Liederen om te bezinnen…..

De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
Vanaf de dagen der schepping
Staan vol water, maar dicht.
De rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
Het water zal tintelen, stralen,
Dorstigen komen en drinken.
De steppe zal drinken.
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.

De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
Tot aan de einden der aarde,
één voor één, en voorgoed.
Die keren in stoeten.
Als beken vol water,
Als beken vol toesnellend water,
Schietend omlaag van de bergen.
Als lachen en juichen.
Die zaaiden in tranen,
Die keren met lachen en juichen.

De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
Dode, dode, sta op,
Het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
Een stem zal ons roepen:
Ik open hemel en aarde en afgrond
En wij zullen horen.
En wij zullen opstaan
En lachen en juichen en leven.

Tekst: Huub Oosterhuis, bij Jesaja 35
Melodie: Antoine Oomen

Onze Vader verborgen

Onze Vader verborgen….
Onze vader verborgen
uw naam worde zichtbaar in ons
uw koninkrijk kome op aarde
uw wil geschiede,
een wereld met bomen tot in de hemel,
waar water schoonheid, en brood
gerechtigheid is, en genade –

waar vrede niet hoeft bevochten
waar troost en vergeving is
en mensen spreken als mensen
waar kinderen helder en jong zijn,
dieren niet worden gepijnigd
nooit één mens meer gemarteld,
niet één mens meer geknecht.

Doof de hel in ons hoofd
leg uw woord op ons hart
breek het ijzer met handen
breek de macht van het kwaad.

Van U is de toekomst
kome wat komt.

Tekst: Huub Oosterhuis, muziek: T. Löwenthal

Veel te laat heb ik jou lief gekregen..

VEEL TE LAAT…..

Hieronder één van de mooiste teksten van Sint-Augustinus (in een vertaling van Huub Oosterhuis).

Schoonheid
Veel te laat heb ik jou lief gekregen
schoonheid wat ben je oud wat ben je nieuw
veel te laat heb ik jou lief gekregen.
Binnen in mij was je, ik was buiten
en ik zocht jou als een ziende blinde
buiten mij, en uitgestort als water
liep ik van jou weg en liep verloren
tussen zoveel schoonheid die niet jij was.
Toen heb jij geroepen en geschreeuwd,
door mijn doofheid ben jij heengebroken.
Oogverblindend ben jij opgedaagd
om mijn blindheid op de vlucht te jagen.
Geuren deed jij en ik haalde adem,
nog snak ik naar adem en naar jou.
Proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik,
honger ik naar jou. Mij, lichtgeraakte,
heb jij doen ontbranden. En nu brand ik
lichterlaaie naar jou toe, om vrede.


Deze tekst gezongen door Koorgroep ’t Zand o.l.v. Rob Holleman aan de vleugel Martin Lorijn
tekst Huub Oosterhuis
melodie: Antoine Oomen

 

Houd elkander vast

Een lied van Huub Oosterhuis, gezongen door Jonathan Vroege.

Houd elkander vast,
blus de geest niet uit,
maak elkaar niet klein.
Die ons maakte uit niets,
laat niet varen
het werk van Zijn handen.

Van Hem is de toekomst,
kome wat komt,
licht dat niet dooft,
liefde die blijft.

Houd elkander vast,
blus de geest niet uit,
maak elkaar niet klein.
Hoor een stem:
“Ik maak alle dingen nieuw,
ik zal de tranen uit je ogen wissen
en de dood zal niet meer zijn.”

Van Hem is de toekomst,
kome wat komt,
licht dat niet dooft,
liefde die blijft.

Tekst: Huub Oosterhuis
Melodie: Brigit Calame

Licht dat ons aanstoot in de morgen – Huub Oosterhuis /gezongen door zijn dochter Trijntje Oosterhuis.

Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzegbaar ons nabij.
Gij zijt gestadig met ons bezig,
onder uw vleugels rusten wij.

Gij zijt niet ver van wie U aanbidden,
niet hoog en breed van ons vandaan.
Gij zijt zo mens´lijk in ons midden
dat Gij dit lied wel zult verstaan.

Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen
en niemand heeft U ooit gezien.
Maar wij vermoeden en geloven
dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.

Gij zijt in alles diep verscholen,
in al wat leeft en zich ontvouwt.
Maar in de mensen wilt Gij wonen
met hart en ziel aan ons getrouwd.

Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
waar ook ter wereld mensen zijn.
Blijf zo genadig met ons bezig,
tot wij in U volkomen zijn.

Tekst: Huub Oosterhuis
Melodie: 16e eeuw – ‘Slaat op den trommele’

Uit vuur en ijzer – Huub Oosterhuis

Groter dan mijn hart – Huub Oosterhuis

AMEN, AMEN, AMEN

Een christen uit de tweede eeuw over de eucharistie…..

Irenaeus van Lyon

Irenaeus van Lyon

De eucharistie
Een christen uit de tweede eeuw over de eucharistie

Een tekst uit de communauteit van Taizé

Een kenner van de geschriften van de eerste christenen, vestigde er de aandacht op dat er tot in de negende eeuw geen geschrift over de eucharistie bestond. Vóór die tijd vinden we wel talrijke en belangwekkende verwijzingen naar de eucharistie, maar ze vormt zelf niet het onderwerp van een verhandeling. Voor de eerste christenen staat de eucharistie namelijk niet op zichzelf. Ze is altijd verbonden met het geheel van het geloofsmysterie, waarvan ze de synthese vormt. Als een wezenlijk punt van het geloof bestreden wordt, dan dient de eucharistie als leidraad om te laten zien wat wel of niet door de beugel kan. Zo zal Irenaeus uit Lyon in de tweede eeuw zeggen: “Onze denkwijze stemt overeen met de eucharistie, en op haar beurt bevestigt de eucharistie onze denkwijze.” Als je Irenaeus op dit spoorvolgt, kom je bij de kern van het geloof.
De goedheid van de schepping

Irenaeus, de grote bisschop van Lyon, werd geconfronteerd met geestelijke stromingen die de zichtbare wereld minachtten en dachten dat zij vanuit mislukking ontstaan was. Irenaeus zag in de eucharistie een bevestiging van de goedheid van de schepping. Volgens Irenaeus is het onmogelijk om te twijfelen aan deze goedheid, omdat, “Jezus het brood, dat uit de schepping voortkomt, nam, dankte, en zei: Dit is mijn lichaam. En zo ook de beker, die voortkomt uit de schepping waarvan wij deel uitmaken: hij verklaarde dat dit zijn bloed was…” (AH, boek IV, 17, 5) De eucharistie kan geen denkwijze bevestigen die de schepping veracht. Integendeel, ze spreekt over de waardigheid van de schepping.

De opstanding van het lichaam

Irenaeus beriep zich op de eucharistie om het geloof in de opstanding van het lichaam te onderbouwen. In de oudheid werden de christenen vanwege dit geloof bespot. Degenen die op hen neerkeken, beweerden dat alleen zij zelf een echt geestelijk leven leidden. Deze discussie brengt ons bij de kern van het geloof in Christus en van de christelijke visie op God, maar ook de visie op de mens en op het leven waartoe God ons roept om het met Hem te delen.
Om de ware inzet van deze discussie te begrijpen, moeten we weten dat de opstanding van het lichaam geen zaak is van moleculen. Paulus bevestigt op krachtige wijze de opstanding van het lichaam, maar hij beseft dat alles zal worden omgevormd: “Wat u zaait, heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel.” (1 Korintiërs 15,37) Er bestaat dus een nieuw lichaam, een verheerlijkt lichaam. In die zin is er sprake van een onderbreking, maar tegelijkertijd is er ook voortzetting, want de plant of het tarwe komen voort uit het zaad.

In God is er plaats voor verschil

Ons lichaam bestaat uit onze persoon met zijn persoonlijke geschiedenis. Met Hemelvaart is Christus met zijn verheerlijkt lichaam binnengetreden in Gods eeuwigheid. Zijn aardse leven was voor hem niet iets ‘tussen haakjes’. Bezield door het geloof in de opgestane Christus, begrepen de eerste christenen dat God ieders geschiedenis wil ontvangen. In God is er plaats voor het meest persoonlijke, voor wat uniek is in ieder mens, voor alles wat verenigbaar is met de liefde. Dit geloof belijdt dat in Gods eeuwigheid het menselijke niet terzijde wordt geschoven. Ook de meest volledige vereniging met God die je je kunt voorstellen, gaat niet ten koste van het verschil. Als God ieder bij zijn naam noemt, betekent dat dat wij dit ook kunnen doen als wij bij Hem leven. Wij zullen de mensen die wij liefhadden, weerzien. Dostojewski werd gevoed door het geloof van de eerste christenen. Hij kon aan het eind van de Broeders Karamazov schrijven: “Wij zullen opstaan, en wij zullen elkaar weerzien, wij zullen elkaar vol vreugde vertellen wat er gebeurd is.” Het ontkennen van de opstanding van het lichaam, zou erop neerkomen dat we de God van het evangelie en wat Hij met ons voorheeft, misvormen. Deze God verdraagt immers niet alleen verschillen, maar Hij verlangt ernaar, Hij koestert ze en biedt ze toekomst.

Daarvan was Irenaeus overtuigd: “Hoe kunnen zij beweren dat het vlees niet in staat is Gods gave, die bestaat in het eeuwige leven, te ontvangen, terwijl het gevoed wordt door het bloed en het lichaam van Christus?” (Zie AH, boek IV, 18, 4.) In de eucharistie raakt het leven van de Opgestane niet enkel onze geest, noch komt het slechts als een idee binnen via onze oren. Dit voedsel raakt werkelijk ons lichaam. Irenaeus benadrukte dat de christenen verkondigen dat “het vlees en de Geest op harmonieuze wijze met elkaar verbonden en verenigd zijn. Het aardse brood is geen gewoon brood meer, maar eucharistie, nadat het de aanroeping van God ontvangen heeft. Het is dan samengesteld uit twee elementen, het ene aards en het andere hemels. Zo zijn ook onze lichamen die deelnemen aan de eucharistie, niet meer sterfelijk, omdat zij deelhebben aan de hoop van de opstanding.” (AH, boek IV, 18, 5)

De opdracht aan al het geschapene herkennen

De deelname aan de eucharistie wordt zo een manier om te verkondigen dat de wereld zin heeft. De gelovige herkent erin dat de schepping niet geroepen is tot het noodlot van de dood, maar tot omvorming. De eucharistie bezingt immers de overwinning van het leven. Dit neemt niet weg dat we door de dood heen moeten, maar juist daar zal de omvorming plaatsvinden. In de christen is echter al een kiem uitgezaaid. Een voorganger van Irenaeus, Ignatius van Antiochië, noemde dit, verwijzend naar de eucharistie, “een geneesmiddel van eeuwigheid”. Als we het eucharistisch lichaam van Christus en zijn leven als Opgestane ontvangen, dan laten wij ons opnemen in de ruimte waar de dood niet meer bestaat en waar de Geest een sluier oplicht van “wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, alles wat God bestemd heeft voor wie hem liefheeft” (1 Korintiërs 2,9).
Eucharistie en sociale verantwoordelijkheid

Een ander aspect van de eucharistie, dat ook bij Irenaeus al aanwezig is, wordt uitgebreid besproken door de kerkvaders in de derde en vierde eeuw: als we de eucharistie vieren, beseffen we onze sociale verantwoordelijkheid. Als wij het lichaam van Christus worden door onze deelname aan de eucharistie, als wij werkelijk leden van elkaars lichaam zijn, dan kunnen wij ons niet meer gedragen alsof de noodlijdende mensen ons niets aangaan. Zo ontstaat bij de eerste christenen de gewoonte om bij de eucharistie een gave voor de armen mee te brengen. Dit groeide uit tot de collecte. Het bewijst dat in het christendom een daadwerkelijke ervaring van mystiek altijd daden voortbrengt.

Bron : Taizé : https://www.taize.fr › nl_article2379

+++++++++++++++++++++++++

Irenaeus Against Heresies,  Book IV, 17, 5 :

5. Again, giving directions to His disciples to offer to God the first-fruits of His own, createdthings— not as if He stood in need of them, but that they might be themselves neither unfruitful nor ungrateful— He took that created thing, bread, and gave thanks, and said, This is My body. Matthew 26:26, etc. And the cup likewise, which is part of that creation to which we belong, He confessed to be His blood, and taught the new oblation of the new covenant; which the Church receiving from the apostles, offers to God throughout all the world, to Him who gives us as the means of subsistence the first-fruits of His own gifts in the New Testament, concerning which Malachi, among the twelve prophets, thus spoke beforehand: I have no pleasure in you, says the Lord Omnipotent, and I will not accept sacrifice at your hands. For from the rising of the sun, unto the going down [of the same], My name is glorified among the Gentiles, and in every place incense is offered to My name, and a pure sacrifice; for great is My name among the Gentiles, says the Lord Omnipotent; Malachi 1:10-11 — indicating in the plainest manner, by these words, that the former people [the Jews] shall indeed cease to make offerings to God, but that in every place sacrifice shall be offered to Him, and that a pure one; and His name is glorified among the Gentiles.

————————————————–

5. Opnieuw gaf Hij instructies aan Zijn discipelen om de eerstelingen van Zijn eigen, geschapen dingen aan God aan te bieden – niet alsof Hij ze nodig had, maar opdat zij zelf noch onvruchtbaar noch ondankbaar zouden zijn – nam Hij dat geschapen ding , brood, en dankte, en zei: Dit is mijn lichaam. Mattheüs 26:26, enz. En ook de beker, die deel uitmaakt van de schepping waartoe wij behoren, beleed Hij als Zijn bloed, en leerde Hij de nieuwe offerande van het nieuwe verbond; die de Kerk van de apostelen ontvangt, aan God over de hele wereld aanbiedt, aan Hem die ons als bestaansmiddelen de eerstelingen van Zijn eigen gaven in het Nieuwe Testament geeft, waarover Maleachi, onder de twaalf profeten, aldus sprak vooraf: Ik heb geen plezier in u, zegt de Almachtige Heer, en ik zal geen offers van uw hand aanvaarden. Want vanaf de opkomst van de zon tot aan de ondergang ervan wordt Mijn naam verheerlijkt onder de heidenen, en op elke plaats wordt wierook aan Mijn naam geofferd, en een zuiver offer; want groot is Mijn naam onder de heidenen, zegt de Almachtige Heer; Maleachi 1:10-11 – waarmee op de duidelijkste manier, door deze woorden, wordt aangegeven dat het vroegere volk [de Joden] inderdaad zal ophouden God offers te brengen, maar dat op elke plaats Hem offers zullen worden gebracht, en dat er een zuivere offergave zal worden gebracht. een; en Zijn naam wordt verheerlijkt onder de heidenen.

…………………………………………………………..

 Irenaeus Against Heresies, Book IV, 18,4-5 :

 

Augustinus : Over de zorg voor de doden …….

Augustinus :  “On the care of the dead/Over de zorg voor de doden” : deel 16 tot 20

 

16. Toon respect voor de doden

16. St. Augustinus werpt licht op dat moeilijke verhaal in 1 Koningen 13, waar een profeet wordt neergeslagen omdat hij een andere leugenachtige profeet geloofde. Hij leert dat we met zware tijdelijke straffen te maken kunnen krijgen als we ongehoorzaam zijn, zelfs als we worden misleid. Het verlies van aards leven is niet het ergste. Deze les is vandaag de dag vooral van toepassing. Er worden veel misleidingen uitgesproken door mensen die beweren een boodschap van God te hebben, maar toch moeten we onze ogen gericht houden op wat God consequent door de Kerk heeft geopenbaard.

seduced

Met deze bedoeling behaagde het de Heer namelijk om Zijn dienaar te straffen, die niet uit eigen weerzin had afgewezen Zijn gebod uit te voeren, maar door bedrog van de onwaarheid van iemand anders dacht dat hij gehoorzaamde terwijl hij niet gehoorzaamde. Want men moet niet denken dat hij door de tanden van het beest werd gedood als iemand wiens ziel vervolgens zou worden weggerukt naar de kwellingen van de hel: aangezien over zijn lichaam dezelfde leeuw die het had gedood de wacht hield, terwijl bovendien bleef het beest waarop hij reed ongedeerd, en samen met dat woeste beest stond het met onverschrokken aanwezigheid daar naast het lijk van zijn meester. Uit welk wonderbaarlijk teken blijkt dat de man van God, zeg maar, tijdelijk zelfs tot de dood werd belemmerd, dan dat hij na de dood werd gestraft. Over dit onderwerp zei de apostel, toen hij vanwege bepaalde overtredingen de ziekten en dood van velen had genoemd: Want als we onszelf zouden oordelen, zouden we niet door de Heer geoordeeld worden. Maar als we geoordeeld worden, worden we door de Heer gekastijd, zodat we niet samen met de wereld veroordeeld worden. Die Profeet, waarlijk de man die hem had verleid, begroef hem met veel respect in zijn eigen graf, en gaf opdracht om hem naast zijn beenderen te begraven: in de hoop dat daardoor zijn eigen beenderen gespaard zouden blijven, terwijl, volgens de Volgens de profetie van die man van God heeft Josia, de koning van Juda, in dat land de beenderen van vele doden opgegraven, en met dezelfde beenderen de heiligschennisaltaren verontreinigd die voor de gesneden beelden waren opgericht. Want hij spaarde het graf waarin de profeet lag die meer dan driehonderd jaar geleden deze dingen had voorspeld, en ter wille van hem werd ook het graf van hem die hem had verleid niet geschonden.

++++++++++++++++++++++

17. God liet de martelaren toe

17. God heeft de dood van de martelaren en de ontwijding van hun lichamen toegestaan, als een getuigenis voor de wereld dat de liefde voor God en het vertrouwen in Zijn vermogen om het lichaam weer tot leven te wekken de angst voor vervolging, marteling en dood overwint. Dit getuigenis kan ons vandaag inspireren om ons vertrouwen op God te stellen.

able

Door die genegenheid namelijk, die ervoor zorgt dat niemand ooit zijn eigen vlees haat, had deze man goed op zijn karkas gelet, die met een leugen zijn eigen ziel had gedood. Vanwege deze natuurlijke liefde die ieder mens voor zijn eigen vlees koestert, was het voor de één een straf om te horen dat hij niet in het graf van zijn vader mocht zijn, en voor de ander een zorg om vooraf orde op zaken te stellen. dat zijn eigen beenderen gespaard zouden blijven, als hij naast hem zou liggen wiens graf niemand zou mogen schenden. Deze genegenheid hebben de Martelaren van Christus, strijdend voor de waarheid, overwonnen: en het is geen wonder dat ze datgene verachtten waarvan ze, toen de dood voorbij was, geen gevoel zouden hebben, terwijl ze dat niet konden door die martelingen, die ze tijdens hun leven wel voelden. overwonnen worden. God was ongetwijfeld in staat (ook al stond Hij niet toe dat de leeuw, toen hij de Profeet had gedood, zijn lichaam verder aanraakte, en van een moordenaar maakte hij het tot een hoeder): Hij was in staat, zeg ik, om zijn lichaam te behouden. de gedode lichamen van Hemzelf, afkomstig van de honden waarnaar ze waren geslingerd; Hij was in staat om op talloze manieren de woede van de mannen zelf af te schrikken, dat ze het niet zouden durven om de karkassen te verbranden, de as te verstrooien: maar het was passend dat deze ervaring ook niet zou ontbreken aan de vele verschillende verleidingen. opdat de standvastigheid van de belijdenis, die niet zou wijken voor de wreedheid van de vervolging, die niet zou wijken voor de redding van het leven van het lichaam, bevend zou verlangen naar de eer van een graf: in één woord, opdat het geloof van de redding niet zou wijken voor de wreedheid van de vervolging , zou bevend moeten verlangen naar de eer van een graf: in één woord: opdat het geloof in de opstanding niet bang zou zijn voor het verteren van het lichaam.

++++++++++++++++++++

18. Het zijn de levenden die troost vinden in begrafenissen

18. Hoewel misbruik van de lichamen van de martelaar geen extra schade veroorzaakte aan de zielen van de martelaar, veroorzaakte het wel groot verdriet bij degenen die achterbleven en de laatste eer wilden bewijzen aan de stoffelijke resten van de heiligen. Het zijn de levenden die het meest lijden onder het gebrek aan waardigheid dat aan de doden wordt betaald.

possible

Het was toen passend dat zelfs deze dingen werden toegestaan, zodat, zelfs na deze voorbeelden van zo grote verschrikking, de martelaren, vurig in de belijdenis van Christus, ook getuigen zouden worden van deze waarheid, waarin ze hadden geleerd dat ze door wie hun lichamen moesten worden gedood, konden ze daarna niets meer doen. Omdat ze, wat ze ook met dode lichamen zouden doen, uiteindelijk niets zouden doen, aangezien het in het vlees verstoken van alle leven voor hem niet mogelijk was om iets te voelen die daar was vertrokken, noch voor Hem om er iets van te verliezen, Die de schepping schiep. hetzelfde. Maar terwijl deze dingen de lichamen van de gesneuvelden aandeden, leden de Martelaren, die er niet door bang voor waren, met grote kracht, toch was er onder de broeders een buitengewoon verdriet, omdat hun geen middel werd gegeven om de laatste eer aan hen te betalen. de overblijfselen van de heiligen, noch het in het geheim terugtrekken van enig deel daarvan (zoals dezelfde geschiedenis getuigt), stond het toezicht op wrede wachters toe. Dus terwijl degenen die waren gedood, bij het uiteenscheuren van hun ledematen, bij het verbranden van hun botten, bij het verspreiden van hun as, geen ellende konden voelen; toch leden degenen die niets van hen hadden dat ze konden begraven, martelingen van buitengewoon verdriet omdat ze medelijden met hen hadden; want wat zij op geen enkele manier voelden, voelden deze op de een of andere manier wel voor hen, en waar er voortaan voor hen geen lijden meer was, leden zij toch in treurig medelijden voor hen.

