De vragen van Athanasius zijn door de jaren heen tot op de dag van vandaag waar geworden. Hoe kunnen we kijken naar het apostolische geloof van de Kerk, goed verkondigd in Nicea, en beweren trouw te zijn aan dat geloof, terwijl we verwerpen dat de Zoon van het wezen van de Vader is en mede-essentieel met hem?

Waarom verwerpen ze dat van Nicæa, waar hun Vaders de belijdenis ondertekenden dat de Zoon van de Essentie van de Vader is en met Hem samenleeft? Waarom rennen ze rond? Want nu zijn ze niet alleen in oorlog met de bisschoppen die in Nicæa bijeen waren, maar ook met hun eigen grote bisschoppen en hun eigen vrienden. Wiens erfgenamen of opvolgers zijn zij dan? Hoe kunnen ze mensen vaders noemen, wiens belijdenis, goed en apostolisch opgesteld, ze niet willen aanvaarden? Want als ze denken dat ze er bezwaar tegen kunnen maken, laten ze dan spreken, of liever antwoorden, opdat ze ervan overtuigd worden dat ze zichzelf tekort doen, of ze de Zoon geloven als Hij zegt: ‘Ik en mijn Vader zijn één’ en ‘wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’ ‘Ja,’ moeten zij antwoorden, ‘omdat er geschreven staat geloven wij het.’ Maar als hen wordt gevraagd hoe ze één zijn, en hoe wie de Zoon heeft gezien, de Vader heeft gezien, veronderstellen we natuurlijk dat ze zullen zeggen: ‘op grond van gelijkenis,’ tenzij ze het helemaal eens zijn met degenen die de broederopvatting van hen aanhangen en Anomœans worden genoemd. Maar als men hen opnieuw vraagt: “Hoe is Hij gelijk?”, zeggen ze: “Door volmaakte deugdzaamheid en harmonie, door dezelfde wil te hebben als de Vader, door niet te willen wat de Vader niet wil”. Maar laten zij begrijpen dat iemand die door deugd en wil met God is gelijkgesteld, ook onderhevig is aan het doel van verandering; maar het Woord is niet zo, tenzij Hij gedeeltelijk ‘gelijk’ is, en zoals wij, omdat Hij ook in wezen niet [God] gelijk is.
Athanasius van Alexandrië
