Hilary van Poitiers : Homilie over Psalm 1 – paragraaf 29

e53c1868ca074f12224d40f3fefd10b1 (1)

De heilige Hilarius stelt de voor de hand liggende vraag die voortkomt uit de tegenstrijdige uitspraken over het oordeel dat hij denkt dat Psalm 1 beweert. Want als gelovigen zijn vrijgesteld van het oordeel, en ongelovigen zijn al geoordeeld, maar we worden onderwezen over het komende oordeel, hoe wordt dit dan opgelost?

ERTS

De termen van deze uitspraak van de Heer zijn verontrustend voor onoplettende toehoorders en onzorgvuldige, overhaaste lezers. Want door te zeggen: Hij die in Mij gelooft , zal niet geoordeeld worden , stelt Hij gelovigen vrij , en door eraan toe te voegen: Maar wie niet gelooft , is al geoordeeld , Hij sluit ongelovigen uit van oordeel. Als Hij dus gelovigen op deze manier heeft vrijgesteld en ongelovigen heeft uitgesloten, en de kans op een oordeel noch aan de ene, noch aan de andere klasse heeft gelaten, hoe kan Hij dan als consistent worden beschouwd als hij er ten derde aan toevoegt: En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen. wereld, en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht? Want er kan blijkbaar geen plaats meer zijn voor oordeel, aangezien noch gelovigen , noch ongelovigen geoordeeld mogen worden. Dat zal ongetwijfeld de conclusie zijn die onoplettende toehoorders en haastige lezers trekken. De uiting heeft echter een passende betekenis en een eigen rationele interpretatie.

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie