
KERKVADERS OVER HET DOPEN VAN KINDEREN

IRENAEUS
“Hij [Jezus] kwam om alles door zichzelf te redden; allen, zeg ik, die door hem in God herboren zijn: zuigelingen, en kinderen, en jongeren, en oude mannen. Daarom doorliep hij elk tijdperk en werd een kind voor zuigelingen, heiligde baby’s; een kind voor kinderen, heiligend voor hen die van die leeftijd zijn . . . [opdat] hij de volmaakte leraar in alle dingen zou zijn, volmaakt niet alleen met betrekking tot het uiteenzetten van de waarheid, volmaakt ook met betrekking tot de relatieve leeftijd” (Tegen ketterijen 2:22:4 [189 na Christus]).
“En [Naäman] doopte zichzelf . . . zevenmaal in de Jordaan’ [2 Kon. 5:14]. Het was niet voor niets dat Naäman van weleer, toen hij aan melaatsheid leed, gezuiverd werd toen hij gedoopt werd, maar [dit diende] als een aanwijzing voor ons. Want zoals wij melaatsen in zonde zijn, zo worden wij door middel van het heilige water en de aanroeping van de Heer rein gemaakt van onze oude overtredingen, geestelijk wedergeboren als pasgeboren baby’s, zoals de Heer heeft verklaard: ‘Tenzij een mens wedergeboren wordt door het water en de Geest, zal hij het koninkrijk der hemelen niet binnengaan’ [Johannes 3:5]” (Fragment 34 [A.D. 190]).
HIPPOLYTOS
“Doop eerst de kinderen, en als ze voor zichzelf kunnen spreken, laat ze dat dan doen. Laat anders hun ouders of andere familieleden voor hen spreken” (De Apostolische Traditie 21:16 [215 na Christus]).
ORIGEN
“Elke ziel die in het vlees geboren wordt, is bezoedeld door de vuiligheid van goddeloosheid en zonde. . . . In de Kerk wordt de doop gegeven voor de vergeving van zonden, en volgens het gebruik van de Kerk wordt de doop zelfs aan kinderen gegeven. Als er niets in zuigelingen was dat de verlossing van zonden vereiste en niets in hen dat relevant was voor vergeving, zou de genade van de doop overbodig lijken” (Homilieën op Leviticus 8:3 [248 na Christus]).
“De Kerk ontving van de apostelen de traditie om zelfs aan zuigelingen de doop te geven. De apostelen, aan wie de geheimen van de goddelijke sacramenten waren toevertrouwd, wisten dat er in iedereen aangeboren spanningen van [oorspronkelijke] zonde zijn, die door water en de Geest moeten worden weggewassen” (Commentaren op Romeinen 5:9 [248 na Christus]).
CYPRIANUS VAN CARTHAGO
“Wat betreft wat betrekking heeft op het geval van zuigelingen: U [Fidus] zei dat zij niet gedoopt mochten worden binnen de tweede of derde dag na hun geboorte, dat de oude wet van de besnijdenis in acht genomen moest worden en dat u niet vond dat iemand gedoopt en geheiligd moest worden binnen de achtste dag na zijn geboorte. In onze raad leek het ons ver anders. Niemand stemde in met de koers die u dacht te moeten volgen. Integendeel, we oordelen allemaal dat de barmhartigheid en genade van God aan niemand geboren mag worden” (Brieven 58:2 [253 na Christus]).
“Als, in het geval van de ergste zondaars en degenen die vroeger veel tegen God gezondigd hebben, wanneer zij daarna geloven, de verlossing van hun zonden wordt verleend en niemand wordt weerhouden van doop en genade, hoeveel te meer moet een kind dan niet worden tegengehouden, dat, nadat het nog maar kort geleden geboren is, geen zonde heeft gedaan, behalve dat hij, geboren uit het vlees volgens Adam, de besmetting van die oude dood heeft opgelopen vanaf zijn eerste geboorte. Juist daarom nadert hij [een kind] gemakkelijker om de verlossing van zonden te ontvangen: omdat de zonden die hem vergeven zijn niet de zijne zijn, maar die van een ander” (ibid., 58:5).