+++++++++++++++++++++

19. Iemands ziel wordt niet beïnvloed door de behandeling van het lichaam

19. Van degenen die de lichamen van Saul en zijn zoon gingen ophalen, wordt gezegd dat ze gezegend zijn voor deze genade. Toch geloven wij niet dat iemands ziel wordt beïnvloed door de behandeling van zijn lichaam. Want het is goed, een daad van barmhartigheid, dat ons hart ertoe bewogen wordt voor de lichamen van de doden te zorgen.

blessed

Met betrekking tot die smartelijke ontferming die ik heb genoemd, worden zij geprezen, en door koning David gezegend, die aan de dorre beenderen van Saul en Jonathan barmhartigheid van de begrafenis schonken. Maar welke barmhartigheid is dat, die verleend wordt aan hen die niets voelen? Of is dit misschien terug te voeren op die voorstelling van een helse rivier waar mannen zonder begrafenis niet overheen konden? Verre zij dit van het geloof van de christenen; anders is het zeer slecht gegaan met zo’n grote menigte Martelaren, voor wie er geen begrafenis van hun lichamen kon zijn, en de Waarheid heeft hen bedrogen toen zij zei: Vrees hen niet die het lichaam doden, en daarna niets meer hebben dat zij kunnen doen, als deze in staat zijn geweest hen zo’n groot kwaad aan te doen, waardoor zij werden gehinderd om over te gaan naar de plaatsen waarnaar zij verlangden. Maar omdat dit zonder enige twijfel zeer vals is, en het de gelovigen geenszins schaadt dat hun lichamen niet worden begraven, noch dat het schenken van een begrafenis aan ongelovigen hen ten goede komt; maar omdat het een goede genegenheid is waarmee de harten van de medelijdende mensen worden geraakt, wanneer zij treuren om datgene in de dode lichamen van andere mensen, wat zij, door die genegenheid waardoor niemand ooit zijn eigen vlees haat, niet zouden hebben gedaan na hun eigen dood aan hun eigen lichamen; En wat zij door hen zouden willen laten doen wanneer zij geen gevoel meer zullen hebben, dat zij ervoor zorgen om door anderen te laten doen die nu geen gevoel hebben, terwijl zij zelf nog gevoel hebben?

++++++++++++++++++++

20. Dromen van de doden

20. Ga er niet van uit dat een droom waarin een overleden geliefde ons dingen vertelt, een communicatie is van voorbij de dood. Want hoewel deze soms waar zijn, zijn ze meestal zinloos en soortgelijke dromen zijn er van de levenden die ons later vertellen dat ze niet in onze dromen zijn uitgekomen.

ask

Er worden verhalen verteld over bepaalde verschijningen of visioenen, die in deze discussie een kwestie lijken te brengen die niet mag worden veronachtzaamd. Er wordt namelijk gezegd dat dode mensen soms in dromen of op een andere manier aan de levenden zijn verschenen die niet wisten waar hun lichamen onbegraven lagen, en dat zij hen de plaats hebben aangewezen en hen hebben vermaand dat zij de ontbrekende begrafenis zouden krijgen. Als wij antwoorden dat deze dingen onwaar zijn, zullen wij onbeschaamd geacht worden de geschriften van bepaalde gelovige mensen tegen te spreken, en de zintuigen van hen die ons verzekeren dat zulke dingen met henzelf zijn gebeurd. Maar er moet worden geantwoord dat hieruit niet volgt dat wij de doden moeten toerekenen dat zij zintuigen hebben voor deze dingen, omdat zij in dromen verschijnen om dit te zeggen of aan te geven of te vragen. Want levende mensen verschijnen ook vaak aan de levenden terwijl zij slapen, terwijl zij zelf niet weten dat zij verschijnen; en hun wordt verteld wat zij gedroomd hebben, namelijk dat de sprekers hen in hun droom iets zagen doen of zeggen. Als het dan gebeurt dat iemand in een droom mij ziet die hem wijst op iets dat is gebeurd of zelfs iets voorspelt dat gaat gebeuren, terwijl ik me daar helemaal niet van bewust ben en er totaal niet bij stilsta, niet alleen wat hij droomt, maar ook of hij wakker is terwijl ik slaap, of dat hij slaapt terwijl ik wakker ben, of dat we op hetzelfde moment allebei wakker zijn of slapen, op welk tijdstip hij de droom heeft waarin hij mij ziet: Wat zou het dan verbazen als de doden onbewust en ongevoelig zijn voor deze dingen en toch door de levenden in hun dromen worden gezien en iets zeggen waarvan zij bij het ontwaken de waarheid inzien?

+++++++++++++++++++++

 

 

Vanaf nu kunnen de geposte artikelen van Augustinus – samen bij elkaar gelezen worden bij de ‘categorieën’ onder de titel ‘On the care of the dead/ over de zorg voor de doden’.

De nummers van 6 tot 10 waren bij vergissing niet gepost – alles is nu in orde.

veel leesgenot…..

Kris Biesbroeck

Alexander Schmemann : Priester en Theoloog

4e48c8137af70fa09d9ff4323024a72c

Voor het leven van de wereld / for the life of the world

Alexander Schmemann

“This is my body, this is my blood. Take, eat, drink.…” And generations upon generations of theologians ask the same questions. How is this possible? How does this happen? And what exactly does happen in this transformation? And when exactly? And what is the cause? No answer seems to be satisfactory. Symbol? But what is a symbol? Substance, accidents? Yet one immediately feels that something is lacking in all these theories, in which the Sacrament is reduced to the categories of time, substance, and causality, the very categories of “this world.” Something is lacking because the theologian thinks of the sacrament and forgets the liturgy. As a good scientist he first isolates the object of his study, reduces it to one moment, to one “phenomenon”—and then, proceeding from the general to the particular, from the known to the unknown, he gives a definition, which in fact raises more questions than it answers. But throughout our study the main point has been that the whole liturgy is sacramental, that is, one transforming act and one ascending movement. And the very goal of this movement of ascension is to take us out of “this world” and to make us partakers of the world to come. In this world—the one that condemned Christ and by doing so has condemned itself—no bread, no wine can become the body and blood of Christ. Nothing which is a part of it can be “sacralized.” But the liturgy of the Church is always an anaphora, a lifting up, an ascension. The Church fulfills itself in heaven in that new eon which Christ has inaugurated in His death, resurrection and ascension, and which was given to the Church on the day of Pentecost as its life, as the “end” toward which it moves. In this world Christ is crucified, His body broken, and His blood shed. And we must go out of this world, we must ascend to heaven in Christ in order to become partakers of the world to come.”
― Alexander Schmemann, For the Life of the World

Alexander Schmemann
Priester en theoloog

SCHMEMANN100

“Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed. Nemen, eten, drinken….” En generaties na generaties theologen stellen dezelfde vragen. Hoe is dit mogelijk? Hoe gebeurt dit? En wat gebeurt er precies in deze transformatie? En wanneer precies? En wat is de oorzaak? Geen enkel antwoord lijkt bevredigend. Symbool? Maar wat is een symbool? Substantie, ongelukken? Toch voelt men onmiddellijk dat er iets ontbreekt in al deze theorieën, waarin het Sacrament wordt gereduceerd tot de categorieën tijd, substantie en causaliteit, de categorieën van “deze wereld”. Er ontbreekt iets omdat de theoloog aan het avondmaal denkt en de liturgie vergeet. Als een goede wetenschapper isoleert hij eerst het object van zijn studie, reduceert het tot één moment, tot één “fenomeen” – en dan, van het algemene naar het bijzondere, van het bekende naar het onbekende, geeft hij een definitie, die in feite meer vragen oproept dan het beantwoordt. Maar gedurende onze hele studie is het belangrijkste punt geweest dat de hele liturgie sacramenteel is, dat wil zeggen, één transformerende handeling en één opgaande beweging. En het eigenlijke doel van deze beweging van ascensie is om ons uit “deze wereld” te halen en ons deel te laten nemen aan de komende wereld. In deze wereld – degene die Christus veroordeelde en daardoor zichzelf heeft veroordeeld – kan geen brood, geen wijn het lichaam en bloed van Christus worden. Niets dat er deel van uitmaakt, kan worden ‘geheiligd’. Maar de liturgie van de Kerk is altijd een anaphora, een verheffing, een hemelvaart. De Kerk vervult zichzelf in de hemel in die nieuwe aeon die Christus heeft ingewijd in Zijn dood, opstanding en hemelvaart, en die op de Pinksterdag aan de Kerk is gegeven als haar leven, als het “einde” waarnaar zij op weg is. In deze wereld wordt Christus gekruisigd, Zijn lichaam gebroken en Zijn bloed vergoten. En we moeten deze wereld verlaten, we moeten opstijgen naar de hemel in Christus om deel te nemen aan de toekomende wereld.”
― Alexander Schmemann, Voor het leven van de wereld

Augustinus wie was hij ? …..

Augustinus : een overzicht van zijn leven en werken…. Belangrijk artikel om Augustinus beter te leren kennen als één van de grootste Kerkaders!!!

AUGUSTINUS2222

‘Een mens kan de goede dingen van dit leven tegen zijn wil verliezen, maar als hij de eeuwige zegeningen verliest, doet hij dat met zijn eigen toestemming.’

Sint-Augustinus: de stad van God bk 15, ch23

Augustinus prijst de grootheid van God
1.1. ‘Bekentenissen van St. Augustinus’
U bent groot, o Heer, en moet zeer geprezen worden. Groot is uw macht, en aan uw wijsheid is geen maatstaf.’ En (toch) wil de mens je prijzen – de mens, een deel van je creatie. U wekt ons zo op dat het ons een genoegen is U te prijzen. Want je hebt ons voor jezelf gemaakt, en ons hart is onrustig totdat het in jou rust.
1.2. En hoe zal ik mijn God, mijn God en mijn Heer aanroepen? Want ik zal Hem zeker in mezelf roepen als ik Hem aanroep. (A. speelt hier met woorden – aanroepen kan in het Latijn ook ‘inroepen’ betekenen.) En in welke kamer is er in mij waar mijn God zou kunnen binnenkomen? Waarin zou God in mij kunnen komen, de God die hemel en aarde gemaakt heeft? Is het zo, Heer mijn God, is er iets in mij dat u kan bevatten? Of bevatten de hemel en de aarde – die jij hebt gemaakt en waarin jij mij hebt gemaakt – jou?

1.4. Wat ben jij dan, mijn God? Wat, vraag ik, behalve de Heer God. Want wie is de Heer naast God? Of wie is God naast onze God? – De meest hoge, de meest goede, de machtigste, de meest almachtige, de meest barmhartige en de meest rechtvaardige, het meest geheim en het meest aanwezig; mooiste en sterkste; meest stabiel en onbegrijpelijk; onveranderlijk dat (nog) alle dingen verandert; nooit nieuw, nooit oud; alle dingen nieuw maken en de hoogmoedigen naar (de ineenstorting van) de ouderdom brengen; altijd handelend, altijd in rust; verzamelen en niet nodig hebben; dragen en vullen en beschermen (alle dingen); creëren en voeden en perfectioneren; zoeken, ook al ontbreekt het je aan niets.

Je houdt van, maar wordt nooit gestoord; je bent jaloers en veilig; je hebt spijt, en je treurt niet; je bent boos en rustig; je verandert je werken, maar verandert je plannen niet; je krijgt terug wat je vindt, en je verliest nooit. Dingen worden u in overvloed gegeven, zodat u (onze) schuldenaar bent – ​​en wie heeft iets dat niet van u is? Je betaalt schulden terug, ook al ben je die aan niemand verschuldigd. Je lost schulden af, zonder iets te verliezen.

1.5. Wat ben ik voor jou dat je mij beveelt om van je te houden, en tenzij ik het doe, ben je boos op mij en dreigt je met enorme ellende? Het huis van mijn ziel is smal – moge je het vergroten. Het ligt in puin; maak het opnieuw. Er zitten dingen in die je ogen beledigen, dat beken ik en ik weet het. Maar wie zal het schoonmaken? Of tot wie anders dan u zal ik roepen: “Reinig mij van mijn verborgen fouten, o Heer”?

1.6. Maar sta mij toch toe te spreken voor uw genade – ik, die stof en as ben – en sta mij toch toe te spreken. Voor zie! het is uw genade – niet de man die mij uitlacht – waartoe ik spreek.

Kinderschoenen

Wat is het dat ik wil zeggen, Heer, behalve dat ik niet weet waar ik hier vandaan kom? Moet ik zeggen: in dit sterfelijke leven, of in deze levengevende dood, dat weet ik niet. En de troost van uw genade ontving mij, zoals ik hoorde van de ouders van mijn vlees, van wie en in wie u mij op tijd vormde – want ik herinner het me niet. Dus toen ontving ik de troost van moedermelk. Noch mijn moeder, noch mijn verpleegsters vulden hun borsten met zichzelf. Maar u, Heer, u hebt mij via hen kindervoedsel gegeven, overeenkomstig uw voorzienigheid, en de rijkdommen zijn tot in de diepte geregeld.

U hebt ook bepaald dat ik niet meer zou willen dan u gaf, en dat degenen die mij verzorgden, moesten willen geven wat u hen gaf. Want zij wilden mij geven dankzij de welgeordende houding waarin zij bij u overvloedig aanwezig waren. Want mijn goed van hen was goed voor hen – wat (nog) niet van hen kwam, maar door hen.

En zie! Beetje bij beetje begon ik te voelen waar ik was. En ik wilde mijn verlangens laten zien aan degenen door wie ze vervuld konden worden, en (toch) was ik niet in staat ze te manifesteren, want die verlangens zaten van binnen – degenen (die ze konden vervullen) waren van buitenaf (buiten mij). Ook konden ze op geen enkele manier mijn ziel binnendringen. En dus wiebelde ik met mijn ledematen en mijn stem – tekens die overeenkwamen met mijn verlangens – de weinige die ik kon maken, zoals ik kon maken. En toen ze mij niet gehoorzaamden – hetzij omdat ze het niet begrepen, hetzij om mij niet iets slechts te doen – was ik verontwaardigd op mijn ouderen omdat ze niet aan mij onderworpen waren, en op kinderen die mij niet dienden. En ik nam wraak op hen door te huilen. Zo heb ik geleerd dat baby’s zijn – degenen die ik heb leren kennen – en zij, zonder het te weten, hebben mij onthuld dat ik zo was, meer dan mijn verpleegsters die dat wel weten.

Het kleine lijfje leert praten.

1.8. Ben ik, door deze richting in te slaan, niet van de kindertijd naar de kindertijd gegaan, of beter gezegd, de kindertijd kwam naar mij toe en verving de kindertijd? Want ik was geen baby (Latijn betekent niet-spreker) die niet kon praten, maar nu was ik een sprekende jongen. En ik herinner me dit, en later merkte ik hoe ik leerde spreken. Want mijn oudsten hebben mij dit niet geleerd door mij woorden in een vaste leervolgorde te geven, zoals ze later met letters deden. Maar ikzelf, met de geest die U mij gaf, mijn God, wilde met gekreun, verschillende vocale geluiden en bewegingen van mijn ledematen uitdrukken wat er in mijn hart was, zodat mijn wil gehoorzaamd zou kunnen worden. En ik kon niet alles duidelijk maken wat ik wilde. Ik heb het in mijn geheugen gegrepen als ze iets noemden, en als ze na een bepaald woord hun lichaam naar iets bewogen. Ik zag en hield altijd vast welk geluid ze gebruikten als ze iets wilden aanduiden. Het was duidelijk dat ze dit bedoelden door de beweging van hun lichaam, zoals door de woorden die natuurlijk zijn voor alle naties, woorden die bestaan ​​uit gezichtsuitdrukkingen, bewegingen van de ogen en de handelingen van andere ledematen, en door de klanken van de stem die hun houding bij het zoeken, hebben, afwijzen of vluchten van dingen. En zo verzamelde ik beetje bij beetje waar woorden voor stonden, wanneer ze op hun plaats werden gezet in verschillende betekenissen, die ik vaak hoorde. En door mijn mond te beheersen om deze tekens te maken, drukte ik nu uit wat ik wilde. En dus communiceerde ik de tekenen van mijn wensen aan degenen onder wie ik was, en ging ik dieper in op de stormachtige samenleving van het menselijk leven, afhankelijk van het gezag en het knikje van mijn ouders en oudere personen.

Hij bidt om mishandeling op school te voorkomen.

1.9. O God, mijn God, wat een ellende en spot heb ik daar (op school) meegemaakt. Want toen ik een jongen was, werd mij een juist leven voorgesteld als het gehoorzamen van degenen die mij adviseerden, zodat ik in deze wereld zou kunnen floreren en uitblinken in woordenrijke kunsten, die dienen tot de eer van mensen, en in valse rijkdom. Dus toen werd ik naar school gestuurd om letters te leren waarvan ik, ongelukkige, de waarde niet kende. En toch, als ik langzaam leerde, kreeg ik een pak slaag. want de oudsten keurden dit goed. En velen daarvoor hebben tijdens dit leven vermoeiende wegen aangelegd waarlangs wij gedwongen werden te gaan, waarbij het lijden en verdriet voor de zonen van Adam zich vermenigvuldigden.
Bovendien hebben we, Heer, mannen gevonden die tot U baden. En wij leerden van hen, voorzover wij konden, dat er een Grote was die – ook al verscheen Hij niet aan onze zintuigen – ons kon horen en ons kon helpen. Want als jongen begon ik je mijn hulp en mijn toevlucht te vragen, en ik brak de knopen van mijn tong om je aan te roepen, en ik bleef je, als kleintje, met niet weinig gevoel vragen dat ik misschien geen antwoord zou krijgen. slaan op school.
En toen je mij niet hoorde – wat niet bedoeld was om mij dwaasheid te leren (A. interpreteert Psalm 21.3 op deze manier: de weigering van zijn gebed was om te voorkomen dat hij dwaas zou worden) – werden mijn slagen uitgelachen door oudere mensen, en zelfs door mijn ouders, die wilden dat mij geen kwaad zou overkomen, hoewel deze mishandelingen destijds in mijn ogen een groot en ernstig kwaad waren.

Is er iemand, Heer, zo’n grote ziel, die met zo’n grote liefde aan U vasthoudt? Is er, vraag ik, iemand die door vroom aan U vast te houden daardoor zo sterk wordt getroffen dat hij weinig denkt aan rekken en haken en andere uiteenlopende kwellingen? van dit soort – welke mannen over de hele wereld tot je bidden om te ontsnappen, met grote angst – zoals onze ouders deden die lachten om de kwellingen waarmee wij jongens werden getroffen door onze leraren? Want we waren ook niet minder bang voor deze dingen, en we baden ook niet minder tot je om eraan te ontsnappen. En toch zondigden we door minder te schrijven, minder te lezen of minder na te denken over brieven dan er van ons werd verlangd.

En toch heb ik gezondigd, Heer mijn God, heerser en schepper van alle dingen van de natuur, maar alleen de heerser van de zonden: ik heb gezondigd, o Heer mijn God, door tegen de voorschriften van mijn ouders en die leraren in te handelen. Want later kon ik goed gebruik maken van de letters die ze wilden dat ik leerde, wat hun houding ook was toen ze dat wilden. Want ik was ongehoorzaam, niet omdat ik voor betere dingen koos, maar uit liefde voor spelen, uit liefde voor trotse overwinningen in wedstrijden en uit liefde voor het kietelen van mijn auto’s door valse fabels, zodat ze vuriger zouden jeuken.
Zie deze dingen, Heer, genadig, en bevrijd ons die nu een beroep op U doen. Bevrijd ook degenen die u nog niet aanroepen, zodat zij u kunnen aanroepen en u hen kunt bevrijden.

Hij werd catechumeen en wordt bijna gedoopt

1.11. Toen ik nog een jongen was, had ik gehoord over het eeuwige leven dat ons was beloofd door de nederigheid van uw Zoon, onze Heer en God, die afdaalde tot onze trots. En ik was al ondertekend met het kruisteken en werd al gekruid met zijn zout vanuit de baarmoeder van mijn moeder, die veel op jou hoopte.
U zag, Heer, toen ik nog een jongen was, en op een dag door buikklachten plotseling koorts kreeg en bijna dood was. U zag, mijn God, aangezien U toen al mijn voogd was, met welke emotie en met welk geloof ik smeekte om de doop van uw Christus, mijn God en Heer, vanwege de toewijding van mijn moeder en de toewijding van de moeder van allen. wij, uw Kerk. En de moeder van mijn vlees was verontrust – omdat ze heel erg aan het bevallen was voor mijn eeuwige verlossing en met een kuis hart in uw geloof – en er haastig voor zou hebben gezorgd dat ik werd ingewijd in de reddende sacramenten en werd gewassen, terwijl ik U belijde, Heer Jezus, voor de vergeving van zonden, als ik niet plotseling weer gezond was geworden. En dus werd mijn reiniging uitgesteld, alsof het nodig was dat ik nog smeriger zou worden als ik zou leven. Want dat wil zeggen, na dat bad (de doop) zou de schuld van zonden in vuiligheid groter en gevaarlijker zijn.

Dus ik geloofde al, en zij geloofde, en het hele huis, behalve mijn vader alleen. Hij heeft mij echter niet het recht op de toewijding van mijn moeder ontnomen om mij ervan te weerhouden in Christus te geloven, zoals hij nog niet had geloofd. Want zij streefde ernaar dat u een vader voor mij zou zijn, mijn God, en niet voor hem. En hierin hielp je haar haar man te overwinnen die ze diende, hoewel ze beter was dan hij, want hierin diende ze zeker jou die haar beval dat ze zo zou handelen.

Ik vraag u, mijn God, ik zou graag willen weten, als u het ook wilt, met welk doel ik werd uitgesteld om toen niet gedoopt te worden. Was het voor mij ten goede, alsof dan de teugels van de zonde werden losgelaten, of niet? Op dit punt klinkt er zelfs nu nog van alle kanten over verschillende andere personen in onze oren: ‘Laat hem gaan. Laat hem doen wat hij wil. Want hij is nog niet gedoopt.’ En toch zeggen we in het geval van de gezondheid van het lichaam niet: ‘Laat hem gaan. Laat hem nog meer gewond raken. Want hij is nog niet genezen.’ Hoeveel beter zou het dan zijn geweest dat ik snel genezen zou zijn, en dat er voor mij gezorgd zou worden, door mijn toewijding en die van mijn volk, dat de gezondheid van mijn ziel nadat ik hersteld was, veilig zou zijn geweest onder de bescherming van jou die zou het gegeven hebben.

