegenover andere mensen. Voor wat, hoort wat. Vriendschappen duren tot zolang hij er voordeel van heeft.
Elke dag is er alle gelegenheid de deugd van de nederigheid te beoefenen door aanwijzingen of terechtwijzingen die we krijgen, ter harte te nemen; door te vechten tegen de altijd aanwezig bekoring van de ijdelheid; door de neiging altijd het laatste woord te willen hebben, te onderdrukken; door te aanvaarden dat we ons vergist hebben in zaken waarin we misschien dachten absoluut gelijk te hebben.
Laten we – Jezus navolgend – ons oefenen in de deugd van de nederigheid door naar Jezus op te kijken en te proberen ons zijn woorden eigen te maken. Want wie zichzelf verheft, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden. Als Mens heeft Jezus zichzelf vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, ja zelfs tot de dood aan het kruis. Daardoor is Jezus bron van heil geworden en heeft Hij ons de weg getoond naar het Koninkrijk der hemelen. Amen.
Bron: h-norbertus.nl/bezinning/preken/nederigheid-en-hoogmoed/#:~:text=Augustinus%