GREGORIUS VAN NAZIANZUS
“Heb je een kind? Geef de zonde geen kans; laat het kind liever van kinds af aan geheiligd worden. Laat hem vanaf zijn meest jonge leeftijd door de Geest gewijd worden. Vreest u het zegel [van de doop] vanwege de zwakheid van de natuur? O, wat een kutmoeder en van hoe weinig geloof!” (Oratie over de Heilige Doop 40:7 [388 na Christus]).
“‘Nou genoeg’, zullen sommigen zeggen, ‘voor degenen die om de doop vragen, maar wat heb je te zeggen over degenen die nog kinderen zijn en zich niet bewust zijn van verlies of van genade? Zullen wij hen ook dopen?’ Zeker [ik antwoord], als er enig dringend gevaar is. Het is beter dat zij onbewust geheiligd worden, dan dat zij onverzegeld en niet-ingewijden vertrekken” (ibid., 40:28).
JOHANNES CHRYSOSTOMUS
“Je ziet hoeveel de weldaden van de doop zijn, en sommigen denken dat de hemelse genade ervan alleen bestaat uit de vergeving van zonden, maar we hebben tien eerbewijzen opgesomd [die het schenkt]! Daarom dopen wij zelfs kinderen, hoewel zij niet bezoedeld zijn door [persoonlijke] zonden, opdat hun heiligheid, gerechtigheid, aanneming, erfenis, broederschap met Christus gegeven kan worden, en opdat zij zijn [Christus] leden mogen zijn” (Doopcatechese in Augustinus, Tegen Julianus 1:6:21 [388 na Christus]).
AUGUSTINE
“Wat de universele Kerk bezit, niet zoals het door concilies is ingesteld [uitgevonden], maar als iets dat altijd wordt vastgehouden, wordt het meest terecht verondersteld te zijn overgeleverd door apostolisch gezag. Aangezien anderen voor kinderen reageren, zodat de viering van het avondmaal voor hen compleet kan zijn, is het zeker nuttig voor hen voor hun toewijding, omdat zij zelf niet in staat zijn om te reageren” (Over de doop, tegen de donatisten 4:24:31 [400 na Christus]).
“De gewoonte van Moeder Kerk bij het dopen van kinderen moet zeker niet worden veracht, noch moet het op enigerlei wijze als overbodig worden beschouwd, noch moet men geloven dat haar traditie iets anders is dan apostolisch” (De letterlijke interpretatie van Genesis 10:23:39 [408 na Christus]).
“Cyprianus vaardigde geen nieuw decreet uit, maar hield vast aan het meest vaste geloof van de Kerk om sommigen te corrigeren die vonden dat baby’s niet gedoopt mochten worden voor de achtste dag na hun geboorte. Hij was het met bepaalde van zijn collega-bisschoppen eens dat een kind naar behoren gedoopt kan worden zodra het geboren is” (Brieven 166:8:23 [412 na Christus]).
“Door deze genade worden ook gedoopte zuigelingen in zijn [Christus] lichaam opgenomen, zuigelingen die zeker nog niet in staat zijn om iemand na te volgen. Christus, in wie allen levend worden gemaakt . . . geeft ook de meest verborgen genade van zijn Geest aan gelovigen, genade die hij in het geheim zelfs in zuigelingen inschenkt. . . . Het is een uitstekende zaak dat de Punische [Noord-Afrikaanse] christenen de doopverlossing en het sacrament van Christus’ Lichaam niets anders dan het leven noemen. Waar komt dit vandaan, behalve uit een oude en, naar ik aanneem, apostolische traditie, volgens welke de kerken van Christus inherent van mening zijn dat zonder doop en deelname aan de tafel van de Heer het voor een mens onmogelijk is om het koninkrijk van God of de zaligheid en het eeuwige leven te bereiken? Dit is ook het getuigenis van de Schrift. . . . Als iemand zich afvraagt waarom kinderen die uit de gedoopten geboren zijn, zelf gedoopt moeten worden, laat hem daar dan kort op ingaan. . . . Het sacrament van de doop is zeer zeker het sacrament van de wedergeboorte” (Vergeving en de rechtvaardige woestijnen van de zonde, en de doop van zuigelingen 1:9:10; 1:24:34; 2:27:43 [412 na Christus]).
