
Als we een zekere mate van heiligheid hebben bereikt, moeten we altijd voor onszelf de woorden van de apostel herhalen: ‘Toch niet ik, maar de genade van God die met mij was’ (1 Kor. 15:10), evenals wat er was. door de Heer gezegd: ‘Zonder Mij kun je niets doen’ (Johannes 15:5).
We moeten ook in gedachten houden wat de profeet zei: ‘Tenzij de Heer het huis bouwt, zwoegen de bouwers tevergeefs’ (Ps. 127:1), en ten slotte: ‘Het hangt niet af van de wil of inspanning van de mens, maar op Gods barmhartigheid’ (Rom. 9:16). Zelfs als iemand ijverig, serieus en vastberaden is, kan hij, zolang hij gebonden is aan vlees en bloed, de volmaaktheid niet benaderen behalve door de barmhartigheid en genade van Christus.
Jacobus zelf zegt dat ‘elk goed geschenk van boven komt’ Jak. 1:17), terwijl de apostel Paulus vraagt: ‘Wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? Als je het nu hebt ontvangen, waarom roem je dan, alsof je het niet hebt ontvangen?’ (1 Kor. 4:7). Welk recht heeft de mens dan om trots te zijn alsof hij door zijn eigen inspanningen perfectie zou kunnen bereiken?”
John Cassian
