
Als mens overtrad ik opzettelijk het goddelijke gebod, toen de duivel mij verleidde met de hoop op goddelijkheid (vgl. Gen. 3:5), mij uit mijn natuurlijke stabiliteit naar het rijk van sensueel genot sleepte; en hij was er trots op dat hij aldus de dood tot stand had gebracht, want hij schept behagen in de verdorvenheid van de menselijke natuur. Hierdoor werd God de volmaakte mens en nam hij alles op zich wat tot de menselijke natuur behoort, behalve de zonde (vgl. Hebr. 4:15); en zonde maakt inderdaad geen deel uit van de menselijke natuur, op deze manier, door de onverzadigbare slang te verleiden met het aas van het vlees. Hij daagde hem uit zijn mond te openen en door te slikken. Dit vlees bleek vergif voor hem en vernietigde hem volkomen door de kracht van de goddelijkheid die erin zat; maar voor de menselijke natuur bleek het een remedie die haar in haar oorspronkelijke genade herstelde door diezelfde kracht van de Goddelijkheid die erin zat. Want net zoals de duivel zijn gif van de zonde uitgoot op de boom van kennis en de menselijke natuur verdierf zodra deze ervan had geproefd, zo werd hij, toen hij het vlees van de Meester wilde verslinden, zelf vernietigd door de kracht van de Goddelijkheid daarin.
+ St. Maximos de Belijder, Diverse teksten over theologie, de goddelijke economie en deugd en ondeugd 1.11, The Philokalia: de volledige tekst (deel 2)