RAAD VAN CARTHAGO V
“Item: Het leek goed dat wanneer er geen betrouwbare getuigen werden gevonden die konden getuigen dat zij [verlaten kinderen] zonder enige twijfel gedoopt waren en wanneer de kinderen zelf, vanwege hun jonge leeftijd, niet in staat waren om te antwoorden over het geven van de sacramenten aan hen, al deze kinderen zonder scrupules gedoopt zouden worden, opdat een aarzeling hen niet zou beroven van de reiniging van de sacramenten. Dit werd aangespoord door de [Noord-Afrikaanse] legaten, onze broeders, omdat zij veel van zulke [verlaten kinderen] verlossen van de barbaren” (Canon 7 [401 na Christus]).
RAAD VAN MILEUM II
“[W]hoever zegt dat zuigelingen vers uit de schoot van hun moeder niet gedoopt moeten worden, of zeggen dat zij inderdaad gedoopt zijn tot de vergeving van zonden, maar dat zij niets putten uit de erfzonde van Adam, die in het bad van de wedergeboorte wordt uitgewist . . . Laat hem anathema zijn [geëxcommuniceerd]. Aangezien wat de apostel [Paulus] zegt: ‘Door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en de dood door de zonde, en zo doorgegeven aan alle mensen, in wie allen gezondigd hebben’ [Rom. 5:12], moet niet anders begrepen worden dan de katholieke Kerk die overal verspreid is, het altijd begrepen heeft. Want op grond van deze geloofsregel worden zelfs zuigelingen, die tot nu toe zelf geen enkele zonde hebben kunnen begaan, daarom waarlijk gedoopt tot de vergeving van zonden, zodat datgene wat zij van generatie op generatie hebben opgelopen, in hen gereinigd kan worden door wedergeboorte” (Canon 3 [416 na Christus]).
VERDER citaten :
Kinderdoop
Irenaeus, bisschop van Lyon:
“Want Hij kwam om allen te redden door middel van Zichzelf – allen, zeg ik, die door Hem wedergeboren zijn voor God – zuigelingen, en kinderen, en jongens, en jongeren, en oude mannen.”
Irenaeus, Tegen ketterijen, 2,22:4 (180 n.Chr.), in ANF, I:391
Hippolytus, bisschop van Rome
‘En zij zullen eerst de kleine kinderen dopen. En als ze voor zichzelf kunnen antwoorden, laat ze dan antwoorden. Maar als ze dat niet kunnen, laat dan hun ouders antwoorden of iemand uit hun familie.”
Hippolytus van Rome, Apostolische Traditie, 21 (ca. 215 n.Chr.), in AT,33
Oorsprong
“hierom worden ook kinderen gedoopt.”
Origenes, Homilie over Lucas, XIV (233 n.Chr.), in JER, 65
“Om deze reden heeft de Kerk bovendien van de apostelen de traditie ontvangen om ook kinderen te dopen.”
Origenes, Homilie over Romeinen, V:9 (244 n.Chr.), in JER, 65
“De doop wordt gegeven tot vergeving van zonden; en volgens het gebruik van de Kerk wordt de doop zelfs aan zuigelingen gegeven. En inderdaad, als er bij kinderen niets was dat vergeving van zonden vereiste en niets in hen dat relevant was voor vergeving, dan zou de genade van de doop overbodig lijken.”