Hij heeft een hekel aan Grieks op school, maar houdt van de verhalen van Vergilius

1.12. In de kindertijd zelf – daar was ik minder bang voor dan in de puberteit – hield ik niet van brieven. En ik vond het vreselijk om tegen hen aan geduwd te worden. Toch werd ik gepusht, en dat ging goed voor mij, maar ik deed het niet goed. Want ik zou het niet geleerd hebben als ik niet gedwongen was. Toch deden degenen die mij dwongen het niet goed. Maar dankzij u is het goed met mij afgelopen, mijn God. Want zij (die mij dwongen) maakten zich niet druk over het gebruik dat ik van brieven zou maken – behalve om onverzadigbare verlangens van rijke behoeftigheid en beschamende glorie te bevredigen. Maar jij, voor wie ‘de haren van mijn hoofd geteld zijn’, maakte in mijn voordeel gebruik van de fout van allen die mij aanspoorden om te leren. Maar jij maakte gebruik van mijn fout – ik die het niet wilde leren – voor mijn straf, die ik niet onwaardig was – zo klein jongetje en zo grote zondaar! En dus heb je het goed voor mij gedaan door middel van degenen met wie het niet goed ging. En jij hebt mij terecht vergolden voor mijn eigen zonde. Want jij hebt het bevolen, en het is zo dat elke wanordelijke ziel haar eigen straf is.

1.13. Ik weet zelfs nu nog steeds niet waarom ik een hekel had aan de Griekse literatuur, waarin ik als jongen verdiept was. Want ik werd verliefd op Latijnse letters – niet het soort dat de leraren op het basisonderwijs onderwijzen, maar wat degenen die grammatica’s worden genoemd, onderwijzen. Voor die eerste fasen, waarin je leert lezen, schrijven en rekenen, vond ik niet minder belastend en strafbaar dan alle Griekse letters. En toch, waar komt dit vandaan, zo niet uit de zonde en de ijdelheid van het leven? Want ik was vlees, “een geest die wandelt en niet terugkeert.” Want zeker waren die eerste brieven beter, omdat het zekerder was, waarin het gebeurde en is gebeurd, en nog steeds waar is dat ik kan lezen wat ik geschreven vind en dat ik zelf kan schrijven, als ik dat wil – de eerste brieven waren beter dan die brieven waarin ik moest huilen om de omzwervingen van iemand die Aeneas heette – mijn eigen omzwervingen vergat – en om de dood van Dido te betreuren, die zelfmoord pleegde uit liefde – terwijl ik mezelf ondertussen met droge ogen kon verdragen – zeer ellendig! – stervend voor u in deze dingen, o God, mijn leven.

Want wat was er ellendiger dan dat ik geen medelijden met mezelf had, en huilde om de dood van Dido, die gebeurde vanwege haar liefde voor Aeneas, terwijl ik niet huilde om mijn eigen dood, die voortkwam uit het feit dat ik niet van U hield, o God, licht van mijn hart, en innerlijk brood van de mond van mijn ziel?
Maar moge nu mijn God en uw waarheid het uitroepen en in mijn ziel tegen mij zeggen: “Het is niet zo, het is niet zo.” Beter was zeker die eerste les. Want zie, ik ben eerder bereid de omzwervingen van Aeneas en al dat soort dingen te vergeten dan te vergeten hoe ik moet schrijven en lezen.
Maar er hangen sluiers aan de drempels van de scholen van grammatici, die niet meer staan ​​voor de eer van een geheim dan voor het verdoezelen van fouten. Laat degenen voor wie ik niet langer bang ben, niet tegen mij schreeuwen, wanneer ik aan U beken wat mijn ziel wil belijden, mijn God, en berusten in het bestraffen van mijn slechte wegen, zodat ik uw goede wegen mag liefhebben.
Dus zondigde ik als jongen toen ik meer van die lege dingen hield dan van deze nuttigere dingen, of beter gezegd: ik haatte het een en hield van het ander. Want ‘één en één zijn twee. Twee en twee zijn vier’ was voor mij een hatelijk liedje geweest – maar het houten paard, vol gewapende mannen, en het verbranden van Troje waren een heel lieflijk schouwspel van ijdelheid geweest.
1.14. Waarom had ik dan een hekel aan (het leren van) Griekse letters, die over zulke dingen zingen? Want Homerus is ook bedreven in het weven van zulke fabels, en is uiterst ijdel – en toch was hij als jongen verbitterd tegen mij. Ik veronderstel dat Vergilius ook zo is tegen Griekse jongens, als ze hem moeten leren, zoals ik gedwongen werd om Homerus te leren – met moeite tenminste. De moeilijkheid om een ​​vreemde taal te leren, volledig besprenkeld als met gal, alle zoetigheden van Griekse fantastische verhalen. Want ik kende geen (Griekse) woorden en er werd hevig druk op mij uitgeoefend met wrede verschrikkingen en straffen, zodat ik zou leren. Want als kind kende ik ooit geen Latijnse woorden; en toch leerde ik ze door er nota van te nemen, zonder enige angst en marteling, te midden van de verlokkingen van mijn verpleegsters, en de grappen van degenen die naar me glimlachten, en de vreugde van degenen die met me speelden. Ik heb ze geleerd zonder de straflast van mensen die op mij drukten, omdat mijn hart mij aansprak, om de concepten ervan uit te kunnen drukken – wat ik niet zou kunnen doen zonder enkele woorden te leren, niet van leraren maar van degenen die spraken, in wier oren probeerde ik naar voren te brengen wat ik voelde. Het is dus heel duidelijk dat vrije nieuwsgierigheid een grotere kracht heeft om deze dingen te leren dan angstwekkende noodzaak.

Hij moet June nabootsen in een toespraak.

1.17. Sta mij toe, mijn God, om ook iets te zeggen over mijn vermogen, uw gaven (om te vertellen) in welke waanzin het versleten was. Want er werd mij een opdracht gegeven, die nogal lastig was voor mijn ziel – met lof als beloning, of uit angst voor schande en een pak slaag – dat ik de woorden van Juno moest uitspreken als ze boos en verdrietig was, omdat ze ‘de koning niet opzij kon zetten’. van de Trojanen uit Italië’ – wat ik nog nooit van Juno had gehoord. Maar we werden tijdens onze omzwervingen gedwongen het spoor van poëtische fictie te volgen, en in proza ​​iets te zeggen van het soort dat de dichter in verzen had kunnen zeggen. En die student sprak met grotere lof bij wie, in overeenstemming met de waardigheid van de afgebeelde persoon, een waarschijnlijker houding van woede en verdriet naar voren kwam, met passende woorden die de gedachten omhulden.

Wat had ik eraan, mijn ware leven, mijn God, dat er bij deze recitatie meer applaus voor mij klonk dan voor veel medestudenten van mijn eigen leeftijd? Zie, zijn al deze dingen niet rook en wind? Was er geen andere kwestie waarop mijn geest en tong getraind hadden kunnen worden? Uw lof, Heer, uw lof door uw Schriften had de wijnstok van mijn hart kunnen ondersteunen, en het zou niet zijn weggevoerd in lege kleinigheden, een schandelijke prooi voor vogels. Want er is meer dan één manier om offers te brengen aan de gevallen engelen!

Augustinus herinnert zich zijn slechte jeugd.

2.1. Ik wil mijn vroegere fouten en de vleselijke verdorvenheden van mijn ziel in herinnering brengen – niet omdat ik ervan houd, maar om van U te kunnen houden, mijn God. Uit liefde voor jouw liefde doe ik dit, terwijl ik mijn meest slechte manieren in herinnering breng, in de bitterheid van mijn gedachten, zodat jij lief voor mij wordt, een zoetheid die niet bedrieglijk is, een gelukkige en veilige zoetheid. Want ik stond in vuur en vlam om in mijn jeugd de hel te vullen, en ik durfde wild te worden in gevarieerde en schimmige liefdes. Ik werd rot voor jouw ogen, terwijl ik mezelf behaagde en de ogen van mensen wilde behagen.

2.2. En wat was het dat mij verrukte, behalve liefhebben en geliefd worden? Maar ik hield me niet aan de juiste maatstaf en maakte dus geen onderscheid tussen de sereniteit van liefde en de mist van lust. Beide kookten verward samen, en voerden mijn zwakke leeftijd mee via de steile paden van verlangens, en lieten me zinken in de draaikolk van misdaden. Maar jammerlijk raasde ik, de stroom van mijn stroom volgend, en jou achterlatend. En ik ging buiten al uw wettelijke grenzen, noch ontkwam ik aan uw plagen. Voor wie van de stervelingen kan dat? Want U was altijd aanwezig, barmhartig woedend, en al mijn ongeoorloofde genoegens besprenkelend met de meest bittere onaangenaamheden, zodat ik zou kunnen proberen plezier te vinden zonder onaangenaamheden, en waar ik kon, zou ik niets anders vinden dan U, Heer.
Waar was ik, en hoe ver was ik in ballingschap van de geneugten van jouw huis in dat zestiende jaar van mijn vlees, toen luxe de scepter over mij kreeg en ik er volledig mijn handen aan gaf, aan de waanzin van losbandige lust? En mijn eigen familie zorgde er niet voor dat ze mij door een huwelijk wegrukten terwijl ik verder snelde. Maar zij wilden alleen dat ik leerde de best mogelijke toespraak te houden en te overtuigen met mijn woorden.
2.3 In dat jaar werd mijn studie onderbroken nadat ik terugkeerde uit Madaura – de naburige stad waar ik was begonnen te verblijven om literatuur en welsprekendheid te leren – terwijl er fondsen werden voorbereid voor een langere reis naar Carthago, meer door de geest van mijn vader dan door zijn financiën , want hij was een burger van Thagaste met tamelijk geringe middelen.

Aan wie vertel ik deze dingen? Want ik vertel ze niet aan u, mijn God, maar in uw aanwezigheid vertel ik deze dingen aan mijn soort, de mensheid, welk deel ervan ook mag gebeuren in deze geschriften.

Maar toen ik in dat zestiende jaar, tijdens de noodzakelijke onderbreking, met mijn ouders op vakantie was, gingen de bramen van lusten over mijn hoofd, en was er geen hand om ze uit te roeien. Wee mij. En durf ik te zeggen dat u, mijn God, zwijgde toen ik ver van u wegging? Was je dan stil tegen mij? En wiens woorden waren het, zo niet de jouwe, die woorden via mijn moeder, jouw trouwe, die je in mijn oren zong? Toch daalde niets ervan in mijn hart om ze uit te voeren. Want zij wilde, en ik herinner mij hoe zij mij in het geheim met grote bezorgdheid waarschuwde, dat ik geen hoererij zou bedrijven, en vooral dat ik met niemands vrouw overspel zou plegen. Maar dit leken mij slechts vrouwelijke waarschuwingen, die ik zou blozen als ik ze zou gehoorzamen. Toch waren het jouw waarschuwingen, en ik wist het niet, maar dacht dat je zweeg, en dat zij sprak, door wie je niet zweeg tegen mij, en door haar te minachten, minachtte ik jou, ik, haar zoon, je dienaar, de zoon van uw dienstmaagd.

Maar ik wist het niet, en ik bleef halsstarrig doorgaan met zo’n blindheid dat ik, toen ik onder mijn leeftijdgenoten was, me schaamde iets minder schandelijks te hebben gedaan, toen ik hen hoorde opscheppen over hun zonden, en hoe meer ze opschepten, hoe schandelijker ze waren geweest. En ik vond het leuk om deze dingen te doen, niet alleen uit lust om ze te doen, maar ook uit verlangen naar lof. Wat is de schuld waard anders dan ondeugd? Maar om niet de schuld te krijgen, werd ik nog wreder, en elke keer dat ik niets had gedaan dat gelijk was aan deze ellendelingen, deed ik alsof ik had gedaan wat ik niet had gedaan, zodat ik niet lager zou lijken door onschuldiger te zijn, en dus ik lijk misschien niet hoe verachtelijker en kuiser ik was.

Hij steelt om het stelen.

2.4. Uw wet, Heer, bestraft stellig stelen, de wet die in de harten van de mens geschreven is en die zelfs de ongerechtigheid zelf niet uitroeit. Want welke dief verdraagt ​​kalm een ​​dief? Zelfs een rijke dief verdraagt ​​geen dief die wordt gedreven door behoeftigheid. Toch wilde ik stelen, en dat deed ik ook, niet gedreven door noodzaak, maar door het gebrek aan en de minachting voor gerechtigheid. Want ik heb gestolen wat ik in overvloed had, en nog veel beter. Ook wilde ik niet genieten van datgene wat ik wilde stelen, maar ik genoot van het stelen en de zonde zelf. Er stond een perenboom vlakbij onze wijngaard, beladen met fruit dat niet aantrekkelijk was qua vorm of smaak. Wij, de meest slechte jongeren, gingen het afschudden en midden in de nacht fruit wegdragen; uit slechte gewoonte hadden we ons spel zo lang verlengd. En we namen grote vruchten, niet om op te eten, maar om in ieder geval naar de varkens te gooien – ook al aten we er wel een deel van – we wilden gewoon datgene doen wat ons beviel, juist omdat het illegaal was. Zie mijn hart, o God, zie mijn hart, waar U medelijden mee kreeg in de diepte van de afgrond. Laat mijn hart je nu vertellen wat het daar zocht, zodat het kwaadaardig was zonder oorzaak, en er geen andere reden voor mijn boosaardigheid was dan boosaardigheid.

2.6. Wat heb ik dan, ongelukkige, in jou liefgehad, o mijn diefstal, o kwade daad van de nacht van het zestiende jaar van mijn leeftijd? Want je was niet mooi, want je was een diefstal… Die vruchten waren mooi, maar mijn ellendige ziel verlangde er niet echt naar: ik had een voorraad betere vruchten, maar die plukte ik alleen maar om te stelen. Want ik gooide weg wat ik had geplukt en at er alleen de ongerechtigheid van, waar ik me over verheugde. Want wat van die vruchten ook in mijn mond kwam, het werd gekruid door de slechte daad.
2.8. En toch zou ik dat niet alleen hebben gedaan – zo herinner ik mij toen mijn ziel – ik zou het helemaal niet alleen hebben gedaan. Daarom hield ik ook van de gemeenschap van degenen met wie ik het deed. Ik hield dus niet alleen van de diefstal – of beter gezegd, ik hield werkelijk van niets anders, want die gemeenschap (in de misdaad) is niets. Maar aangezien er voor mij geen plezier zat in de vrucht, was er wel plezier in de daad zelf, plezier dat voortkwam uit de gemeenschap van anderen die met mij zondigden.

2.9. Wat was die zielshouding? Het was beslist gewoon beschamend, maar wat was het? Wie begrijpt zonden? Het was als het ware een leeuwerik voor ons jeukende hart dat we degenen bedrogen die dachten dat we het niet zouden doen en er krachtig bezwaar tegen hadden dat we het deden. O te onvriendelijke vriendschap, en hebzucht naar sport en grappen en verlangen om een ​​ander kwaad te doen – zonder winst voor mezelf, zonder verlangen naar wraak, gewoon gedaan toen ze zeiden: “Laten we gaan, laten we het doen”. En we schaamden ons om niet schaamteloos te zijn!

Zondaar in Carthago.

3.1. Ik kwam naar Carthago en daar knetterde aan alle kanten de koekenpan van boze liefdes. (Een woordspeling hier tussen Carthago en Sartago, “een koekenpan”.) Ik had nog niet lief, en ik hield ervan om lief te hebben, en uit een meer geheime behoefte haatte ik mezelf toen ik minder nodig had. Ik zocht iets om lief te hebben, liefdevol om lief te hebben, en ik haatte veiligheid en een pad zonder valstrikken. Want ik had een innerlijke honger naar innerlijk voedsel, U mijn God, en ik voelde die honger niet, maar ik had geen verlangen naar onvergankelijk voedsel – niet dat ik genoeg had, maar hoe leger ik was, hoe kieskeuriger ik werd. was er naar toe.

En dus was het niet goed met mijn ziel, en omdat ze vol zweren was, wierp ze zichzelf buiten mij, omdat ze erbarmelijk graag gekrast wilde worden door de aanraking van zintuiglijke dingen. Liefhebben en bemind worden vond ik zoeter als ik ook kon genieten van het lichaam van de minnaar. Dus verontreinigde ik de bron van vriendschap en verontreinigde het heldere water ervan met de hel van lust; en toch, hoewel smerig en oneervol, genoot ik ervan om verfijnd en hoffelijk te zijn, uit overvolle ijdelheid. Ik haastte me naar de liefde en verlangde ernaar erdoor gevangen te worden. Mijn God, mijn genade, met hoeveel gal heb je die zoetheid besprenkeld, en hoe goed was je om het te doen. Want ik werd geliefd en kreeg een band van vreugde, en ik werd graag gebonden in lastige banden, en dus werd ik geslagen met de hete ijzeren staven van jaloezie en achterdocht en angst, woede en ruzies.

3.2. De spektakels van het theater hielden mij vast, vol beelden van ellende en tondel voor mijn vlam. Waarom wil de mens daar treuren als hij verdrietige en tragische dingen ziet, die hij zelf niet zou willen lijden? Toch wil hij, de toeschouwer, verdriet onder hen lijden, en juist dat verdriet is zijn genoegen. Wat is dit anders dan meelijwekkende waanzin? Zijn tranen dan geliefd, en pijn? Natuurlijk wil iedere man gelukkig zijn. Of is het zo dat hoewel niemand zich graag ellendig voelt, hij toch graag medelijden heeft met anderen, en alleen al om deze reden – aangezien medelijden niet mogelijk is als er geen pijn is – hij van verdriet houdt?

3.3. En op een afstand zweefde boven mij uw trouwe genade. In welke ongerechtigheden heb ik mezelf verspild en met heiligschennende nieuwsgierigheid gevolgd, zodat het mij in mijn verlatenheid naar ontrouwe diepten en bedrieglijke dienst van demonen heeft geleid, aan wie ik mijn slechte daden in brand heb gestoken – en in al deze heb jij mij gegeseld! Ik durfde zelfs tijdens de viering van uw mysteries met de muren van de kerk te verlangen en een affaire te regelen om de vruchten van de dood te verwerven. Als resultaat daarvan heb je mij met zware straffen geslagen, maar niets vergeleken met mijn schuld. O jij, mijn buitengewoon grote barmhartigheid, mijn God, mijn toevlucht voor de vreselijk schadelijke dingen waarin ik ronddwaalde, met trotse nek, om ver weg te gaan van jij, die van mijn wegen houdt, niet die van jou, die van de vrijheid van een weggelopen slaaf houdt.

Het doel van mijn studie, die eervol werd genoemd, was de rechten, zodat ik erin kon uitblinken en hoe prijzenswaardiger en sluwder ik was. Dat is de blindheid van mensen die zich zelfs op blindheid beroemen. En ik was de leidende student in de school van de retor, en ik was trots blij en opgezwollen van rook, hoewel veel ingetogener, Heer, weet u, en ver verwijderd van de verwoestingen die de ‘Wreckers’ aanrichtten – deze wilde en een duivelse naam is als het ware het kenmerk van stedelijkheid. Ik leefde onder hen met schaamteloze schaamte, omdat ik zo niet was. Ik was bij hen en genoot soms van hun vriendschap, maar ik verafschuwde altijd hun daden, dat wil zeggen de ‘wrakken’ waarin ze stoutmoedig de verlegenheid van nieuwe studenten aanvielen.

Cicero maakt hem enthousiast voor filosofie.

3.4. Onder hen bestudeerde ik destijds, op mijn onvolwassen leeftijd, boeken over welsprekendheid, waarin ik een vooraanstaande rol wilde spelen – met een verdomd winderig doel, door de geneugten van de menselijke ijdelheid.
Tijdens mijn reguliere studie ben ik het boek tegengekomen van een zekere Cicero, wiens tong vrijwel iedereen bewondert, maar niet zijn hart. Maar dat boek van hem, genaamd Hortensius, bevat een aansporing tot de filosofie. Dat boek veranderde mijn houding en richtte mijn gebeden tot U, Heer, en maakte mijn wensen en verlangens anders. Want plotseling leek alle ijdele hoop mij goedkoop, en ik verlangde naar de onsterfelijkheid van wijsheid, met een ongelooflijke hartstocht, en ik was al begonnen op te staan ​​om naar jou terug te keren.

Want ik gebruikte dat boek niet om mijn tong te scherpen – iets wat ik op kosten van mijn moeder leek te kopen toen ik negentien was (mijn vader was twee jaar eerder overleden) – en niet om mijn tong te scherpen gebruikte ik dat boek. Want het maakte geen indruk op mij door zijn stijl, maar door zijn leer.
Wat wilde ik graag, mijn God, hoe graag wilde ik wegvliegen van de aardse dingen naar U toe. En ik wist niet wat je in mij deed. Want wijsheid is van jou. Maar de liefde voor wijsheid heeft de Griekse naam filosofie, waar dat boek mij naar verlangde. Er zijn mensen die mensen verleiden door middel van filosofie, waarbij ze hun fouten kleuren en verhullen met die grote, mooie en eervolle naam. Bijna al deze mannen, uit de tijd van Cicero en daarvoor, worden in dat boek gepresenteerd en toegelicht. En die heilzame vermaning van uw geest door uw goede en vrome dienaar wordt daar duidelijk: ‘Zorg ervoor dat niemand u misleidt door filosofie en ijdele verleiding volgens de traditie van mensen, en niet volgens Christus. Want in Hem woont alle volheid. van goddelijkheid op een lichamelijke manier.”

En ik was destijds – u weet het, licht van mijn hart – omdat ik deze woorden van de apostel nog niet kende, toch blij met die aansporing (van Cicero), in die zin dat ik sterk opgewonden en in vuur en vlam stond en in vuur en vlam stond. heb lief en zoek, niet een bepaalde sekte, maar de filosofie zelf (wat die ook mag zijn). En alleen dit belemmerde mij, met zo’n grote hartstocht, dat de naam van Christus er niet in stond. Want mijn tedere hart had, overeenkomstig uw barmhartigheid, Heer, de naam van mijn Redder, uw Zoon, gedronken in de melk van mijn moeder, en die diep vastgehouden. Wat deze naam ook ontbeerde, hoe literair, gepolijst en waarheidsgetrouw het ook was, het kon mij niet helemaal boeien.

