
Wanneer u dan gezegd wordt dat de Zoon van God de zoon van David en van Abraham is, twijfel dan niet meer, dat ook gij, de zoon van Adam, de zoon van God zult zijn. Want niet in het wilde weg, noch tevergeefs vernederde Hij Zichzelf zo zeer, alleen was Hij van plan ons te verhogen. Zo is Hij naar het vlees geboren, opdat gij naar de Geest geboren zoudt worden; Hij is geboren uit een vrouw, opdat gij zoudt ophouden de zoon van een vrouw te zijn.
Daarom was de geboorte tweevoudig, beide aan ons gelijk gemaakt, en ook de onze overtreffend. Want geboren te worden uit een vrouw was inderdaad ons lot, maar niet geboren te worden uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de mens, maar uit de Heilige Geest, was van tevoren de geboorte te verkondigen die ons te boven gaat, de geboorte die komt, die Hij op het punt stond ons vrijelijk te geven uit de Geest. En al het andere was ook zo. Zo was ook Zijn doopsel van dezelfde aard, want het had deel aan het oude, en het had ook deel aan het nieuwe. De doop door de profeet (vrede zij met hem) markeerde het oude, maar het neerdalen van de Geest overschaduwde het nieuwe. En alsof iemand zich in de ruimte tussen twee personen zou plaatsen die apart stonden, en zijn beide handen zou uitstrekken, zou hij aan weerszijden vastgrijpen en ze samen timen; alzo heeft Hij gedaan, door het Oude Verbond met het Nieuwe te verbinden, Gods natuur met die van de mens, de dingen die van Hem zijn met de onze.
Homilieën van Johannes Chrysostomos