Origenes, Homilie over Leviticus, 8:3 (na 244 n.Chr.), in JUR, I: 208
Cyprianus, bisschop van Carthago
“Maar met betrekking tot het geval van de zuigelingen, waarvan u zegt dat ze niet binnen de tweede of derde dag na hun geboorte gedoopt mogen worden, en dat de wet van de oude besnijdenis in acht genomen moet worden, zodat u denkt dat iemand die net geboren is, dat wel zou moeten doen. niet binnen de achtste dag gedoopt en geheiligd worden… En daarom, dierbare broeder, was dit onze mening in de raad, dat door ons niemand verhinderd mag worden bij de doop… wij denken dat dit zelfs nog meer in acht moet worden genomen met betrekking tot zuigelingen en pasgeborenen. geboren personen..”
Cyprianus, aan Fidus, Brief 58(64): 2,6 (251 n.Chr.), in ANF, 5:353-354
Optatus van Mileve
“Het vertoont geen vouwen als baby’s het aantrekken [dat wil zeggen het doopkleed], het is niet te schaars voor jonge mannen, het past vrouwen zonder aanpassingen.”
Optatus van Mileve, Tegen Parmenium, 5:10 (365 n.Chr.), in JER, 94
Chrysostomos
‘Heeft u een klein kind? Geef de zonde geen enkele kans, maar laat hem vanaf zijn kindertijd geheiligd worden; laat hem vanaf zijn allerpriesterste leeftijd door de Geest worden gewijd. Bent u bang voor het zegel vanwege de zwakte van de natuur? Gregory Nazianzen, Rede over de heilige doop, 40:17 (381 n.Chr.), in NPNF2, 7:365
Johannes Chrysostomus, aartsbisschop van Antiochië
“We dopen kinderen, ook al zijn ze niet schuldig aan enige zonde.”
Chrysostomus Johannes, Ad Neophytos, (388 n.Chr.), in LCF, 169
Ambrosius
‘Je ziet hoeveel voordelen de doop heeft, en sommigen denken dat de hemelse genade alleen bestaat uit de vergeving van zonden, maar we hebben tien eerbewijzen opgesomd! Om deze reden dopen wij zelfs kinderen, ook al zijn ze niet verontreinigd door [persoonlijke] zonden, zodat hun heiligheid, rechtvaardigheid, adoptie, erfenis, broederschap met Christus kan worden gegeven, en dat zij zijn [Christus’] leden kunnen zijn” ( Doopcatecheses in Augustinus, tegen Julianus 1:6:21 [388 n.Chr.]). Ambrosius, bisschop van Milaan
‘Tenzij een mens wedergeboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan.’ Er wordt niemand verwacht: niet het kind, niet degene die door noodzaak verhinderd wordt.”
Ambrosius, Abraham, 2,11:79 (387 n.Chr.), in JUR, 2:169
De Apostolische Constituties
Doop ook uw kinderen en voed ze op in de opvoeding en vermaning van God. Want Hij zegt: ‘Laat de kleine kinderen tot Mij komen en verbied ze niet.’
Apostolische Constituties (samengesteld ca. 390), 7.457
Concilie van Carthago V
Item : Het leek goed dat wanneer er geen betrouwbare getuigen werden gevonden die konden getuigen dat zij [in de steek gelaten kinderen] zonder enige twijfel waren gedoopt en wanneer de kinderen zelf, vanwege hun jonge leeftijd, niet in staat waren om te antwoorden over het geven van de sacramenten voor hen, al deze kinderen zouden zonder scrupules gedoopt moeten worden, opdat een aarzeling hen niet zou beroven van de reiniging van de sacramenten. Hierop werd aangedrongen door de [Noord-Afrikaanse] legaten, onze broeders, aangezien zij veel van zulke [in de steek gelaten kinderen] van de barbaren hebben verlost” (Canon 7 [401 n.Chr.]).
