
‘Domheid is een gevaarlijkere vijand van het goede dan kwaadaardigheid. Men kan protesteren tegen het kwaad; het kan aan het licht worden gebracht en, indien nodig, worden voorkomen door gebruik van geweld. Het kwaad draagt altijd de kiem van zijn eigen ondermijning in zich, doordat het bij de mens op zijn minst een gevoel van onbehagen achterlaat. Tegen domheid zijn wij weerloos. Noch protesten, noch het gebruik van geweld bereiken hier iets; redenen zijn aan dovemansoren gericht; feiten die iemands vooroordeel tegenspreken, hoeven eenvoudigweg niet geloofd te worden – op zulke momenten wordt de domme persoon zelfs kritisch – en wanneer feiten onweerlegbaar zijn, worden ze gewoon terzijde geschoven als onbelangrijk, als incidenteel. Bij dit alles is de domme persoon, in tegenstelling tot de kwaadwillende, volkomen zelfvoldaan en, omdat hij snel geïrriteerd raakt, wordt hij gevaarlijk door in de aanval te gaan. Om die reden, Er is grotere voorzichtigheid geboden bij de omgang met een dom persoon dan bij een kwaadwillige. Nooit meer zullen we proberen de domme persoon met redenen te overtuigen, want het is zinloos en gevaarlijk.”
– Dietrich Bonhoeffer, Brieven en papieren uit de gevangenis