3.5. En dus besloot ik mijn gedachten op de Heilige Schrift te richten, om te zien wat voor soort ze waren. En zie, ik zag iets dat niet geopenbaard was aan hoogmoedigen, noch blootgelegd aan kinderen, maar nederig in zijn wandel, verheven in zijn uitkomst, en gehuld in mysteries. En ik was niet van dien aard dat ik er naar binnen kon gaan, of mijn nek naar de treden kon neigen. Want toen ik me tot dat Schriftgedeelte wendde, voelde ik me niet zoals ik nu spreek, maar het leek mij onwaardig om te vergelijken met de waardigheid van Cicero. Want mijn aanzwellende trots deinsde terug voor zijn gematigdheid, en mijn oog drong niet door tot de binnenkant ervan. Toch was het zo dat ik met kleintjes kon opgroeien, maar ik had er een hekel aan om klein te zijn, en opgezwollen van trots leek ik mezelf groot.

3.6. En zo kwam ik in aanraking met mannen die trots dwaalden, zeer vleselijk en spraakzaam, in wier mond de strikken van de duivel waren en een zeer vogellijm gemaakt van een mengsel van de lettergrepen van uw naam, en zelfs de Heer Jezus Christus en de Parakleet, onze trooster, de Heilige Geest. Want deze namen waren altijd in hun mond, maar alleen voor zover het geluid en het geluid van de tong reikte. Wat de rest betreft, hun hart was leeg van de waarheid. En ze bleven maar zeggen: “Waarheid en waarheid”. En velen bleven dat tegen mij zeggen, en het stond nergens in hen, maar ze spraken valse dingen, niet alleen over jou, die de Waarheid bent, maar zelfs over de elementen van deze wereld, jouw schepping, waarover ik zou moeten uitweiden. van liefde voor jou is zelfs verder gegaan dan die filosofen die ware dingen spreken, mijn Vader, het allerhoogste goed, de schoonheid van alle dingen. O waarheid, waarheid. Hoe intiem zuchtte zelfs toen het merg van mijn ziel naar je toen deze mannen vaak en op vele manieren jouw naam tegen mij lieten horen – maar alleen met hun stem – in vele grote boeken. En het zijn de dienbladen waarin ze, in plaats van jou, mij in mijn honger de zon en de maan dienden, je prachtige werken, maar toch alleen jouw werken, en niet jij, en het waren ook niet de eerste werken. Want de vroegere dingen waren je geestelijke werken, vóór die lichamelijke dingen, ook al zijn ze helder en hemels.

3.7. Want ik kende die andere realiteit niet, die er werkelijk is, en ik werd als het ware subtiel ertoe bewogen de opvattingen van deze bedriegers te aanvaarden, toen ze mij vroegen: Waar komt het kwaad vandaan, en of God gebonden is aan een lichamelijke vorm, en is Hij niet gebonden aan een lichamelijke vorm? haren en vingernagels hebben, en of zij als rechtvaardigen moeten worden beschouwd, die veel vrouwen tegelijk hebben, mannen doden en dieren offeren. Omdat ik onwetend was, werd ik door deze dingen gestoord, en hoewel ik van de waarheid afdwaalde, leek het alsof ik er naartoe ging, omdat ik niet wist dat het kwaad niets anders is dan het ontberen van het goede, zelfs tot het punt van niet-zijn. . Hoe had ik het kunnen zien, ik wiens lichamelijke visie beperkt was tot lichamen en wiens spirituele zicht beperkt was tot fantasieën? Want ik wist niet dat God een geest is, die geen leden in lengte of breedte heeft, geen massa heeft… En wat er in ons is, volgens welke we zijn, en door de Schrift het beeld van God worden genoemd, dat wist ik wel. weet dit helemaal niet.
3.10. Geleidelijk en beetje bij beetje werd ik tot zulke onzin geleid dat ik geloofde dat een vijg huilt als hij geplukt wordt, en dat zijn moederboom melkachtige tranen vergiet. Maar als een (Manicheïsche) heilige die vijg zou eten – niet door hem geplukt, maar door die van iemand anders – zou hij die met zijn ingewanden vermengen en er engelen uitblazen, of beter gezegd, deeltjes van God terwijl hij kreunde en boerde in gebed. Deze deeltjes van de allerhoogste en ware God zouden in die vrucht gebonden zijn gebleven, tenzij ze werden bevrijd door de tand en de maag van een Heilige Uitverkorene. En ik, ellendig, geloofde dat er liever barmhartigheid betoond moest worden aan de vruchten van de aarde, dan aan de mensen, ter wille van wie de vruchten geboren worden. Maar als iemand die geen manichee was en honger had, om de vrucht zou vragen, was het alsof hij de vrucht tot de doodstraf veroordeelde als hij die aan hem zou geven.

De profetische droom van zijn moeder.

3.11. En jij stak je hand uit van boven, en bevrijdde mijn ziel uit deze diepe mist, toen mijn moeder om jou huilde om mij, jouw trouwe, meer dan moeders huilen om de lichamelijke dood. Want zij zag mijn dood voor het geloof en de geest, die zij van u kreeg, en u hoorde haar, Heer. Je hoorde haar, en verachtte haar tranen niet, toen ze stroomden en de aarde onder haar ogen bevochtigden overal waar ze bad, en je hoorde haar. Want waar kwam anders die droom vandaan waarin je haar troostte, zodat ze ermee instemde om met mij in hetzelfde huis te wonen en de tafel met mij te delen – iets wat ze begon te weigeren, zich afwendde en de godslasteringen van haar verafschuwde. mijn omzwervingen? Want zij stond (in de droom) zelf op een bepaalde houten regel, en een prachtige, vreugdevolle, glimlachende jongeman kwam naar haar toe, toen ze treurde en uitgeput was van verdriet. En toen hij had gevraagd naar de reden van haar verdriet en dagelijkse tranen – om haar te onderwijzen zoals gewoonlijk, niet om te leren – en toen ze had geantwoord dat ze huilde om mijn verlies, vertelde hij het haar, zodat ze veilig zou zijn. , en zei dat ze moest kijken en zien: waar zij was, was ik ook.

Toen ze keek, zag ze mij naast haar op dezelfde regel staan. Waar komt dit vandaan, behalve dat uw oren naar haar hart waren gericht, o goede Almachtige, die voor ieder van ons zorgt alsof wij de enige zijn om voor te zorgen, en die voor iedereen zorgt alsof zij waren er maar één?
Waar kwam ook dit vandaan: dat toen ze mij het visioen had verteld, en ik probeerde het zo te verdraaien dat ze liever niet zou wanhopen om te zijn wie ik was, ze meteen en zonder enige aarzeling zei: ‘Het is niet tegen mij gezegd. dat waar hij is, jij zult zijn, maar: waar jij bent, daar zal hij zijn. Ik beken aan U, Heer, wat ik me herinner, zoveel als ik me herinner – vaak heb ik erover gesproken – dat ik daardoor meer geschokt was, uw reactie via mijn waakzame moeder – want zij was niet gestoord door een valse interpretatie die zo was. plausibel en zag zo snel wat er gezien moest worden, wat ik zeker niet had gezien voordat ze sprak – ik was toen zelfs meer geschokt door het antwoord dan door de droom zelf, waarin de vreugde van de vrome vrouw zo veel zou komen later was tot nu toe van tevoren voorspeld voor haar huidige troost.
Bijna negen jaar volgden, waarin ik me wentelde in de modder van de diepte en de duisternis van de onwaarheid, waarin ik vaak probeerde op te stijgen en steeds zwaarder werd neergedrukt; terwijl die kuise, vrome, nuchtere weduwe – het soort van wie je houdt – nu, weliswaar gretiger vanwege de hoop, maar niet trager in huilen en kreunen, niet ophield om op elk uur van haar gebeden tot je te jammeren omdat mij. En daar kwamen haar gebeden in je zicht, en toch stond je toe dat ik steeds dieper in die mist rolde.

3.12. En je gaf een tweede antwoord dat ik me herinner – want ik ga over veel dingen heen, omdat ik me haast naar die dingen die mij des te meer dwingen om je te bekennen en te prijzen, en veel dingen die ik me niet herinner – je gaf toen een tweede antwoord via uw priester, een zekere bisschop, gevoed in de Kerk en opgeleid in uw boeken. Toen die vrouw hem vroeg bereid te zijn met mij te spreken en mijn fouten te weerleggen, en mij het kwade te ontleren en het goede te onderwijzen – want hij deed dit telkens wanneer hij toevallig mensen vond die daarvoor geschikt waren – was hij niet bereid – voorzichtig zeker, zoals ik later besefte. Want hij antwoordde dat ik nog steeds niet te onderwijzen was, omdat ik opgeblazen was door de nieuwigheid van die ketterij en veel onervaren mensen van streek had gemaakt met mijn kleine vragen, zoals ze hem had verteld. ‘Maar laat hem daar zijn’, zei hij, ‘en bid gewoon tot de Heer voor hem. Door te lezen zal hij ontdekken wat een dwaling dat is, en hoe groot een goddeloosheid.’

Tegelijkertijd vertelde hij ook hoe hij op jonge leeftijd door zijn eigen moeder, die bedrogen was, aan de Manichees was overgegeven en dat hij bijna al hun boeken had gelezen en zelfs gekopieerd; maar dat het hem duidelijk was geworden, hoewel niemand met hem in discussie ging en hem weerlegde, hoezeer hij die sekte moest ontvluchten: en dus was hij gevlucht.
Toen hij dit had gezegd, en zij niet bereid was ermee in te stemmen, maar des te meer aandrong, door overvloedig te smeken en te huilen, zodat hij mij zou kunnen zien en het met mij zou kunnen bespreken, zei hij, nu een beetje geïrriteerd door vermoeidheid: “Ga, en Leef zo. Want het kan niet gebeuren dat de zoon van die tranen van jou omkomt.’ En dit herinnerde ze zich vaak als ze met mij sprak: dat ze het had ontvangen alsof het uit de lucht klonk.
4.1. Gedurende diezelfde periode van negen jaar, van mijn negentiende tot mijn achtentwintigste, werden we verleid en verleid; bedrogen en bedrieglijk, in verschillende verlangens – openlijk door de leringen die zij liberaal noemen, op een verborgen manier echter die onder de valse naam religie – hier waren we trots, daar bijgelovig: overal ijdel. We leerden in die jaren de kunst van de retoriek, en ik verkocht een zegevierende woordzucht, overwonnen door verlangen. Toch gaf ik er de voorkeur aan – Heer, u weet het – goede studenten te hebben, zoals ze goed worden genoemd. En zonder bedrog leerde ik hen bedrog – niet zodat ze tegen het leven van een onschuldig persoon konden optreden, maar soms tegen het hoofd van een schuldige. En U, o God, zag mij van verre uitglijden op een gladde plek, en mijn geloof gloeide onder veel rook, een geloof dat ik toonde in de leer die ik gaf aan degenen die van ijdelheid hielden en een leugen zochten.

Maar in die tijd had ik één vrouw, niet bekend in wat men een wettig huwelijk noemt, maar iemand die door mijn zwervende hartstocht, verstoken van voorzichtigheid, was opgejaagd. En toch was er maar één, en ik was trouw aan haar bed. Hierin heb ik uit eigen ervaring geleerd wat een afstand er is tussen de gematigdheid van een echtelijk pact, dat wordt samengevoegd ter wille van het verwekken van nakomelingen, en een pact van wellustige liefde, waarin een nageslacht wordt geboren, zelfs tegen iemands verlangen in. – hoewel het, eenmaal geboren, iemand dwingt ervan te houden.

4.4. In de jaren waarin ik voor het eerst les begon te geven in de stad waar ik geboren was, had ik een vriend van mijn eigen leeftijd verworven, die mij zeer dierbaar was, in een studievereniging, die samen met mij opbloeide in de bloei van de jeugd. Hij was als jongen met mij opgegroeid, en samen waren we naar school gegaan, en samen hadden we gespeeld. Maar in zijn jeugd was hij geen vriend op de manier – en zelfs later niet – zoals echte vriendschap gaat, omdat er geen echte vriendschap bestaat tenzij je die aan elkaar plakt tussen degenen die je aanhangen, ‘met jouw liefde verspreid in onze harten, door de Heilige Geest die ons gegeven is.” Want ik had hem van het ware geloof, dat hij als jongeling niet trouw en volledig vasthield, tot de bijgelovige en gevaarlijke fabels doen verleiden, waardoor mijn moeder om mij huilde. Die man dwaalde nu in de geest met mij rond, en mijn ziel kon niet zonder hem. En zie jij, terwijl je op de rug van je vluchtelingen drukt, tegelijkertijd God van wraak en bron van barmhartigheid, die ons op wonderbaarlijke wijze tot jou bekeert – zie, je hebt die man uit dit leven gehaald toen hij nauwelijks een jaar in mijn vriendschap had volbracht , zoet voor mij boven alle zoetheden van dit leven.

Wie kan al uw prijzenswaardige daden vertellen die hij alleen heeft meegemaakt? Wat hebt u toen gedaan, mijn God, en hoe ondoorgrondelijk is de afgrond van uw oordelen! Want toen hij met koorts kampte, lag hij lang bewusteloos in dodelijk zweet. En toen de hoop voor hem werd opgegeven, werd hij gedoopt. Ik wist het niet, ik voorzag er niet in, maar nam aan dat zijn ziel liever behield wat hij van mij had ontvangen, en niet wat er met zijn lichaam werd gedaan toen hij was er niet van op de hoogte. Maar het was heel anders. Want hij herstelde en werd beter. En meteen, zodra ik met hem kon praten – ik kon zo snel als hij kon, aangezien ik hem niet verliet en we zo afhankelijk waren van elkaar – probeerde ik in zijn aanwezigheid te lachen, alsof hij zou meelachen om de doop die hij had ontvangen toen hij afwezig was in geest en zintuigen, maar waarvan hij hoorde dat hij die toch had ontvangen. Maar hij deinsde voor mij terug als voor een vijand, en waarschuwde mij met een wonderbaarlijke en plotselinge vrijheid dat als ik zijn vriend wilde zijn, ik moest ophouden zulke dingen te zeggen.

Ik echter, verbijsterd en van streek, stelde het uiten van mijn gevoelens uit, zodat hij eerst beter kon worden, en dan fit zou worden in gezondheid en kracht, zodat ik met hem kon doen wat ik wilde.
Maar hij werd van mijn waanzin gered, zodat hij voor mijn troost bij jou kon worden gehouden. Na een paar dagen, toen ik afwezig was, nam de koorts opnieuw toe en stierf hij.

Met welk een verdriet werd mijn hart verduisterd! En waar ik ook naar keek was de dood, en mijn vaderland een straf, en het vreemde ongeluk in het huis van mijn vader, en wat ik ook met hem had gedeeld, zonder hem veranderde het in een enorme marteling. Mijn ogen zochten hem overal, maar hij was er niet. En ik haatte alle plaatsen, omdat ze hem niet hadden, en ze konden ook niet tegen mij zeggen: “Ja, hij komt”, zoals ze vroeger deden toen hij nog leefde en weg was.

Lees verder “Augustinus wie was hij ? …..”

Augustinus : On the care of the dead /over de zorg voor de doden : nr. 11-15…

image-1

11.Bid voor onze dierbare overledenen

11. De Kerk heeft zichzelf de opdracht gegeven om, als een vrome moeder, die iedereen gemeen heeft, smeekbeden tot God te richten voor de zielen van degenen die in christelijke en katholieke gemeenschap zijn heengegaan, onder een algemene herdenking, zodat hen die geen verwanten of vrienden hebben, petities kunnen worden aangeboden. voor hen.

BURIED

11. Wanneer het gemoed zich dus herinnert waar het lichaam van een zeer dierbare vriend begraven ligt, en er vervolgens in de gedachten een plaats opkomt die eerbiedwaardig is gemaakt met de naam van een martelaar, dan beveelt het diezelfde martelaar de ziel aan in genegenheid van innige herinnering en gebed. En wanneer deze genegenheid aan de overledenen wordt getoond door getrouwe mannen die hen het meest dierbaar waren, lijdt het geen twijfel dat het hen ten goede komt, die tijdens het leven in het lichaam verdienden dat zulke dingen hen na dit leven ten goede zouden komen. Maar zelfs al zou de een of andere noodzaak, bij gebrek aan alle faciliteiten, niet toelaten dat lichamen worden begraven, of op zulke plaatsen worden begraven, dan nog zou er geen voorbehoudsbedeling zijn van smeekbeden voor de geesten van de doden: welke smeekbeden, dat ze zouden worden gedaan voor allen die in christelijke en katholieke gemeenschap zijn heengegaan, zelfs zonder hun namen te noemen, onder een algemene herdenking heeft de Kerk zich belast met; met de bedoeling dat zij, die voor deze ambten geen ouders of zonen of welke verwanten of vrienden dan ook hebben, hetzelfde mogen krijgen van de ene vrome moeder die allen gemeen hebben. Maar als er geen smeekbeden zouden zijn van deze smeekbeden, die met juist geloof en vroomheid voor de doden worden gedaan, dan zou het hun geest niet ten goede komen, hoe de levenloze lichamen ook op heilige plaatsen zouden worden neergezet

++++++++++++++++

12. Het fysieke versterkt het gebed

12. Zijn de fysieke aspecten van ons gebedsleven belangrijk? St. Augustinus leert dat hoewel God geen uiterlijke tekenen van vroomheid nodig heeft, degenen die ter aarde of op hun knieën bidden, hun lichaam onderwerpen zoals hun geest en ziel dat voorschrijven, en zo de genegenheid van hun hart vergroten.

KRIST

Toen daarom de trouwe moeder van een trouwe zoon vertrok en zijn lichaam in de basiliek van een martelaar wilde laten begraven, omdat zij geloofde dat zijn ziel geholpen zou worden door de verdiensten van de martelaar, was het geloof hierin alleen al een soort van smeekbeden, en dit had voordeel, als er iets voordeel uit haalde. En doordat zij in gedachten terugkeert naar ditzelfde graf, en in haar gebeden haar zoon steeds meer prijst, wordt de geest van de overledene geholpen, niet door de plaats van zijn dode lichaam, maar door dat wat voortkomt uit de herinnering aan de overledene. plaats, de levende genegenheid van de moeder. Want meteen raakt de gedachte, wie wordt geprezen en aan wie, en dat zonder nutteloze emotie, de religieuze geest van haar die bidt . Want ook in gebed tot God doen mensen met de leden van hun lichaam datgene wat smekelingen worden, wanneer ze hun knieën buigen, hun handen uitstrekken of zich zelfs op de grond werpen, en al het andere dat ze zichtbaar doen, ook al doen ze dat niet. de onzichtbare wil en de bedoeling van het hart zullen bij God bekend zijn , en Hij heeft deze tekenen niet nodig dat de geest van enig mens voor Hem geopend zou moeten worden: alleen hierdoor wordt iemand meer opgewonden om nederiger en vuriger te bidden en te kreunen. En ik weet niet hoe het komt dat, hoewel deze bewegingen van het lichaam niet kunnen worden gemaakt dan door een beweging van de geest die eraan voorafgaat, toch door dezelfde beweging naar buiten op zichtbare wijze te worden gemaakt, die innerlijke onzichtbare beweging die ze maakte, wordt vergroot: en daardoor groeit de genegenheid van het hart die eraan voorafging dat ze gemaakt konden worden, omdat ze gemaakt zijn. Maar toch, als iemand op die manier vastgehouden of zelfs gebonden wordt, dat hij niet in staat is deze dingen met zijn ledematen te doen, volgt daar niet uit dat de innerlijke mens niet bidt , en voor de ogen van God in zijn meest geheime kamer , waar het wroeging heeft, wierp zichzelf op de grond.

+++++++++++++++

13. De ziel na de dood

13. Toen de ziel haar vleselijke lichaam verliet, nam zij haar bewustzijn met zich mee. Want als dat niet het geval is, hoe kun je dan zeggen dat iemand na de dood doorgaat in het leven? Dan, aan het einde der tijden, zal de ziel herenigd worden met het opgestane lichaam voor oordeel, glorie of straf.

bies

Zo ook, hoewel het heel veel verschil maakt, waar iemand het lichaam van zijn overledene neerlegt, terwijl hij om zijn geest smeekt tot God, omdat zowel de voorafgaande genegenheid een plek koos die heilig was, als nadat het lichaam daar is gedeponeerd het terugroepen van de geest. de herinnering aan die heilige plek vernieuwt en vergroot de genegenheid die eraan voorafging; toch mag hij, ook al is hij misschien niet in staat op de plaats die zijn religieuze geest heeft uitgekozen, hem van wie hij houdt in de grond te leggen, hij mag in geen geval ophouden met de noodzakelijke smeekbeden om hem aan te prijzen. Want waar het vlees van de overledene ook mag liggen of niet, de geest heeft rust nodig en moet die krijgen: want de geest nam bij zijn vertrek van daaruit het bewustzijn met zich mee, zonder welke hij er geen twijfel over kon maken hoe iemand bestaat, of het nu in een goede staat is. status of een slechte: en het zoekt geen steun voor zijn leven uit het vlees waaraan het zelf het leven heeft gegeven dat het zich bij zijn vertrek heeft teruggetrokken, en dat het bij zijn terugkeer zal teruggeven; omdat niet vlees tot geest, maar geest tot vlees zelfs de verdienste van de opstanding oplevert, of het nu tot straf of tot heerlijkheid is dat het weer tot leven komt.