Jeronimus
Maar misschien denkt u dat, als zij niet gedoopt worden, de kinderen van christenen aansprakelijk zijn voor hun eigen zonden; en dat er geen schuld rust op ouders die degenen die vanwege hun jonge leeftijd geen bezwaar tegen de doop kunnen maken, van de doop onthouden. De waarheid is dat, aangezien de doop de verlossing van het kind verzekert, dit op zijn beurt voordeel oplevert voor de ouders.
Hieronymus, aan Laeta, Brief 107:6 (403 n.Chr.), in NPNF2, VI:191
Augustinus, bisschop van Hippo
‘Nu zij [Pelagianen] de noodzaak erkennen van het dopen van kinderen, – omdat zij niet in staat zijn in strijd te zijn met het gezag van de universele Kerk, dat zonder twijfel is doorgegeven door de Heer en Zijn apostelen – kunnen zij de verdere concessie niet vermijden, dat kinderen dezelfde voordelen van de Middelaar nodig hebben, zodat zij, gewassen door het sacrament en de naastenliefde van de gelovigen, en daardoor opgenomen in het lichaam van Christus, dat de Kerk is, met God verzoend kunnen worden en zo kunnen leven in Hem, en wees gered en verlost en verlost en verlicht. Maar wat anders, anders dan de dood, en de ondeugden, en de schuld, en de slavernij, en de duisternis van de zonde? En voor zover zij in de prille kinderjaren geen enkele zonde begaan door hun daadwerkelijke overtreding, blijft alleen de erfzonde over.”
Augustinus, Over vergeving van zonden en de doop, 39[26] (412 n.Chr.), in NPNF1,V:30
“De gezegende Cyprianus zei inderdaad, om degenen te corrigeren die dachten dat een kind niet vóór de achtste dag gedoopt mocht worden, dat het niet het lichaam was, maar de ziel die van het verderf gered moest worden – in welke verklaring hij dat ook deed. geen nieuwe doctrine uitvinden, maar het stevig gevestigde geloof van de Kerk in stand houden; en hij was, samen met enkele van zijn collega’s op het bisschoppelijk bureau, van mening dat een kind onmiddellijk na de geboorte op de juiste manier gedoopt mag worden”. Augustinus, Brief 166:8:23 (412 n.Chr.), in NPNF1, I:531
“Op dezelfde manier is iedereen die zegt dat de kinderen die dit leven verlaten zonder aan dat sacrament deel te nemen, levend gemaakt zullen worden in Christus, zeker in tegenspraak met de apostolische verklaring en veroordeelt hij de universele Kerk, waarin het de gewoonte is om geen tijd te verliezen en weg te rennen in haast om de doop aan kleine kinderen toe te dienen, omdat men als een onbetwistbare waarheid gelooft dat ze anders niet levend gemaakt kunnen worden in Christus.” Augustinus, brief 167,7,21 (415 n.Chr.), in NPNF1,I:530
Raad van Carthago
“Canon 2. Op dezelfde manier is besloten dat iedereen die zegt dat baby’s die net uit de baarmoeder van hun moeder komen, niet gedoopt mogen worden… laat hem vervloekt zijn.”
Concilie van Carthago, Canon 2, (418 n.Chr.), in Denzinger 101
Cyrillus van Alexandrië
“Gelooft u dit?…wanneer een pasgeboren kind naar voren wordt gebracht om de zalving van inwijding te ontvangen, of beter gezegd van voltooiing door de heilige doop.”
Cyrillus van Alexandrië, Commentaar op Johannes,7 (428 n.Chr.), in JER,95
De Enchiridion (6e eeuw)
Want van het pasgeboren kind tot de oude man die door de jaren gebogen is: zoals er niemand is uitgesloten van de doop, zo is er ook niemand die bij de doop niet aan de zonde sterft.
Enchiridion; ch. 43)
———————————————-