+++++++++++++++++

14. Het fysieke versterkt het gebed

14. De vervolgers van de vroege martelaren deden hun uiterste best om hun aardse overblijfselen volledig te vernietigen, zodat er geen relikwieën ter herdenking zouden achterblijven. God liet dit toe om ons te helpen begrijpen dat we dit leven moeten verachten, moeten kijken naar ons eeuwige thuis en naar Zijn kracht om uit het niets te herrijzen. We moeten ons echter elders in dit schrijven en anderen herinneren dat Sint-Augustinus grote waardering heeft voor de verering van de relikwieën van de heiligen. Hij acht ook de juiste zorg en waardigheid voor de lichamen van de doden

history

We lezen in de kerkelijke geschiedenis, die Eusebius in het Grieks schreef, en Ruffinus in de Latijnse taal, over de lichamen van martelaren in Gallië die aan honden werden blootgesteld, en hoe de overblijfselen van die honden en de botten van de doden, zelfs tot de uiterste verteerd, door vuur werden verbrand. opgebrand; en de as ervan werd verspreid over de rivier de Rhône, opdat er niets zou overblijven voor welke herdenking dan ook. Men moet geloven dat dit voor geen ander doel is geweest dat door God was toegestaan, dan dat christenen door het belijden van Christus, terwijl zij dit leven verachten, veel meer de begrafenis zouden moeten verachten. Want dit ding, dat met woeste woede werd aangedaan aan de lichamen van martelaren, als het hen ook maar enigszins kon schaden, om de gezegende rust van hun meest zegevierende geesten te belemmeren, zou zeker niet zijn toegestaan. Daarom werd metterdaad verklaard dat de Heer door te zeggen: Vrees niet hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen, niet betekende dat Hij hen niet zou toestaan ​​iets te doen met de lichamen van Zijn volgelingen. wanneer dood; maar dat wat hun ook mocht worden toegestaan, er niets zou worden gedaan dat het christelijke geluk van de overledenen zou kunnen verminderen, en dat niets daarvan hun bewustzijn zou bereiken terwijl ze nog leefden na de dood; niets baat ten nadele, nee, zelfs niet van de lichamen zelf, om iets van hun integriteit te verminderen wanneer ze weer zouden opstaan

++++++++++++++++++

15. De ziel na de dood

15. Wanneer in 1 Koningen 13 de profeet wordt gestraft voor ongehoorzaamheid door niet in zijn familiegraf te worden begraven, leert dit niet dat er gevreesd hoeft te worden voor lichamelijke behandeling na de dood. Integendeel, het maakt gebruik van een ontbering van culturele, maar niet van eeuwige waarden. Wees voorzichtig met de interpretatie van de Schrift.

doden10

En toch, op grond van die genegenheid van het menselijk hart, waardoor niemand ooit zijn eigen vlees haat, als mensen reden hebben om te weten dat na hun dood hun lichamen alles zullen missen wat in ieders natie of land de gebruikelijke orde van begrafenis vereist, maakt het hen bedroefd als mensen; en wat na de dood niet tot hen komt, vrezen zij voor de dood voor hun lichamen: zodat we in de Boeken der Koningen vinden dat God door een profeet een andere profeet die Zijn woord had overtreden, bedreigde dat zijn karkas niet in het graf van zijn vaderen zou worden gebracht. De Schrift zegt op deze wijze: Zo zegt de Here: Omdat gij ongehoorzaam geweest zijt aan de mond des Heren, en u niet gehouden hebt aan de last, die de Here, uw God, u geboden heeft, en teruggekeerd zijt en brood gegeten en water gedronken hebt op de plaats, waar Hij u geboden had geen brood te eten en geen water te drinken, zo zal uw kadaver niet gebracht worden in het graf uwer vaderen. Welnu, als we bij het overwegen van de rekening van deze straf uitgaan van het Evangelie, waar we geleerd hebben dat er na het doden van het lichaam geen reden is om te vrezen dat de levenloze leden iets zouden lijden, dan is het niet eens een straf te noemen. Maar als we kijken naar de menselijke genegenheid van een mens jegens zijn eigen vlees, dan was het mogelijk dat hij tijdens zijn leven bang of bedroefd werd door datgene waarvan hij geen besef zou hebben als hij dood was: en dit was een straf, omdat de geest pijn leed door datgene wat op het punt stond met zijn lichaam te gebeuren, ook al zou hij geen pijn voelen als het zou gebeuren.

 

Vervolgt ….

Augustinus : “On the Care of the Dead”/ ” Over de zorg voor de doden”.

In 40  afbeeldingen – met  Engelse teksten en Nederlandse vertaling (elke week enkele teksten.  Na de 40 teksten is het ganse artikel van Augustinus geplaatst.

Nadien kunnen deze teksten teruggevonden worden (bijeen) bij de categorieën :

AUGUSTINUS : ON THE CARE OF THE DEAD / OVER DE ZORG VOOR DE DODEN.

AUG10

Augustinus : Achtergrond informatie …..

Een rouwende moeder wilde dat haar zoon begraven zou worden in een kathedraal naast heiligen. Dit leidde tot een discussie tussen haar bisschop en Sint-Augustinus over vragen rond de zorg voor de doden, waarin de doctrines van de vroege Kerk over wat er gebeurt bij de dood en gebeden voor de doden zijn vastgelegd. 

AUGUSTINUS :  “On the Care of the Dead”/ ” Over de zorg voor de doden”  

MARTYRS

I. Achtergrondinformatie (eerste van 40 stappen)

Sint-Augustinus, Kerkleraar, is waarschijnlijk de meest invloedrijke christelijke theoloog van de vroege Kerk, van een vergelijkbare status als Sint-Thomas van Aquino. Hij werd in 354 na Christus geboren nabij Hippo in Noord-Afrika, als zoon van een christelijke moeder en een heidense vader. Nadat hij een leven had geleid waarin hij aardse genoegens nastreefde, begon hij te zoeken naar spirituele betekenis, en uiteindelijk bekeerde hij zich in 387 na Christus tot het orthodoxe christendom. In 391 werd Augustinus tot priester gewijd en in 396 tot bisschop van Hippo. Zijn jarenlange studie van retoriek en filosofie zouden hem goed van pas komen toen hij leiding gaf aan de inspanningen van de Kerk tegen de uitdagingen van zijn tijd.
St. Augustin werd een veelgevraagd theoloog en productief schrijver en verdediger van het christelijk geloof tegen de uitdagingen van zijn tijd toen het West-Romeinse rijk faalde, Rome werd geplunderd en de Kerk te maken kreeg met het donatistische schisma, het pelagianisme en andere ketterijen.
In zijn schrijven, “Over de zorg voor de doden”, reageert Augustinus op de vraag van een collega-bisschop over gebeden voor de doden en de behandeling van hun lichamen. In typische Augustinus-stijl antwoordt hij zeer grondig en behandelt hij die vraag, legt hij ook het vagevuur uit, de zorg voor de doden, of de doden met ons communiceren, visioenen van de doden, welke hulp gebeden kunnen hebben, en gaven van profetie.

++++++++++++++++++++

2.Gebeden voor de doden

I2. De eerbiedwaardige bisschop Paulinus erkent de praktijk van de Kerk om christelijke doden in gewijde grond te begraven. Verder, zegt hij, kan het niet vruchteloos zijn dat deze praktijk, samen met gebeden voor de doden, universeel is in de hele Kerk. Hij vraagt ​​de mening van Sint-Augustinus.

DODEN

Mijn eerbiedwaardige medebisschop Paulinus: Lange tijd ben ik uw heiligheid een antwoord verschuldigd op de vraag die u mij schreef in de brief die werd meegedragen door de mannen van onze meest vrome dochter Flora. U vroeg mij of iemand er baat bij had als zijn lichaam na zijn dood werd begraven bij het graf van een heilige. Een weduwe had je gesmeekt dit te doen voor haar zoon die in die regio was gestorven, en je had haar teruggeschreven om haar te troosten en haar te vertellen dat je dit had gedaan voor het lichaam van de trouwe jongeman Cynegius, haar zoon. precies zoals haar moederlijke en vrome genegenheid had gewenst. Je hebt het laten plaatsen in de basiliek van de meest gezegende biechtvader Felix. Bij die gelegenheid gebeurde het dat dezelfde mensen die uw brief aan haar brachten, u ook aan mij schreef, met dezelfde vraag, en smeekte dat ik zou antwoorden wat ik van deze kwestie dacht, zonder te verbergen wat uw eigen gedachten waren. Want jij zei dat dit in jouw ogen niet zomaar een nutteloze daad van religieuze en trouwe geesten was om voor het lichaam van de overledene te zorgen. U voegt er ook aan toe dat het niet zonder betekenis kan zijn dat de hele Kerk gewend is te bidden voor de overledenen. Daarom zou je verder kunnen vermoeden dat het een persoon na de dood helpt als zijn lichaam, door het geloof van de mensen om hem heen, wordt begraven op een plek waar de hulp van de heiligen, waar op deze manier om wordt verzocht, duidelijk zou kunnen worden gemaakt.

++++++++++++++++++++

3. Augustinus en het vagevuur

3. Augustinus beschrijft het lot van degenen die voor het oordeel staan. Wanneer allen de rechterstoel naderen, worden degenen wier levens zo slecht zijn (sterven in doodzonde) of zo goed zijn (heiligen) niet beïnvloed door het gebed van de Kerk. Hij zegt echter dat het effectief kan zijn voor degenen die zuivering nodig hebben.

Augustinus en het vagevuur

BODY

3. Maar als dit het geval is, dan begrijpt u niet, zegt u, hoe dit niet in tegenspraak kan zijn met wat de apostel zegt: “Want wij moeten allemaal voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat een ieder krijgt wat hem toekomt. voor de dingen die in het lichaam worden gedaan, of ze nu goed of slecht zijn” (2 Kor. 5:10). Want deze apostolische verklaring vermaant ons dat wat we doen voordat we sterven ons na de dood ten goede zal komen, en niet wat er daarna wordt gedaan (wanneer iemand op het punt staat de vruchten te ontvangen van wat vóór de dood is gedaan. Dat is waar, maar de vraag wordt op deze manier opgelost: namelijk dat iemand een bepaald soort leven kan leiden terwijl hij in het lichaam leeft, wat dan mogelijk is om de overledenen te helpen. Het is dus afhankelijk van de dingen die door het lichaam worden gedaan dat ze door de dingen worden geholpen die vroom voor hen worden gedaan nadat ze het lichaam hebben verlaten, want er zijn er die helemaal niets kunnen helpen, hetzij omdat ze worden gedaan voor personen wier verdiensten zo slecht zijn, dat ze het niet waard zijn om door zulke dingen te worden geholpen. of anders voor personen wier verdiensten zo goed zijn dat zij dergelijke hulp niet nodig hebben. Het soort leven dat ieder in het lichaam heeft geleid, bepaalt dus of dergelijke daden die vroom namens iemand worden verricht nadat zij het lichaam hebben verlaten, kunnen plaatsvinden. Wat betreft welke verdienste dan ook die kan worden verworven: als deze in dit leven niet is verkregen, is het nutteloos om ernaar te zoeken in het volgende. Het blijkt dus dat het niet zonder betekenis is dat de Kerk, of de zorg voor vrienden, voor de overledenen zorgt voor welke vrome daden dan ook. Niettemin ‘ontvangt een ieder naar de dingen die hij in het lichaam heeft gedaan, of het nu goed of slecht is’ (2 Kor. 5:10), want de Heer zal ‘aan ieder geven naar zijn daden’ (Rom. 2 :6; Openb. 22:12). Want om ervoor te zorgen dat wat gedaan is iemand ten goede kan komen nadat hij het lichaam heeft verlaten, moest het eerst verworven worden terwijl hij in het lichaam leefde.

++++++++++++++++++++

4.Gebeden voor onze doden

4. St. Augustinus haalt verschillende bronnen aan voor de doeltreffendheid van gebeden voor mensen die na de dood zuivering nodig hebben. Eerst kijkt hij naar de boeken van de Makkabeeën. Belangrijker nog is dat de praktijk van de hele Kerk om bij het offeren van de mis te bidden voor de doden, voldoende is. Augustinus begint zijn verkenning van het belang van de begraafplaats van de doden en zegt dat eerst alle zorgen moeten worden weggenomen dat onze vijand enige macht over ons in ons lichaam heeft. Want als we niet bang moeten zijn voor degenen die dat wel doen.

CHRISTIANS

Mogelijk wordt uw vraag beantwoord door dit korte antwoord van mij. Maar let even op, want ik ben getroffen door een aantal andere overwegingen die ik denk te moeten beantwoorden. In de boeken van de Makkabeeën lezen we over offers die voor de doden werden gebracht. Maar ook al lezen we hierover nergens in de oude Geschriften, het gezag van de universele kerk, die deze gewoonte duidelijk heeft, is niet onbelangrijk; want de “aanbeveling van de doden” heeft ook een plaats onder de gebeden die de priester op zijn altaar tot de Heer God uitspreekt.
Maar of de ziel van de doden op de een of andere manier profijt heeft van de plaats waar haar lichaam ligt, vereist een zorgvuldiger onderzoek. In de eerste plaats: veroorzaakt of vergroot het de ellende van de geesten van mensen na dit leven als hun lichaam niet wordt begraven? We moeten dit niet onderzoeken door naar de publieke opinie te kijken, hoe wijdverspreid deze ook is, maar eerder in het licht van de heilige geschriften van onze religie. Want we moeten niet geloven, zoals we in Vergilius lezen, dat het de niet -begravenen verboden is de helse rivier te bevaren en over te steken. Want inderdaad. Het wordt niemand gegeven om de afschuwelijke oevers en brullende beken te passeren, totdat de botten zijn gezonken om in vrede te rusten. Wie kan zulke poëtische en fantastische ideeën inbrengen in een christelijk hart?
Want de Heer Jezus beweert dat christenen zichzelf zonder angst aan de handen van hun vijanden moeten overgeven, hun lichaam in hun macht moeten geven, en toch dat er geen haar van hun hoofd verloren zal gaan; en hij spoort hen aan niet bang te zijn voor degenen die, wanneer ze het lichaam hebben gedood, geen verder kwaad kunnen doen.

++++++++++++++++++++

5. Respecteer de waardigheid van het lichaam

5.Hoewel christenen de zorg voor de lichamen van de doden enorm waarderen, omdat ze de waardigheid van mensen respecteren die naar de gelijkenis van God zijn gemaakt, zijn we niet bang voor wat er met ons lichaam wordt gedaan. Zelfs de consumptie van lichamen door wilde dieren zal geen belemmering vormen voor de wederopstanding van onze lichamen door Christus.

BURIED

Ik denk dat ik in het eerste boek Over de Stad van God genoeg over deze kwestie heb gezegd om de tanden te stompen van degenen die, door de barbaarse verwoestingen in ons christelijke tijdperk de schuld te geven, vooral die welke Rome zelf onlangs heeft geleden, ons ook de beschuldiging dat Christus zijn eigen volk destijds niet te hulp kwam. Toen we antwoordden dat hij de zielen van de gelovigen, overeenkomstig de verdiensten van hun geloof, in zijn bescherming had genomen, beledigden ze ons door de lijken te beschrijven die onbegraven bleven. Zo heb ik dit hele onderwerp van begrafenis al in woorden als deze uiteengezet.

Maar, zeg ik, in zo’n hoop dode lichamen konden ze helemaal niet begraven worden. Toch is zelfs dit geen grote angst voor het vrome geloof, dat vasthoudt aan datgene wat voorspeld was, dat zelfs niet opgegeten worden door een beest het opnieuw opstaan ​​van lichamen kan verhinderen waarop “geen haar van hun hoofd zal vergaan” (Lukas 21). :18). Want de Waarheid zou nooit zeggen: “Wees niet bang voor degenen die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden” (Matt. 10:28) als welke vijand dan ook zou verkiezen te doen met de lichamen van de gesneuvelden op enigerlei wijze het leven zou kunnen belemmeren. komen. Tenzij misschien iemand zo absurd is om te beweren dat zulke mensen niet gevreesd moeten worden vóór de dood, uit angst dat ze het lichaam zouden doden, maar wel gevreesd moeten worden na de dood, wanneer zij, nadat zij het lichaam hebben gedood, toestaan ​​dat het onbegraven blijft.

++++++++++++++++++++++

6. Kostbaar in de ogen van de Heer is de dood van Zijn heiligen

6.In vervolgingen en oorlogen zijn veel lichamen van Gods heiligen zonder zorg achtergelaten. Dit is wreedheid en zonde voor degenen die dit doen. Toch is voor de heiligen geen van hen ook maar in het minst gescheiden geweest van de liefde van God, die de hele schepping vervult met Zijn aanwezigheid en zorg. Merk op hoe God ter wille van ons zorg verlangt voor de lichamen van de doden, en het is een zonde om ze te ontheiligen. De ontwijding hindert echter op geen enkele wijze Gods plannen om christenen weer tot leven te wekken.

SAINTS

Als ze zo’n grote invloed kunnen hebben op dode lichamen, is het dan vals als Christus spreekt over degenen “die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen” (Lukas 12:4)? Verban de gedachte dat wat de Waarheid heeft gesproken vals is. Er wordt namelijk gezegd dat ze wel iets bereiken als ze doden, omdat er gevoel in het lichaam is terwijl het wordt gedood, maar daarna kunnen ze niets meer doen omdat er geen gevoel in het lichaam is nadat het is gedood. De lichamen van veel christenen zijn dus niet door de aarde bedekt, maar geen van hen is gescheiden van hemel en aarde, die hij geheel vult met zijn aanwezigheid. Hij weet van waaruit hij kan reanimeren wat hij heeft gecreëerd. Er wordt inderdaad in een Psalm gezegd: “Ze hebben de dode lichamen van uw dienaren als voedsel gegeven aan de vogels in de lucht, het vlees van uw heiligen aan de dieren van de aarde; zij hebben hun bloed als water rondom Jeruzalem vergoten, en er was niemand om hen te begraven” (Ps. 78:2-3 Vulg.). Maar dit wordt meer gezegd om de wreedheid van degenen die deze dingen hebben gedaan te benadrukken, dan om het ongeluk van degenen die eronder hebben geleden. Want hoe moeilijk en afschuwelijk deze dingen ook mogen lijken in de ogen van mensen, toch “kostbaar in de ogen van de Heer is de dood van zijn heiligen” (Ps. 115:6).

Dus al deze andere dingen – het beheer van de begrafenis, de omstandigheden van de begrafenis, de optocht van de begrafenisrituelen – zijn meer bedoeld om de levenden te troosten dan om verlichting te brengen aan de doden. Als een dure begrafenis de goddelozen ten goede komt, dan zal een goedkope of helemaal geen begrafenis de godvruchtigen schade berokkenen. Vanuit het perspectief van de mens zorgde een menigte familieleden voor een weelderige begrafenis voor de in het paars geklede rijke man; maar vanuit Gods perspectief werd die arme man vol zweren op een veel gedistingeerder manier bijgewoond door engelen die hem niet naar een marmeren graf droegen, maar naar de boezem van Abraham in de hoogte. Degenen voor wie wij het op ons hebben genomen om de Stad van God te verdedigen, lachen hier alleen maar om; maar ondanks dat alles minachtten zelfs hun eigen filosofen een dergelijke behandeling van de doden; en vaak gaven hele legers, terwijl ze stierven voor hun aardse land, er helemaal niet om waar ze daarna zouden liggen, of welke dieren ze zouden opeten. En de dichters spraken met applaus over deze houding en zeiden:
Hij wordt bedekt door de hemel, wiens as geen urn heeft.
Hoeveel minder zouden ze beledigingen moeten uiten over de onbegraven lichamen van christenen, aan wie hij heeft beloofd dat het vlees zelf met al zijn leden opnieuw gevormd zal worden, niet alleen uit de aarde, maar waarlijk ook uit de andere elementen, ja, uit de aarde. die meest geheime veilige haven waar de verdwenen lijken zich hebben teruggetrokken

+++++++++++++++++++++

7. Waardigheid bij begrafenis

7. Hoewel de zorg voor de lichamen van de doden een rechtvaardige zaak is, zijn enorme graven en begrafenissen dingen van trots die ons niet ten goede komen, maar de zij die goddelijk leven kunnen schaden. Heeft iemand een mooiere begrafenis gehad dan de arme man uit de gelijkenis die door engelen aan de boezem van Abraham werd geboren?

SKY

Dus al deze andere dingen – het beheer van de begrafenis, de omstandigheden van de begrafenis, de optocht van de begrafenisrituelen – zijn meer bedoeld om de levenden te troosten dan om verlichting te brengen aan de doden. Als een dure begrafenis de goddelozen ten goede komt, dan zal een goedkope of helemaal geen begrafenis de godvruchtigen schade berokkenen. Vanuit het perspectief van de mens zorgde een menigte familieleden voor een weelderige begrafenis voor de in het paars geklede rijke man; maar vanuit Gods perspectief werd die arme man vol zweren op een veel gedistingeerder manier bijgewoond door engelen die hem niet naar een marmeren graf droegen, maar naar de boezem van Abraham in de hoogte. Degenen voor wie wij het op ons hebben genomen om de Stad van God te verdedigen, lachen hier alleen maar om; maar ondanks dat alles minachtten zelfs hun eigen filosofen een dergelijke behandeling van de doden; en vaak gaven hele legers, terwijl ze stierven voor hun aardse land, er helemaal niet om waar ze daarna zouden liggen, of welke dieren ze zouden opeten. En de dichters spraken met applaus over deze houding en zeiden:
Hij wordt bedekt door de hemel, wiens as geen urn heeft.
Hoeveel minder zouden ze beledigingen moeten uiten over de onbegraven lichamen van christenen, aan wie hij heeft beloofd dat het vlees zelf met al zijn leden opnieuw gevormd zal worden, niet alleen uit de aarde, maar waarlijk ook uit de andere elementen, ja, uit de aarde. die meest geheime veilige haven waar de verdwenen lijken zich hebben teruggetrokken, zal onmiddellijk worden hersteld en weer heel worden gemaakt

++++++++++++++++++

8. Zorg voor de doden

8. Hoewel we weten dat God ons uit elke toestand kan opwekken, volgt hieruit niet dat de lichamen van de overledenen veracht en terzijde geworpen moeten worden. Onze lichamen behoren tot de aard van de mens en de zorg voor hen is altijd een plicht van vroomheid geweest, zoals blijkt uit de Schrift en Gods aanbeveling.

FOLLOW

Toch betekent dit niet dat de lichamen van de overledenen moeten worden veracht en terzijde geschoven, en vooral die van rechtvaardige en trouwe mannen, wier lichamen door hun geesten zijn gebruikt als instrumenten en instrumenten om al hun goede werken te doen. . Want net zoals hoe groter de genegenheid die iemand voor zijn ouders heeft, des te waardevoller zijn de kleding en de ring van de vader en al dergelijke dingen voor degenen die hem overleven, op dezelfde manier mogen de lichamen zelf niet worden verwaarloosd, omdat we ze dragen en nauwer met hen verbonden dan alles wat wij zelf aantrekken. Want ons lichaam is niet een sieraad of hulpmiddel dat van buitenaf wordt toegevoegd, maar behoort tot de aard van de mens. Zo werden ook in de oudheid de begrafenissen van rechtvaardige mensen met plichtsgetrouwe vroomheid geregeld, en hun begrafenissen werden gevierd en er werd voor begrafenissen gezorgd, en terwijl ze nog leefden gaven ze instructies aan hun zonen over hun begrafenis of zelfs over het verplaatsen van hun lichaam naar een andere plek. plaats. Tobias werd ook geprezen door het getuigenis van een engel voor het begraven van de doden, waardoor hij gunst bij God verwierf (Tobit 2:9). Ook de Heer zelf, toen Hij op het punt stond op de derde dag op te staan, verkondigde en prees voor het prediken van het goede werk van de vrome vrouw die een kostbaar parfum over Zijn ledematen goot en dat deed voor zijn begrafenis. En het Evangelie herdacht met lof degenen die het lichaam van Christus van het kruis namen en het zorgvuldig en met eerbiedige eer in het graf zagen wikkelen en leggen. Deze autoriteiten suggereren echter geenszins dat dode lichamen enig gevoel kunnen ervaren; maar veeleer betekenen ze dat de voorzienigheid van God (die blij is met zulke daden van vroomheid) zich ook bezighoudt met de lichamen van de doden, zodat ons geloof in de opstanding versterkt zou kunnen worden.

+++++++++++++++++++++

9. Werken van barmhartigheid

9. Als de zorg voor de lichamen van de getrouw overledenen een plicht voor God is, die een beloning waard is, hoeveel te meer dan de plicht en de beloning die voortvloeien uit de zorg voor de armen en behoeftigen. Het geven van aalmoezen, het verlichten van honger en lijden, is genade voor de gever en substantie voor de ontvanger

CLOTHING

Hieruit kunnen we ook met voordeel leren dat de beloning voor het geven van aalmoezen aan degenen die leven en hun zintuigen hebben, groot moet zijn, als God zelfs de dingen die we met plicht en toewijding doen voor de levenloze lichamen van mensen niet over het hoofd ziet. Er zijn inderdaad ook andere dingen die de heilige aartsvaders ons, door het spreken van de profetische Geest, wilden laten begrijpen over het begraven of verwijderen van hun lichamen. Maar dit is niet de plaats om deze zaken grondig te bespreken, en dus moet wat we hier hebben gezegd volstaan. Maar als goede mensen een mannelijke moed aan de dag leggen om een ​​tekort aan dingen die nodig zijn om in leven te blijven, zoals voedsel en kleding, te dragen en te verdragen, ongeacht hoe zwaar een aandoening daarmee gepaard gaat, en ze niet breken, noch drijft een dergelijke ontbering vroomheid uit hun geest halen, maar door het in praktijk te brengen worden ze des te vruchtbaarder. Hoeveel te meer kan een gebrek aan zorg, die normaal gebruikt wordt bij begrafenissen en het begraven van de lichamen van overledenen, er niet in slagen de doden ellendig te maken, aangezien nu ze rusten uit in de verborgen woonplaats van de vromen! En dus, toen deze dingen ook niet werden uitgevoerd voor de dode lichamen van christenen tijdens die verwoesting van de grote stad of van andere steden,de levenden die het zich niet konden veroorloven om deze dingen te doen, hadden geen schuld, noch resulteerde het in pijn voor de doden die ze niet konden voelen. Dit is mijn mening over de motieven en wijze van begraven. Ik heb dit uit een ander boek van mij overgenomen, omdat het makkelijker was om het opnieuw te vertellen dan om hetzelfde materiaal op een andere manier uit te drukken.

+++++++++++++++++++

10. Plaats van begrafenis

10. Waar we onze dierbaren begraven, helpt de doden niet, maar kan een teken zijn van iets goeds, namelijk onze genegenheid voor de stoffelijke resten van onze vrienden. Het kan echter ook een herinnering zijn om te bidden voor de rust van de zielen van onze geliefden en de heiligen te vragen voor hen tot God te bidden.

CALLED

Als dit waar is, dan is ook het voorzien in een begraafplaats voor lichamen bij de heiligenmonumenten een teken van een goede en menselijke instelling tegenover de stoffelijke resten van iemands vrienden. Want als er een heiligheid schuilt in het verzorgen van een begrafenis, moet er ook een heiligheid zijn in het letten op de plaats waar de begrafenis plaatsvindt. Maar hoewel het wenselijk is dat er zoveel troost is voor de overlevenden, waardoor ze hun vrome houding ten opzichte van hun geliefden kunnen tonen, zie ik niet in welke hulp dit voor de doden kan zijn, behalve op deze manier: dat bij het herdenken van de plaats in waarin de lichamen van degenen van wie ze houden zijn neergelegd, zouden ze met hun gebeden de overledenen kunnen aanbevelen aan diezelfde heiligen alsof ze beschermheren waren die op zich namen hen bij de Heer te helpen. Dat zouden ze nog steeds kunnen doen, ook al zouden ze niet op zulke plaatsen begraven kunnen worden. Maar deze graven van de doden die beroemd zijn geworden, worden gedenktekens of monumenten genoemd , omdat ze herinneren aan degenen die door de dood uit de ogen van de levenden zijn verdwenen, en door ze voor de geest te halen, zijn ze niet door vergeetachtigheid uit de harten van mensen verdwenen. Voor beiden laat de term gedenkteken dit heel duidelijk zien, en monument is datgene wat de geest instrueert, dat wil zeggen vermaant. Dit is de reden waarom wat wij een gedenkteken of monument noemen, door de Grieken een μνημεῖον wordt genoemd.
(Want in hun taal wordt het geheugen zelf, waarmee we dingen onthouden, μνήμη genoemd. Wanneer een geest zich daarom herinnert waar het lichaam van een zeer dierbare vriend begraven ligt, en daarbij de plaats zichzelf in zijn gedachten voorstelt als een plaats die eerbiedig is gemaakt door de naam van een martelaar, dan beveelt een dergelijke gemoedstoestand die ziel aan die plaats aan. martelaar door zijn gedachtenis en gebed. En wanneer de overledenen zulke dingen zien gedaan door de trouwe christenen die hen zeer dierbaar waren, kan men er niet aan twijfelen dat het degenen ten goede komt die, terwijl ze in het lichaam leefden, het verdienden dat zulke dingen hen na dit leven ten goede zouden komen. Maar zelfs als, vanwege het gebrek aan mogelijkheden, een of andere noodzaak het niet toestaat dat lichamen worden begraven, of op zulke plaatsen worden begraven, mag men de gebeden voor de zielen van de doden nog steeds niet verwaarlozen. Want in haar algemene gebed verbindt de Kerk zich ertoe zulke smeekbeden te doen voor alle overledenen in onze christelijke en katholieke gemeenschap, zelfs zonder hun naam te noemen. Dus degenen die geen ouders, zonen, familieleden of vrienden hebben, hebben nog steeds die ene vrome moeder die alle christenen gemeen hebben, die deze daden voor hen uitvoert. Maar hoe heilig de plaatsen ook zijn waar levenloze lichamen worden neergelegd, ik denk dat hun ziel er in het geheel niet van zal profiteren zonder zulke gebeden voor de doden en als ze niet met het juiste geloof en vroomheid worden uitgesproken.)

++++++++++++++++++++

Ignace d’Hert : Geloven met of zonder God……….

VOETLICHTDHERTELINGEN

Geloven met of zonder God

Ignace d’Hert o.p.

 

IGNACE 10

 

Ik heb het in de volgende beschouwingen niet rechtstreeks over godsgeloof, en ook niet over Jezus of het evangelie. Ik focus op wat ik voor mezelf als geloof beschouw. Op welke manier beleef ik mijn geloof, of wat voor mij geloven betekent? Dat is uiteraard zeer onvolledig, maar alleen voor mezelf een eerste reflectie.

Ik wil vooraf volgende bedenkingen meegeven.

Als het gaat over geloof of ongeloof kom ik bij mezelf niet direct bij een of ander godsbeeld uit. Ik ben al jaren aan het sukkelen met die thematiek van god en godsbeelden zonder bevredigend antwoord te vinden, en toch beschouw ik mezelf als een gelovig mens. Maar ik kan me best indenken dat sommigen zich afvragen hoe dat kan “zonder godsgeloof”. Ik vraag het me ook af. En meteen zit ik weer in de problemen. Want de combinatie van die twee woorden “zonder godsgeloof” is bijzonder intrigerend.

Het is duidelijk dat er niet één model van geloven is. Ik ervaar het alvast bij mezelf. Er zijn een aantal beelden uit mijn jeugd waarvan sommige zijn blijven hangen. Beelden waar ik nu niets meer kan. Het is dan ook geen ramp vast te stellen dat er inderdaad verschillende manieren van geloven zijn, zonder dat ze elkaar per se uitsluiten. Gelukkig maar. In vroegere tijden (zoals mijn jeugd) zou dit wellicht onrust hebben veroorzaakt, vandaag is het eerder een geruststelling of zelfs een troost.

Ik wil focussen op de vraag wat geloof of ongeloof te maken hebben met het dagelijks leven: hoe ze mijn leven oriënteren, ondersteunen of belemmeren en als ballast ervaren worden. Ik denk dat de basiswaarden die als onmisbaar beschouwd worden voor een menswaardig leven en samenleven moeten sporen met de visies die eigen zijn aan geloof of ongeloof. Welke attitudes vind ik belangrijk voor mezelf om als een “goede” mens met een open geest door het leven te gaan. Misschien brengen ze me in de buurt van geloof of ongeloof, of van beide.

  1. Ontvankelijkheid

Ontvankelijkheid is een onmisbare grondhouding die in heel het leven een belangrijke rol speelt. Het woord ontvankelijkheid zegt: openheid naar iets of iemand buiten mezelf. Openheid wijst naar het andere, de andere, naar zoveel dingen die van buiten af naar me toe komen. Ontvankelijkheid noem ik de houding die daarvoor open staat. Het is een houding van “open handen”, die bereid is te luisteren en de boodschap die van “buiten” komt toe te laten. Deze houding leeft van het besef dat ik veel te ontvangen heb. Het is een houding die concreet wordt in het besef dat mijn leven een gave is. Ik heb het gekregen. Dat is op zich al iets bijzonder. Ik vind het belangrijk om daar af en toe bij stil te staan. Het bewustzijn hiervan verdient die aandacht. Ontvankelijkheid betekent ook dankbaarheid van deze gave. Ik heb daar zelf geen verdienste aan. Want “Alles wat ik heb, heb ik van een ander” zingt Herman van Veen. Al mijn talenten heb ik gekregen. Niet verworven. Bijgevolg is bescheidenheid hier op zijn plaats.

Zelfaanvaarding is belangrijk. Het is een vorm van ontvankelijkheid. Ik ben wie ik ben. En het is goed zo. Ik heb mijn lichaam niet zelf gekozen, evenmin als mijn intellectuele of affectieve kwaliteiten. Zoals ieder mens heb ik mijn kwaliteiten en talenten, mijn beperkingen en begrenzingen. Ik moet daar leren mee leven. En dat is een opgave. Het helpt om momenten van bezinning in te bouwen om dit besef levend te houden. Wellicht is een zeker ritme daar behulpzaam bij. Zoals mensen op zondag naar een viering komen.

Ontvankelijkheid is van groot belang voor de relaties in mijn leven. Fundamenteel zijn de vriendschap en de liefde die ik mag ervaren en die ik ook zelf kan geven. Dat is een onbetaalbaar cadeau. Ik ben daar zonder meer afhankelijk van om mijn leven op een zinvolle manier vorm te geven. Het samen leven met dierbare anderen geeft een unieke warmte aan het leven. Ik mag dankbaar zijn om die nabijheid die rust en vrede betekent.

  1. Eindigheid van het bestaan

Regelmatig dringt zich de vraag op hoe ik omga met de eindigheid van het bestaan? Ooit was er van ons nog geen sprake en er komt een moment dat we van het toneel verdwenen zijn. “Er is een tijd van komen en een tijd van gaan” zegt Prediker, enkele eeuwen reeds voor onze tijdrekening. Ik mag me er dan bewust van zijn dat er ook aan mijn leven een einde komt. Ik heb reeds afscheid moeten nemen van mensen die mij bijzonder dierbaar waren en wiens heengaan pijn en verdriet betekende. Maar toch zijn ook zij na enige tijd naar de achtergrond vergleden. Nooit helemaal, maar toch. Zo zal het ook met mezelf zijn. Ik vind het niet eenvoudig om dat te aanvaarden. Ik heb het enkele keren meegemaakt bij een sterfbed dat de woorden van Prediker bewust geciteerd werden door de stervende. Ik vond het bewonderenswaardig. Ik bewonder het dat iemand in gelatenheid afscheid neemt. In aanvaarding. In vrede. Voor ons levende wezens, geldt alleen nog de “tijd van gaan”. Mensen die een zekere leeftijd hebben bereikt blikken wel eens terug op wat geweest is. Er is soms diepe dankbaarheid. Soms niet.

Eindigheid betreft ook de geschiedenis waarin we staan. Wat we vandaag als waardevol ervaren is dat niet noodzakelijk voor een volgende generatie. Vooral in deze tijd lijkt het alsof veranderingen elkaar bijzonder snel opvolgen. Dat is natuurlijk altijd al zo geweest. Het besef van de radicale contingentie van ons bestaan en ook van het hele wereldgebeuren roept indringende vragen op. Vragen naar de zin van alles. Zoals we met vreugde het nieuwe leven begroeten als een wonder, zo worden we ook geconfronteerd met de vergankelijkheid van alles en iedereen.

En toch blijken we te geloven dat het in de geschiedenis ergens over gaat. Dat er iets op het spel staat. De vraag is of er een gerichtheid is in de geschiedenis, een einddoel waar we naartoe gaan. We zeggen het bij een uitvaart. We hopen dat de gestorvene “thuis” mag komen. Dat er een grote hand is die haar/hem opvangt. Dat is geen goedkoop zoethoudertje. Juist integendeel. Het besef van een einddoel kan juist een motief zijn om nu reeds alle kansen die ons te beurt vallen ook ten goede maken. Ik geloof dat we, hoe bescheiden ook, waar of wanneer we ook leven, een verschil kunnen maken. Hoe klein ook, maar een verschil. Zelfs al wordt het niet of nauwelijks opgemerkt. Of het al dan niet gezien wordt doet er niet toe, wél dat het gebeurt, dat het iemand ten goede komt.

  1. Een ondoorgrondelijke mengeling van leven en dood

Het leven is een ondoorgrondelijke mengeling van leven en dood, goed en kwaad, liefde en leed, vreugde en verdriet. We worden uitgedaagd keuzes te maken. We doen het vaak met een zekere aarzeling. Het besef niet alles in handen te hebben is nu eenmaal eigen aan ons mens zijn. Het vergt een overgave die nooit zuiver rationeel is. Hier herken ik heel wat Bijbelse verhalen die het hebben over mensen die zich voor een beslissende keuze geplaatst weten. Vooral figuren uit het eerste testament zijn vaak heel spreken. Mozes die zich uitgedaagd weet om naar de farao te gaan en het volk weg te leiden uit Egypte. “Ik kan niet goed spreken” probeert hij de opdracht van zich af te wentelen. Of de keuze waar de joodse gemeenschap voor geplaatst wordt wanneer ze aan het einde van hun woestijntocht met het zicht op het beloofde land door Mozes voor de keuze gesteld worden. “Leven en dood houd ik u voor, kies dan het leven.”

Het zijn beelden waarin ik het besef van verantwoordelijkheid herken waar ik me ook zelf voor geplaatst weet. In mijn doen en laten ervaar ik iets als een innerlijke stem. Het doet me denken aan de profeet Elia, de grote profeet die droomde van een sterke god om de vijanden te verslaan. Hij had het verkeerd voor. God is niet te vinden in de storm, niet in de aardbeving, niet in het vuur, maar in het gefluister van een zachte bries. Zoiets is herkenbaar. Geen gedonder van een dictator die ons verplichtingen oplegt maar de aandrang van een zachte fluistering. Zo blijven ook wij standvastig in ons verzet tegen onrecht, aan onze inzet voor vrede hier en wereldwijd. We kunnen de oren en ogen sluiten voor de wereld rondom ons, maar ik geloof meer in het luisteren naar de stemmen die ons zachtjes influisteren wat ons geweten ons te doen geeft.

  1. Hoe daaraan concreet gestalte geven?

jOp welke concrete manier kan een dergelijke houding in mijn leven gestalte krijgen. Veel heel gewone zaken spelen daarin een rol. Ik heb het geluk me thuis te voelen in de sfeer, het leven en de werkzaamheden in de Dominicaanse familie. Volgehouden studie is een belangrijke weg van verdieping geweest en is dat tot op vandaag. De vrijheid van het kritisch denken is zowel bevrijding geweest als het soms ook onzekerheid met zich mee bracht. Want we hadden toch “de” waarheid meegekregen?! Ik voelde me opgelucht door de eerste inzichten die me hielpen afstand te nemen van het rijke roomse leven en van de theologie die haar ondersteunde. Die theologie stond bij nader toezien vooral in functie van de kerk. Excuus: van het kerkinstituut. Dat er zoiets bestaat als de vrijheid van denken in een religieuze context is een bevrijdend perspectief geweest. Het gaat niet om “het” geloof. Het gaat evenmin om “de” leer van de kerk alsof deze vanuit de openbaring “uit de hemel” zou zijn neergedaald.

Gaandeweg heb ik de relativiteit van het “geopenbaard geloof” weten te plaatsen. Het is ook steeds duidelijker geworden hoezeer culturele en historische elementen hun stempel hebben gedrukt op de manier waarop geloven werd voorgesteld. Dat is geen relativisme, alsof geloven geen inhoud zou hebben. Het gaat wél om zin voor relativiteit, die onderscheid maakt tussen het wezenlijke en de tijdgebonden inkleding waarin het verschijnt. Deze spanning respecteren is een bijzondere verantwoordelijkheid. Het kan nooit gaan om de formules als zodanig. Het gaat om de werkelijkheid waarop ze ons willen oriënteren. Interpretatie is daarom een heel bijzondere opdracht binnen welke gemeenschap ook. Een duidelijk voorbeeld is onze kerkelijke geloofsbelijdenis. Het gaat om een tekst uit afkomstig is uit de vierde, vijfde eeuw. De toenmalige bisschoppen stonden in concilie verzameld voor een belangrijke uitdaging. Hoe kunnen we trouw zijn aan de diepe waarheid die het geloof in Jezus betekent? De meningen waren verdeeld en een consensus bleek allesbehalve voor de hand te liggen. De kerkleiders konden maar niet tot eenzelfde geloofsbelijdenis komen. Dan is deze maar opgelegd door de keizer. Niet omdat de keizer zo’n schitterende theoloog was. Hij was wel begaan met de eenheid van zijn rijk. En hij zag al die kerkelijke vechthanen als een mogelijke bedreiging.

Merkwaardig toch hoe vast gehouden wordt aan een formule die onveranderd (en dus blijkbaar onveranderlijk) gehandhaafd blijft. Waar het over gaat zal de meeste kerkgangers wel ontgaan. Op die manier verliest de christelijke geloofsovertuiging zijn bevrijdende kracht en zijn geloofwaardigheid. Mensen hebben zich eeuwenlang geschikt in de levensstijl die werd opgelegd door de gezagsdragers in de kerk. Het is pas met het tweede Vaticaans concilie dat deze onmondigheid plaats maakte voor een persoonlijke invulling die de eigen ervaring recht doet.

Ignace D’hert o.p.
19/03/2024

Dietrich Bonhoeffer …..

12

Dietrich Bonhoeffer is waarschijnlijk de meeste bekende theoloog van de 20e eeuw. Overal inspireert hij mensen door de manier waarop hij tegenstellingen overbrugde en de eenheid en heelheid van het leven voor Gods aangezicht liet zien. Hij ging de uitdagingen waarvoor hij kwam te staan niet uit de weg.

Wie was Dietrich Bonhoeffer?

Dietrich Bonhoeffer (Breslau, 4 februari 1906 – Flossenbürg, 9 april 1945) was een vooraanstaand Duits kerkleider, theoloog van de Belijdende Kerk, en betrokken bij de samenzwering tegen Hitler.

Wanneer hoorden we voor het eerst van hem? 

In de jaren 30 was het maar een enkeling die deze destijds heel jonge theoloog opmerkte en zijn boek Navolging las. Onze landgenoot W.A. Visser ’t Hooft leerde hem eind jaren 30 in zijn functie bij de oecumenische beweging kennen en had ook in de oorlog contact met hem. Kort na de oorlog bracht hij een klein gedenkboek over hem uit.

Bonhoeffer is in ons land pas echt opgemerkt in de jaren 50, toen in 1952 eerst zijn boekje Gemeinsames Leben (‘Leven in gemeenschap’) en daarna in 1956 zijn gevangenisbrieven Widerstand und Ergebung (‘Verzet en overgave’) in vertaling uitkwamen. In 1964 verscheen Nachfolge (‘Navolging’) en in de loop der jaren werden diverse andere werken vertaald, het laatst de Ethik (‘Aanzetten voor een ethiek’) in 2012 en Schöpfung und Fall (‘Schepping en val’) in 2020.

Waarmee is hij bekend geworden?

Bonhoeffer is bij een breder publiek bekend geworden omdat hij betrokken was bij de voorbereidingen voor de aanslag op Hitler van 20 juli 1944, en als gevolg daarvan net voor het einde van de oorlog in concentratiekamp Flossenbürg terechtgesteld werd. In 1969 verscheen de eerste grote studie over Bonhoeffers leven en denken in ons taalgebied. G.Th. Rothuizen schreef over Bonhoeffers leven en denken Aristocratisch christendom, met als ondertitel ‘Over Dietrich Bonhoeffer: Leven-verzet-ecumene-theologie’. Het jaar daarna publiceerde J. Sperna Weiland Het einde van de religie. Verder op het spoor van Bonhoeffer, een boek over Bonhoeffers brieven van voorjaar 1944. In die brieven schreef Bonhoeffer dat de tijd van de ‘religie’, die voor God alleen plaats heeft aan de randen van het leven, voorbij was. Sperna Weiland schetste Bonhoeffer als een voorloper van de God-is-dood-theologie van die tijd. Teksten van Bonhoeffer uit diezelfde periode, waarin een klassiek-christelijke visie en een persoonlijke vroomheid naar voren kwamen, bestempelde hij als overblijfselen van een voorbije fase.

Inmiddels is deze kijk op Bonhoeffer gedateerd en wordt die door niemand meer gedeeld. De scheiding tussen de ‘nieuwe’, ‘visionaire’ Bonhoeffer van het ‘einde van de religie’ en de ‘oude’, ‘vrome’ Bonhoeffer is een construct. In een brief aan zijn pasgeboren neefje Dietrich Bethge van mei 1944 schreef hij dat het aankwam op ‘bidden, doen wat rechtvaardig is onder de mensen en wachten op het verlossende woord’. Met dat laatste bedoelde hij dat ‘de grote woorden van de Bijbel en de christelijke traditie’ weer zouden gaan spreken, zo, dat het gelaat van de aarde eronder verandert en zich vernieuwt. Hij neemt geen afscheid van de Bijbel en de christelijke traditie, maar hoort in het evangelie een boodschap die mensen aanspreekt en perspectief biedt om verantwoordelijk voor God en de mensen hun weg te gaan.

Wat kunnen we met zijn gedachtegoed?

Bonhoeffer past niet in een schema van traditioneel of modern, behoudend of vooruitstrevend, op-de-samenleving-gericht of naar-binnen-gekeerd. Dankzij vertalingen van veel van zijn werken – ook preken! – is het mogelijk om je op (bijbel)kringen te laten inspireren door de manier waarop Bonhoeffer tegenstellingen overbrugde en de eenheid en heelheid van het leven voor Gods aangezicht liet zien. Kritisch voor ons vandaag is hij vooral daarin, dat hij niet uit was op een ‘authentiek’ leven waarin hij ‘het verschil maakte’, maar zich door de nood van mensen uit zijn baan liet brengen en de uitdagingen waarvoor hij kwam te staan niet uit de weg ging.

Zien we de doorwerking van zijn gedachtegoed ergens terug?

Bonhoeffer is waarschijnlijk de meeste bekende theoloog van de 20e eeuw. Overal inspireert hij mensen. Een heel duidelijk voorbeeld daarvan is de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Toen Bonhoeffer in 1930-1931 een jaar in New York studeerde, werd hij lid van een ‘zwarte’ gemeente, en ervoer direct wat discriminatie op grond van ras of huidskleur concreet betekende en hoe het ‘werkte’. Dat maakte dat hij in 1933 meteen doorzag wat de maatregelen van het nazi-regime tegen de joden betekenden, en protest aantekende. Daarmee werd hij een inspiratiebron voor christenen in Zuid-Afrika in hun strijd tegen apartheid.

Een mooi toepasselijk gedicht , geschreven toen hij gevangen zat i het concentratiekamp Flossenburg.

WIE Dietrich Bonhoeffer

Tien belangrijke uitspraken van Kerkvader Augustinus….

Tien belangrijke uitspraken van

kerkvader Augustinus

Hans Alderliesten 

Kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) is nog altijd een veelgeciteerd en veelgelezen filosoof en theoloog. Grote invloed oefende hij uit op de westerse filosofie en op de katholieke en protestantse theologie. Zijn ideeën over universele thema’s als gerechtigheid, liefde en waarheid zijn nog altijd bruikbaar. Welke uitspraken van Augustinus móet je kennen? In dit artikel bespreek ik tien uitspraken van Augustinus. Ik geef de uitspraken weer in het origineel en in een aansprekende vertaling. In een vogelvlucht door Augustinus’ leven en denken

MONIKA

  1. Heb lief en doe wat je wilt.

Origineel: ‘semel ergo breve praeceptum tibi praecipitur dilige et quod vis fac sive taceas dilectione taceas sive clames dilectione clames sive emendes dilectione emendes sive parcas dilectione parcas radix sit intus dilectionis non potest de ista radice nisi bonum existere’ (In Epistolam Joannis ad Parthos, tractatus 7, sect. 8)
Vertaling: ‘Bemin en doe dan wat je wilt: wil je zwijgen, zwijg uit liefde, wil je schreeuwen, schreeuw uit liefde, wil je corrigeren, doe het uit liefde, wil je vergeven, vergeef uit liefde. Draag de bron van liefde in je hart, want uit liefde kan alleen het goede voortkomen.’ (vertaling Tars van Bavel, 1992)

Geloof, hoop en liefde. Een christelijke drie-eenheid, waarover de apostel Paulus zegt dat liefde de belangrijkste is. In Augustinus’ leven en werk speelt liefde een belangrijke rol, zij het op verschillende manieren. Als tiener en twintiger was hij op zoek naar liefde, maar op een manier die geen werkelijke bevrediging kon geven. Al die tijd maakte zijn moeder Monnica zich grote zorgen over haar zoon; ze bleef van hem houden, bad voor hem, reisde hem achterna. Augustinus zou eerst dertig moeten worden alvorens hij tot inkeer kwam. Ware liefde, zo ontdekte Augustinus, richt zich op de ander.
Over die liefde heeft de Tsjechische priester Tomáš Halík (*1948) een mooi boek geschreven: ‘Ik wil dat jij bent.’ Hij schrijft deze uitspraak aan Augustinus toe – hoewel deze nergens in zijn oeuvre wordt aangetroffen. Echter, waar God liefde geeft, gaat de mens God liefhebben, en de mensen om zich heen. Het tegenovergestelde van liefde is geen haat, maar egoïsme. Bij alles wat je doet is het belangrijk, aldus Augustinus, om lief te hebben: het werk, de mensen om je heen, de wereld. Liefde is de bron van het goede, omdat God liefde is. Vanuit die bron mag je doen wat je wilt, zoals de reformator Maarten Luther (1483-1546) later zou zeggen: zondig dapper maar geloof dapperder.

2. Mensen hebben nauwelijks aandacht voor zichzelf.

Origineel: ‘et eunt homines mirari alta montium et ingentes fluctus maris et latissimos lapsus fluminum et oceani ambitum et gyros siderum et relinquunt se ipsos, nec mirantur, quod haec omnia cum dicerem, non ea videbam oculis, nec tamen dicerem nisi montes et fluctus et flumina et sidera quae vidi et oceanum quem credidi, intus in memoria mea viderem spatiis tam ingentibus quasi foris viderem’ (Confessiones, X, 8)
Vertaling: ‘En dan gaan mensen erop uit om met verbazing te kijken naar hoge bergtoppen, naar de machtige golven van de zee, naar de brede stromen van de rivieren, de wijdheid van de oceaan en de banen van de gesternten, maar voor zichzelf hebben ze geen aandacht en het maakt hun verbazing niet gaande dat ik bij het noemen van al deze dingen ze niet met mijn ogen zag, terwijl ik ze toch niet genoemd zou hebben indien ik de bergen, golven, rivieren en gesternten, die ik gezien heb, en de oceaan, waar ik door geloven van weet, niet binnen mij, in mijn geheugen had gezien, over even enorme ruimten uitgestrekt als had ik ze buiten mij gezien.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1997)

Geloof, hoop en liefde. Een christelijke drie-eenheid, waarover de apostel Paulus zegt dat liefde de belangrijkste is. In Augustinus’ leven en werk speelt liefde een belangrijke rol, zij het op verschillende manieren. Als tiener en twintiger was hij op zoek naar liefde, maar op een manier die geen werkelijke bevrediging kon geven. Al die tijd maakte zijn moeder Monnica zich grote zorgen over haar zoon; ze bleef van hem houden, bad voor hem, reisde hem achterna. Augustinus zou eerst dertig moeten worden alvorens hij tot inkeer kwam. Ware liefde, zo ontdekte Augustinus, richt zich op de ander.
Over die liefde heeft de Tsjechische priester Tomáš Halík (*1948) een mooi boek geschreven: ‘Ik wil dat jij bent.’ Hij schrijft deze uitspraak aan Augustinus toe – hoewel deze nergens in zijn oeuvre wordt aangetroffen. Echter, waar God liefde geeft, gaat de mens God liefhebben, en de mensen om zich heen. Het tegenovergestelde van liefde is geen haat, maar egoïsme. Bij alles wat je doet is het belangrijk, aldus Augustinus, om lief te hebben: het werk, de mensen om je heen, de wereld. Liefde is de bron van het goede, omdat God liefde is. Vanuit die bron mag je doen wat je wilt, zoals de reformator Maarten Luther (1483-1546) later zou zeggen: zondig dapper maar geloof dapperder.

3. Heb de zondaar lief, maar haat de zonde.

Origineel: ‘et hoc quod dixi de oculo non figendo etiam in ceteris inveniendis prohibendis indicandis convincendis vindicandisque peccatis diligenter et fideliter observetur cum dilectione hominum et odio vitiorum’ (Regula Sancti Augustini, IV-10)
Vertaling: ‘Wat ik gezegd heb over het begerig kijken naar vrouwen, geldt ook voor alle andere zonden. Dezelfde gedragslijn moet u nauwgezet en trouw volgen bij het ontdekken, het verhinderen, het aan het licht brengen, het bewijzen en het bestraffen van andere fouten; wel met liefde voor de mensen, maar met afkeer van hun fouten.’ (vertaling Tars van Bavel, 1982)

Augustinus is een meester in zelfreflectie. In de Belijdenissen daalt hij diep in zichzelf af. Hij onderzoekt zijn verleden en bevraagt zichzelf kritisch op zijn motieven. Het credo van de Griekse filosofie was ‘Ken uzelf’. De zoektocht naar de waarheid kent een beweging naar binnen. Augustinus komt er voor zichzelf echter achter dat hij voor zichzelf een raadsel is, een vraag, een mysterie. Het menselijk bestaan is zo divers, zo omvangrijk en ergens ook zo mysterieus, dat we het nooit in alle facetten zullen leren kennen. Armzalig zij, in Augustinus’ ogen, die niet eens de moeite nemen zichzelf onder handen nemen. Mensen die zichzelf niet tot gezelschap kunnen zijn, al is dat misschien een andere categorie. Het ontbreekt ons niet zozeer aan antwoorden, maar aan vragen. Durf je jezelf existentiële vragen te stellen: wie ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik heen? In zijn beschouwing van zichzelf jubelt Augustinus het uit: wonderlijk ben ik, mooi gevormd, de mens is een kroonjuweel van de schepping. Geschapen naar Gods beeld (imago Dei) waar in weerwil van de val nog vonken van het goddelijke in zijn overgebleven. Wie in de beschouwing en in het genieten van de wereld zichzelf overslaat, die mist heel veel, zo meent Augustinus. Men kan wereldwonderen bezoeken en bewonderen, maar heb je al ontdekt dat je eigen bestaan een wonder is?

Augustinus voor mensen van nu (2019)

4. Als iemand vraagt wat de tijd is, weet ik het niet

Origineel: ‘et eunt homines mirari alta montium et ingentes fluctus maris et latissimos lapsus fluminum et oceani ambitum et gyros siderum et relinquunt se ipsos, nec mirantur, quod haec omnia cum dicerem, non ea videbam oculis, nec tamen dicerem nisi montes et fluctus et flumina et sidera quae vidi et oceanum quem credidi, intus in memoria mea viderem spatiis tam ingentibus quasi foris viderem’ (Confessiones, X, 8)
Vertaling: ‘En dan gaan mensen erop uit om met verbazing te kijken naar hoge bergtoppen, naar de machtige golven van de zee, naar de brede stromen van de rivieren, de wijdheid van de oceaan en de banen van de gesternten, maar voor zichzelf hebben ze geen aandacht en het maakt hun verbazing niet gaande dat ik bij het noemen van al deze dingen ze niet met mijn ogen zag, terwijl ik ze toch niet genoemd zou hebben indien ik de bergen, golven, rivieren en gesternten, die ik gezien heb, en de oceaan, waar ik door geloven van weet, niet binnen mij, in mijn geheugen had gezien, over even enorme ruimten uitgestrekt als had ik ze buiten mij gezien.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1997

Augustinus is een meester in zelfreflectie. In de Belijdenissen daalt hij diep in zichzelf af. Hij onderzoekt zijn verleden en bevraagt zichzelf kritisch op zijn motieven. Het credo van de Griekse filosofie was ‘Ken uzelf’. De zoektocht naar de waarheid kent een beweging naar binnen. Augustinus komt er voor zichzelf echter achter dat hij voor zichzelf een raadsel is, een vraag, een mysterie. Het menselijk bestaan is zo divers, zo omvangrijk en ergens ook zo mysterieus, dat we het nooit in alle facetten zullen leren kennen. Armzalig zij, in Augustinus’ ogen, die niet eens de moeite nemen zichzelf onder handen nemen. Mensen die zichzelf niet tot gezelschap kunnen zijn, al is dat misschien een andere categorie. Het ontbreekt ons niet zozeer aan antwoorden, maar aan vragen. Durf je jezelf existentiële vragen te stellen: wie ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik heen? In zijn beschouwing van zichzelf jubelt Augustinus het uit: wonderlijk ben ik, mooi gevormd, de mens is een kroonjuweel van de schepping. Geschapen naar Gods beeld (imago Dei) waar in weerwil van de val nog vonken van het goddelijke in zijn overgebleven. Wie in de beschouwing en in het genieten van de wereld zichzelf overslaat, die mist heel veel, zo meent Augustinus. Men kan wereldwonderen bezoeken en bewonderen, maar heb je al ontdekt dat je eigen bestaan een wonder is?

Augustinus stelt meer vragen dan antwoorden, zo ontdekte ik. Hij hanteert een techniek van de antieke Griekse filosofen: doorvragen tot je de essentie raakt. Om er vervolgens achter te komen dat elk antwoord een wedervraag oproept. Augustinus probeert in zijn werken de wereld om zich heen rationeel te verklaren. ‘Wij zijn, wij weten dat wij zijn,’ schrijft hij ergens. Om eraan toe te voegen: ‘… en wij hebben dat zijn en dat weten lief.’ Liefde staat bij Augustinus hoger aangeschreven dan kennis. Augustinus is veel met het concept ‘tijd’ bezig geweest, ook met het klassieke onderscheid tussen chronos en kairos, de twee Griekse goden van de tijd. Chronos staat voor de tijd die voortschrijdt, de tijd die je kunt meten, kairos voor de tijdsbeleving, een welbepaald moment waarop iets (bijzonders) gebeurt, in moderne termen: een flow, of mindful moment. Augustinus denkt na over het verleden, het heden en de toekomst. Hij vindt het maar ingewikkeld en komt tot de conclusie dat er alleen een nu is, een heden van genade, dat zowel heel spiritueel als bevindelijk op te vatten is.

25

5. Wij zijn de tijden.

Origineel: ‘ideo dicimus fratres orate quantum potestis abundant mala et deus uoluit ut abundarent mala utinam non abundarent mali et non abundarent mala mala tempora laboriosa tempora hoc dicunt homines bene uiuamus et bona sunt tempora nos sumus tempora quales sumus talia sunt tempora’ (Sermo 80, 8)
Vertaling: ‘En daarom zeg ik, broeders en zusters: bid zoveel u kunt. Er is een overvloed aan slechte dingen en dat heeft God zelf toegelaten. Was er maar geen overvloed aan slechte mensen, dan zou er ook geen overvloed zijn aan s

lechte dingen. Het zijn slechte tijden! Het zijn moeilijke tijden! Dat zeggen de mensen tenminste. Laten we liever goed leven, dan worden de tijden vanzelf goed. Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zo zijn de tijden.’ (vertaling Joost van Neer et all.; 2004)

Als bisschop van de Afrikaanse havenstad Hippo Regius, het huidige Annaba in Algerije, heeft Augustinus honderden preken gehouden. Deze preken hadden waarschijnlijk een interactief karakter – bezoekers liepen in en uit, stelden tussendoor vragen of lieten luidkeels weten zich er niet in te kunnen vinden. In dit preekfragment (Sermo 80) is dat zichtbaar. ‘Het zijn slechte tijden!’ roept iemand. Waarop Augustinus koel reageert: ‘Dat zeggen de mensen tenminste.’ Een ander: ‘Het zijn moeilijke tijden!’ Augustinus geeft er een geniale draai aan – hij was tenslotte opgeleid in de retorica. Je kunt het kwaad en slechte of moeilijke dingen búiten jezelf situeren. Dat is de makkelijke weg. Het kwaad, dat bevindt zich buiten mij. Hetzelfde geldt voor de tijd waarin we leven: gaat dat buiten ons om?
Augustinus kiest de weg naar binnen, die van introspectie en verootmoediging. Wat als het kwaad ín ons huist? En ten aanzien van de tijd: wij ondergaan niet alleen maar, wij zíjn tijd. Wij zijn de tijden. Zeggen dat we in slechte tijden leven, betekent dus zeggen dat wij slecht zijn. Nu is dat een ander aspect uit Augustinus denken, namelijk dat wij door te kiezen voor de zonde het kwaad hebben toegelaten in de wereld en in ons leven. Als wij de tijden zijn en wij ons inzetten voor het goede, wil Augustinus maar zeggen, dan kunnen wij er iets aan doen om de tijden beter te maken. Een inzicht dat velen heeft geïnspireerd – het was een van de motto’s waardoor oud-premier wijlen Ruud Lubbers zich liet inspireren.

6. Wat zijn koninkrijken zonder gerechtigheid anders dan roversbenden?

Origineel: ‘remota itaque iustitia quid sunt regna nisi magna latrocinia quia et latrocinia quid sunt nisi parua regna manus et ipsa hominum est imperio principis regitur pacto societatis astringitur placiti lege praeda diuiditur’ (De Civitate Dei IV-4)
Vertaling: ‘Als dus de gerechtigheid terzijde is geschoven, wat zijn koninkrijken dan anders dan grote roversbenden? Wat zijn roversbenden anders dan kleine koninkrijken? Zo’n bende is ook een groep men sen, ze wordt door het gezag van een hoofdman geleid, ze wordt bijeengehouden door een verdrag van saamhorigheid en de buit wordt er volgens de regels van een overeenkomst verdeeld.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1983)

Een klassieker: zonder recht en gerechtigheid verschilt een overheid niet van een roversbende of een criminele organisatie. Voor wereldlijke, maar ook kerkelijke regeringen geldt dat heerszucht en hang naar macht grote gevaren zijn. De ware gerechtigheid heeft volgens Augustinus te maken met de erkenning dat de wereld en ons leven aan God toebehoort. Als we dat niet erkennen, ontroven we God Zijn eigendommen, maken we zelf de dienst uit en verheffen we ons boven de eeuwige wetten.

Het is een citaat uit De Stad van God, een belangrijk werk waarin Augustinus de stad van God tegenover de stad van de mens plaatst. In De Stad van God verdedigt Augustinus de redelijkheid van het christelijk geloof en bestrijdt hij de dwaasheid van het heidendom. Augustinus ziet in de wereld een strijd tussen twee gemeenschappen: de stad van God (civitas Dei) versus de stad van de mens (civitas terrena). Gelovigen horen bij de eerste, hemelse stad, ongelovigen bij de tweede, een aardse stad. De kerk, de stad van God, verkeert in deze wereld in de vreemde. Voor de gelovigen gaat het om gerechtigheid, liefde en het toekomende, terwijl de stad van de mens zich laat kenmerken door eigenliefde, heerszucht en het hier en nu. Het Romeinse Rijk beleefde zijn nadagen toen Augustinus dit schreef en hij besefte dat de grens tussen orde en wanorde, tussen gerechtigheid en ongerechtigheid flinterdun is. Actuele voorbeelden als individuele corrupte bestuurders, die steekpenningen aannemen om hun eigen positie te behouden, of de toeslagaffaire bij de Belastingdienst illustreren dit.

7. Laat heb ik U liefgekregen, o Schoonheid.

Origineel: ‘sero te amavi pulchritudo tam antiqua et tam nova sero te amavi et ecce intus eras et ego foris et ibi te quaerebam et in ista formosa quae fecisti deformis inruebam mecum eras et tecum non eram’ (Confessiones X, 27, 38)
Vertaling: ‘Laat heb ik u liefgekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat ik heb u liefgekregen! En gij waart binnen en ik was buiten, en daar zocht ik u, ik rende, wanstaltig als ik was, op de schone dingen af die door u gemaakt zijn. Gij waart bij mij en ik niet bij u.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1997)

Augustinus kreeg ik in de kerk in Afrika met veel weerstand te maken. Zijn integriteit werd in twijfel getrokken en zijn leerstellingen werden fel betwist. Om zich te verweren, schrijft hij de Belijdenissen. Een autobiografie avant la lettre. Hij richt zich in de Belijdenissen tot God. Hij heft zowel de lofzang aan, als wel dat hij belijdenis van schuld doet. In de eerste boeken doet hij uit de doeken hoe hij als tiener en twintiger erop los geleefd heeft. Aan alles proef je: Augustinus schaamt zich diep. Hoewel God voor hem alles is geworden en hij Hem hartelijk liefgekregen heeft, belijdt Augustinus dat hij God ‘laat’ heeft liefgekregen. Augustinus noemt God hier ‘Schoonheid’. Dit beeld gebruikt hij vaker: God is het meest schone dat je je kunt voorstellen, de schoonheid zelf, de oorsprong van alle schoonheid. Soms wordt deze zin vertaald als ‘te laat heb ik U liefgekregen’, maar dat doet geen recht aan het feit dat Augustinus de tweede helft van zijn leven zich met buitengewone ijver zich aan de dienst van God heeft toegewijd en God van harte lief had.

8. Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt.

Origineel: ‘omnia possum inquit in eo qui me confortat conforta me ut possim da quod iubes et iube quod vis iste se accepisse confitetur et quod gloriatur in domino gloriatur. audivi alium rogantem ut accipiat aufer inquit a me concupiscentias ventris unde adparet sancte deus te dare cum fit quod imperas fieri’ (Confessiones X, 31, 45)

Vertaling: ‘’Alles vermag ik,’ zegt hij, ‘in Hem die mij kracht geeft.’ Geef mij kracht om te vermogen; geef wat gij beveelt en beveel wat gij wilt! Hij belijdt dat hij ontvangen heeft, en als hij roemt, roemt hij in de Heer. Ik heb een ander horen vragen iets te mogen ontvangen. ‘Neem van mij weg,’ zegt die, ‘de begeerlijkheden van mijn buik.’ Er blijkt wel uit, mijn heilige God, dat gij de gever zijt wanneer er gedaan wordt wat gij beveelt te doen.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1997)

In de controverse met de Britse monnik Pelagius (ca. 350-435) draaide het om de vraag: heeft de mens een eigen, vrije wil? Zowel Pelagius als Augustinus zagen dat de mens tot het kwaad geneigd is, maar verschilden in opvatting in hoeverre de mens in staat was om goede dingen te doen. Volgens Augustinus is de mens sinds de zondeval niet meer in staat om níet te zondigen (non posse non peccare). Alleen door Gods bevrijdende genade kan de mens hieraan ontsnappen. De mens kan echter niet uit zichzelf tot God komen, vandaar dat hij in deze beroemde zin in uit de Belijdenissen bidt: ‘Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt.’ Een prachtige en pijnlijke belijdenis van onmacht. In het vragen om geloof, wil God geloof schenken. Om het anders te formuleren: als je niet in geloof tot God kunt gaan, kom dan óm het geloof.

Pelagius was het hier hartgrondig mee oneens. Volgens hem was de mens wel degelijk in staat tot het goede en niet afhankelijk van Gods genade om tot het goede te geraken. Pelagius kende een grote rol toe aan menselijke vermogens om het heil te verwerven en Gods gunst te verdienen. Hij ontkende daarbij de erfzonde, zoals Augustinus die muntte. In Augustinus’ visie zijn wij niet alleen zondaar omdat ons aller stamvader Adam eens zondigde, maar omdat we er zelf elke dag weer voor kiezen de zonde toe te laten.

Pelagius was het hier hartgrondig mee oneens. Volgens hem was de mens wel degelijk in staat tot het goede en niet afhankelijk van Gods genade om tot het goede te geraken. Pelagius kende een grote rol toe aan menselijke vermogens om het heil te verwerven en Gods gunst te verdienen. Hij ontkende daarbij de erfzonde, zoals Augustinus die muntte. In Augustinus’ visie zijn wij niet alleen zondaar omdat ons aller stamvader Adam eens zondigde, maar omdat we er zelf elke dag weer voor kiezen de zonde toe te laten.

9. Ik twijfel dus ik besta.

Origineel: ‘si enim fallor sum nam qui non est utique nec falli potest ac per hoc sum si fallor quiargo sum si fallor quo modo esse me fallor quando certum est me esse si fallor quia igitur essem qui fallerer etiamsi fallerer procul dubio in eo quod me noui esse non fallor consequens est autem ut etiam in eo, quod me noui nosse non fallar sicut enim noui esse me ita noui etiam hoc ipsum, nosse me’ (De Civitate Dei XI, 26)
Vertaling: ‘Als ik mij namelijk vergis, dan ben ik. Wie niet is, kan zich immers ook onder geen beding vergissen, en ik ben dus, als ik mij vergis. En omdat ik dus ben, als ik mij vergis, kan ik me onmogelijk vergissen in de uitspraak dat ik ben, aangezien het vaststaat dat ik ben, als ik me vergis. Omdat ik dus, zelfs als ik me zou vergissen, iemand zou zijn, iemand die zich vergiste, vergis ik mij ongetwijfeld niet door te zeggen dat ik weet dat ik ben. Daaruit volgt dan weer, dat ik me ook niet kan vergissen door te zeggen dat ik weet dat ik dat weet. Zoals ik immers weet dat ik ben, zo weet ik ook dat ik dat weet.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1983)

Augustinus genoot een goede opleiding in de retorica en filosofie. Voor de Griekse filosofen was waarheid een van de belangrijkste concepten. Wat is waarheid? En hoe kan je vaststellen of iets waar is? Kan je je zintuigen wel vertrouwen? Wat je ziet kan zinsbegoocheling zijn, je kunt dingen verkeerd interpreteren, je kunt dingen zien omdat je ze wilt zien. Augustinus weet echter zeker dat hij bestaat. Want, zo schrijft hij, ik twijfel. En ik maak fouten. Ondanks en dankzij mijn zintuigen neem ik waar – misschien vergis ik me, maar als ik me vergis, betekent dat in elk geval dat ik iets doe: me vergissen. Al is mijn beeld van wat ik waarneem onjuist, dan nog weet ik dat ik iets waarneem (zij het dat ik niet zeker ben van het object van de waarneming). Als ik niet zou bestaan, zou ik niet kunnen twijfel. Mijn twijfel bewijst mijn bestaan. Het klinkt cartesiaans – en dat is het ook (… ergo sum). Augustinus stelt vast dat hij bestaat, dat hij weet dat hij bestaat en dat hij van dit bestaan en dit weten houdt. Een mooie drieslag: zijn, weten en liefhebben.

10. Onrustig is ons hart, tot het rust vindt in U.

Origineel: ‘magnus es domine et laudabilis valde magna virtus tua et sapientiae tuae non est numerus et laudare te vult homo aliqua portio creaturae tuae et homo circumferens mortalitem suam circumferens testimonium peccati sui et testimonium quia superbis resistis et tamen laudare te vult homo aliqua portio creaturae tuae tu excitas ut laudare te delectet quia fecisti nos ad te et inquietum est cor nostrum donec requiescat in te’ (Confessiones I, 1)
Vertaling: ‘Groot zijt gij, Heer, en ten zeerste lovenswaardig. Groot is uw macht en uw wijsheid heeft geen getal! En loven wil u een mens, een deel van uw schepping, ja een mens die zijn sterfelijkheid met zich omdraagt, die met zich omdraagt het getuigenis van zijn zonde en het bewijs dat gij de hovaardigen weerstaat. En toch wil hij u loven, die mens, een deel van uw schepping. Gij zet hem aan om er vreugde in te vinden u te loven, want gij hebt ons gemaakt naar u, en ongerust is ons hart totdat het zijn rust vindt in u.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1997)

Een van Augustinus’ bekendste aforismen. Augustinus opent er zijn eerder genoemde Belijdenissen mee. Onrustig als hij was, op zoek naar waarheid en schoonheid, doolde hij rond in de wereld. Hij zocht bevrediging van zijn verlangens – vond die in de wereld en in de mensen om zich heen maar ten dele. Een kinderstem brengt hem op de knieën. Het ware geluk ligt niet in zoveel mogelijk genieten, maar in het kennen van God. Waar God is, is rust. God is de rust. Hij geeft rust aan vermoeide zielen.
De dialectiek is typerend voor Augustinus: hij buiten, God binnen; hij onrustig; God de rust; hij wentelde zich in de leugen, God de hoogste waarheid. Na de schepping rustte God van Zijn werk. Zo zullen de gelovigen eens uitkomen in de rust die God schenkt: een eeuwige sabbat, een morgen zonder avond, een volmaakte rust. Daarmee besluit Augustinus zijn Belijdenissen, ons daarmee wijzend op de toekomst die wacht.

TINUS7

Bron : https://hansalderliesten.nl/tien-belangrijke-uitspraken-van-kerkvader-augustinus/

 

De doop van Augustinus door st Ambrosius…..

 

De doop van St. Augustinus door St. Ambrosius

Door David Gibson

 

AMBROOS10

Franco Nero portretteert St. Augustinus als een oude man in een scène uit de film “Restless Heart”. St. Ambrosius en Augustinus worden beiden vandaag herinnerd als onschatbare kerkvaders. (CNS-foto/Maximus Group)

De heilige Augustinus was ver verwijderd van zijn vaderland in Noord-Afrika toen de bisschop van Milaan, Ambrosius, hem bij zonsopgang op Pasen in het jaar 387 doopte.

Zijn doop was het hoogtepunt van een van de grootste bekeringsverhalen ooit. Augustinus kwam pas na een moeizaam proces van beraadslaging bij de doopvont aan.

De heilige Ambrosius, de doper die dag, was een gewaardeerde prediker en een kracht om rekening mee te houden in een tumultueuze tijd in de keizerlijke stad Milaan, die toen diende als de zetel van de westerse keizer van het Romeinse Rijk.

Augustinus, 33 jaar oud, was leraar retorica, de kunst van het overtuigend spreken in het openbaar. Hij kwam uit een regio in het huidige Algerije.

Het was toen nog niet bekend dat Ambrosius iemand doopte die voorbestemd was om voor altijd tot de grootste denkers en schrijvers van het christendom te worden gerekend, de auteur bijvoorbeeld van klassiekers als de ‘Bekentenissen’ en ‘De stad van God’.

De heilige Ambrosius en Augustinus worden vandaag de dag herinnerd als kerkvaders van onschatbare waarde.

Augustinus’ reis naar het doopsel begon als kind toen zijn moeder, St. Monica, hem inschreef als christelijke catechumeen. Maar zijn doop werd uitgesteld tot in de toekomst, wat in die tijd niet ongebruikelijk was.

De jeugdige Augustinus worstelde met geloofskwesties, vooral met de implicaties ervan voor gedrag. Hij baande zich een weg onder christenen, half-christenen en andere gelovigen van zijn vierde-eeuwse wereld.
Voor hem betekende een reis naar de doop dat hij worstelde om te beslissen wat voor soort man hij wilde zijn.

Gezien de uitdagingen van zijn vaak pijnlijke geloofsreis, is het niet verwonderlijk dat de eerste regels van zijn “Bekentenissen” de beroemde woorden bevatten: “Ons hart is rusteloos, totdat het in U rust (Heer).”

De reis die Augustinus uiteindelijk naar Milaan leidde, begon in 383 toen hij van Noord-Afrika naar Rome reisde om een positie als leraar retorica te aanvaarden. Zijn positie in Rome bleek hem echter onbevredigend.

In 384 aanvaardde hij een soortgelijke positie in Milaan. Daar ontmoette onze retoricaleraar Ambrosius, de begenadigde spreker en prediker. Het verbaasde Augustinus dat hij onder de indruk was van Ambrosius’ oratorische vaardigheid.

Even verrassend voor Augustinus was misschien de positieve houding ten opzichte van de Schrift, in het bijzonder het Oude Testament, die Ambrosius in hem teweegbracht.

Ambrosius’ beschikbare tijd voor een gesprek was echter beperkt. Niet alleen besteedde hij veel tijd aan zijn studie, maar hij werkte ook onder druk van de keizerlijke autoriteiten.

Want Milaan was in die tijd de zetel van een tienerkeizer, Valentinianus II, wiens imposante moeder Justina een Ariaanse christen was. Als zodanig geloofde ze dat God de Vader Jezus Christus schiep en niet, zoals de geloofsbelijdenis van Nicea stelt, dat God de Vader en de Zoon één zijn in hun bestaan.

Tijdens Augustinus’ tijd in Milaan probeerde Justina kerken van Ambrosius in beslag te nemen voor gebruik door de Arianen. In deze verhitte sfeer toonde Ambrosius zich een sterke leider door op te staan tegen haar keizerlijke roekeloosheid.

Ambrosius wordt in de kerkgeschiedenis herinnerd omdat hij botweg zei: “De keizer is in de kerk, niet erboven.”

Minder dan een jaar voor zijn doop had Augustinus wat men tegenwoordig ‘een jreligieuze ervaring’ zou kunnen noemen. Hij voelde zich geroepen om een passage te lezen in de brief van Paulus aan de Romeinen (13:13-14) die hem overtuigde om zijn levensstijl te veranderen en ‘de Heer Jezus Christus aan te doen’.

Hij was diep ontroerd. Eindelijk kon hij de doop aanvaarden.
Voorbereiding op de doop door Ambrosius betekende dat je je inschreef voor een veeleisend proces van instructie met twee sessies per dag op elke doordeweekse vastendag, voor een verbazingwekkend totaal van 60 sessies, volgens “Font of Life” door Garry Wills, een geleerde van Augustinus.
Ambrosius hechtte duidelijk veel belang aan de doop.

Toen de pasgedoopte christenen uit het doopwater tevoorschijn kwamen, trokken zij witte gewaden aan die betekenden dat zij het nieuwe leven van Christus aandeden en die de komende week werden gedragen. Wills legt uit:

“Als de doopsels uit het water komen, zegt Ambrosius, is het als Christus die uit het graf komt: ‘Omdat de doop als de dood is, is dit zeker als een opstanding als je ondergedompeld bent en weer tevoorschijn komt (uit het water).'”

(Gibson was 37 jaar lang lid van de redactie van Catholic News Service.)

Bron : https://catholicphilly.com/2016/10/catholic-spirituality/the-baptism-of-st-augustine-by-st-ambrose/

Korte Fragmenten uit de theologie van St.Athanasius de Grote……

 

5 Korte fragmenten uit de theologie van 

ST Athanasius de Grote

ATH

1 .Over de Heilige Drie-eenheid:

“De apostelen waren niet geïnteresseerd in de beelden en analogieën van pluraliteit in de Schrift, noch in het verzoenen van pluraliteit en eenheid. Maar ze waren zeker bezorgd om via het medium van de Schrift uit te leggen hoe de Heer Jezus zich verhoudt tot de ene God, zijn Vader, in de Geest. Deze fundamentele Schriftuurlijke grammatica van de Trinitaire theologie — dat de ene God, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de Vader is van de Heer Jezus Christus, de Zoon van God, bekend gemaakt in en door de Geest — wordt bewaard in de meest abstracte discussies van de vierde eeuw, in de geloofsbelijdenis van Nicaea en Constantinopel, en in liturgische taal. Toch wordt deze fundamentele grammatica over het hoofd gezien wanneer het punt van deze discussies wordt verwaarloosd en de resulterende formules in abstractie worden genomen, als verwijzend naar een “immanente” Triniteit – één God die in drie Personen bestaat – die vervolgens wordt verondersteld en overgeplaatst naar de Schriftuurlijke openbaring. Op dit punt is het niet voldoende om alleen de identiteit van de “economische” Triniteit en de “immanente” Triniteit te bevestigen, of om te benadrukken dat de “economische” basis van onze kennis van de Triniteit — dat we alleen door de openbaring van de Zoon in en door de Geest over God als Vader kunnen spreken — moet overeenkomen met hoe de Triniteit eigenlijk in “immanente” termen is. Deze twee dimensies van de Trinitaire theologie, economisch en immanent, hadden nooit van elkaar gescheiden mogen worden, ook al worden ze later herenigd. Dat de Trinitarische theologie voortkomt uit het nadenken over hoe de gekruisigde en verheven Heer Jezus Christus de enige god als Vader openbaart, in en door de Heilige Geest, die ook geadopteerde zonen die met Christus gekruisigd zijn in staat stelt om dezelfde God als Vader aan te roepen, betekent dat de Trinitaire theologie minder te maken heeft met het hemelse bestaan van drie goddelijke personen dan met deze nieuwe manier van belijden van de ene God — als Vader , in de Zoon, door de Heilige Geest. (Nicene Geloof, I:7-8)”

2.Op het Beeld van het eeuwige Woord dat Mens zou worden:

“Voor God Maker van allen en Koning van allen, die Zijn Wezen voorbij alle substantie en menselijke ontdekking heeft, voor zover Hij goed en buitengewoon is, maakte door Zijn eigen Woord onze Verlosser Jezus Christus, het menselijk ras naar Zijn eigen beeld, en vormde de mens in staat om de realiteiten te zien en te kennen door middel van deze assimilatie met Zichzelf , waardoor hij ook een conceptie en kennis van Zijn eigen eeuwigheid krijgt, opdat hij, met behoud van zijn natuur, nooit van zijn gods idee afwijkt, noch zich terugtrekt uit de gemeenschap van de heiligen; maar met de genade van Hem die het gaf, met ook Gods eigen kracht uit het Woord van de Vader, zou hij zich kunnen verheugen en gemeenschap kunnen hebben met de Godheid, het leven van onsterfelijkheid ongedeerd en waarlijk gezegend. Omdat hij niets heeft dat zijn kennis van de Godheid belemmert, aanschouwt hij ooit, door zijn zuiverheid, het Beeld van de Vader, God het Woord, naar Wiens beeld hij zelf gemaakt is. Hij is ontzagwekkend als hij nadenkt over die Voorzienigheid die zich door het Woord uitstrekt tot het universum, verheven boven de dingen van zin en elke lichamelijke verschijning, maar zich vastklampt aan de goddelijke en door gedachten waargenomen dingen in de hemelen door de kracht van zijn geest. Want wanneer de geest van de mensen niet met lichamen praat, noch zich ermee vermengd heeft van zonder iets van hun begeerte, maar volledig boven hen staat, met zichzelf woont zoals het in het begin is gemaakt, dan, de dingen van zin en alle dingen menselijk overstijgend, wordt het op hoge hoogte opgewekt; en het Zien van het Woord, het ziet in Hem ook de Vader van het Woord, die plezier beleeft aan het overdenken van Hem en vernieuwing krijgt door zijn verlangen naar Hem; precies zoals de eerste van de geschapen mensen, degene die adam in het Hebreeuws werd genoemd, in de Heilige Schrift wordt beschreven als iemand die in het begin zijn geest aan God-ward had in een vrijheid die niet door schaamte werd beschaamd, en als associëren met de heilige in die overpeinzing van dingen die hij waargenomen door de geest die hij genoot op de plaats waar hij was- de plaats die de heilige Mozes in figuur een Tuin noemde. Zuiverheid van de ziel is dus voldoende van zichzelf om God te weerspiegelen, zoals de Heer ook zegt: Gezegend zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.’ (Gent. 2)”

3.Op het pad van heiligen:

“Het is een feit, broeders en zusters, dat het pad van de heiligen in dit leven er een vol problemen is. Ze verdragen ofwel de pijn van het verlangen naar wat komen gaat, zoals degene die zei: ‘Wee mij dat ik zo’n lange pelgrimstocht heb’ (Ps. 120:5, LXX) of ze zijn verontrust door hun verlangen naar de redding van anderen, zoals Paulus aan de Korintiërs schreef: ‘Ik ben bang dat ik naar u toe kom. , God kan mij verootmoedigen en mij doen huilen en rouwen om velen die gezondigd hebben en zich niet bekeerd hebben van onzuiverheid, hoererij en losbandigheid die zij hebben beoefend.'”

4. Bij de val uit de hemel:

“En nogmaals, als de duivel, de vijand van ons ras, die uit de hemel is gevallen, ronddwaalt in onze lagere atmosfeer, en daar heerschappij heeft over zijn medegeesten, zoals zijn gelijkgehoorzame leeftijdsgenoten, niet alleen illusies met hun middelen in hen werkt die bedrogen zijn, maar hen probeert te hinderen die omhoog gaan (en daarover zegt de apostel : Volgens de prins van de macht van de lucht, van de geest die nu werkt in de zonen van ongehoorzaamheid); terwijl de Heer kwam om de duivel neer te werpen, en de lucht te zuiveren en de weg voor ons naar de hemel voor te bereiden, zoals de apostel zei: Door de sluier, dat wil zeggen, Zijn vlees [Hebr. 10:20]— en dit moet door de dood zijn– welnu, door wat voor andere soort dood zou dit kunnen zijn geschied , dan door een die plaatsvond in de lucht, bedoel ik het kruis? Want alleen hij die aan het kruis geperfectioneerd is, sterft in de lucht. Waar het heel toepasselijk was dat de Heer deze dood leed. Want toen Hij zo werd opgeheven, zuiverde Hij de lucht van de kwaadaardigheid van zowel de duivel als van allerlei demonen, zoals Hij zegt: Ik zag Satan als de bliksem uit de hemel viel; en maakte een nieuwe opening van de weg naar de hemel, zoals Hij nog eens zegt: Hef uw poorten op, o jullie prinsen, en word opgeheven, jullie eeuwige deuren.”

5. Van Antonius’ visioen over de vergeving van zijn zonden:

“. . . Voor een keer, toen hij op het punt stond te eten, toen hij opstond om te bidden over het negende uur, zag hij dat hij gevangen was in de geest, en, prachtig om te vertellen, stond hij en zag zichzelf als het ware van buitenaf, en dat hij door bepaalde mensen in de lucht werd geleid. Vervolgens stonden bepaalde bittere en verschrikkelijke wezens in de lucht en wilden hem ervan weerhouden door te gaan. Maar toen zijn dirigenten zich tegen hen verzetten, eisten zij of hij niet aan hen verantwoording afdeed. En toen zij de rekening vanaf zijn geboorte wilden samenvatten, hielden de leiders van Antonius hen tegen en zeiden: “De Heer heeft de zonden vanaf zijn geboorte weggevaagd, maar vanaf het moment dat hij monnik werd en zich aan God wijdde, is het jullie toegestaan om een afrekening te maken.” Toen zij hem beschuldigden en hem niet konden veroordelen, was zijn weg vrij en ongehinderd. En onmiddellijk zag hij zichzelf als het ware komen en alleen staan, en opnieuw was hij Antonius zoals voorheen. Toen vergat hij te eten, hij bleef de rest van de dag en de hele nacht kreunen en bidden. Want hij was verbaasd toen hij zag tegen welke machtige tegenstanders ons worstelen is, en door welke arbeid we door de lucht moeten gaan. En hij herinnerde zich dat dit is wat de apostel zei: ‘Volgens de prins van de macht van de lucht [Efeziërs 2:2.]’ Want daarin heeft de vijand de macht om te vechten en te proberen degenen die erdoorheen gaan te hinderen. Daarom vermaande hij ernstig: ‘Neem het hele harnas van God op, opdat u in de kwade dag [Efeziërs 6:13] kunt weerstaan,’ opdat de vijand, ‘die niets kwaads tegen ons te zeggen heeft, zich kan schamen [Titus 2:8].’ En wij die dit geleerd hebben, laten wij de apostel in gedachten houden wanneer hij zegt: “Of ik het nu in het lichaam weet, of niet, ik weet het niet; God weet [2 Korintiërs 12:2].’ Maar Paulus werd tot de derde hemel ingehaald, en nadat hij de dingen onuitsprekelijk had gehoord, kwam hij naar beneden; terwijl Antonius zag dat hij naar de lucht was gekomen en vocht tot hij vrij was.

Bronnen:

https://afkimel.wordpress.com/2013/04/02/st-athanasius-the-great-theologian-of-the-cross/

https://afkimel.wordpress.com/2013/04/04/st-athanasius-the-creation-of-humanity-in-the-

St Augustinus : Daarom is gelukkig zijn niets anders dan niet in nood zijn, dat wil zeggen, wijs zijn……

Network

AUG10

Daarom is gelukkig zijn niets anders dan niet in nood zijn, dat wil zeggen, wijs zijn. Maar als je zoekt naar wat wijsheid is, heeft de rede dit al uitgelegd en verklaard voor zover mogelijk. Want wijsheid is niets anders dan de maat van de ziel, dat wil zeggen, dat waardoor de geest bevrijd wordt, zodat zij niet te veel overloopt en niet tekortschiet in volheid. Want er is een aanloop naar luxe, tirannie, daden van trots, en andere dergelijke dingen waarbij de zielen van ongebreidelde en ongelukkige mannen denken dat ze voor zichzelf plezier en macht krijgen. Maar er is een tekort aan volheid door basis, angst, verdriet, passie en andere dingen, van welke aard dan ook, waardoor ongelukkige mensen zelfs toegeven dat ze ongelukkig zijn
Augustinus van Hippo