
De kloosterregel van St Augustinus – Grote Westerse Kerkvader en beoefend door vele kloostergemeenschappen in het Westen.
Met Commentaar van Prof Jan van Bavel osa+
De Regel van Augustinus met commentaar door prof.Jan van Bavel osa +
Hoofdstuk I
1.U die een kloostergemeenschap vormt, dragen wij op het volgende na te leven.
2. Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen (Ps. 68/67,7), n van ziel en n van hart (Hand. 4,32) op weg naar God. Want is dat juist niet de reden waarom u samen bent gaan leven?
3. Bij u mag er geen sprake zijn van persoonlijk eigendom. Zorg er integendeel voor dat alles onder u gemeenschappelijk is. Uw overste moet ieder van voedsel en kleding voorzien. Niet dat hij iedereen evenveel moet geven, want u bent niet allen even sterk, maar aan elke persooon moet gegeven worden wat hij persoonlijk nodig heeft. Zo leest u immers in de Handelingen van de Apostelen: “Zij bezaten alles gemeenschappelijk en ieder kreeg wat hij nodig had” (Hand. 4,32 en 35).
4. Zij die in de wereld iets bezaten, moeten er prijs op stellen dat dit, bij hun intrede in het klooster, van de gemeenschap wordt.
5. Maar zij die niets bezaten, moeten in het klooster niet gaan streven naar dat wat zij daarbuiten niet konden bereiken. Wel moet men hun zwakheid tegemoet komen door hun alles te verschaffen wat zij nodig hebben, ook al waren zij vroeger zo arm dat zij niet eens over het allernoodzakelijkste konden beschikken. Zij mogen zich echter niet gelukkig prijzen om het feit dat zij nu voedsel en kleding vinden, die tevoren buiten hun bereik lagen.
6. Zij mogen er evenmin groot op gaan dat zij nu omgang hebben met mensen die zij vroeger niet durfden benaderen, maar hun hart moet naar het hogere zoeken en niet naar aardse schijn. Als in de kloosters rijke mensen nederig en arme mensen verwaand worden, dan zouden de kloosters alleen maar van nut blijken voor rijke mensen, maar niet voor arme.
7. Van de andere kant mogen zij die in de wereld iets schenen te betekenen, niet uit de hoogte neerzien op hun broeders die vanuit een armoedig bestaan tot deze religieuze gemeenschap zijn toegetreden. Zij moeten ervoor zorgen veeleer trots te gaan op het samenleven met arme broeders dan op de maatschappelijke rang van hun rijke ouders. Ook mogen zij geen hoge dunk van zichzelf hebben omdat zij een deel van hun vermogen ter beschikking van de gemeenschap gesteld hebben. Anders zou de nietige mens nog meer ten prooi vallen aan hoogmoed door de gemeenschap in zijn rijkdom te laten delen dan door er zelf in de wereld van te genieten. Want terwijl iedere ondeugd tot uiting komt in het stellen van slechte daden, bedreigt de hoogmoed bovendien zelfs goede daden om deze te vernietigen. En wat voor zin heeft het zijn eigen bezit aan de armen uit te delen en zelf arm te worden, wanneer afstand doen van rijkdom iemand hoogmoediger zou maken dan het bezitten van een fortuin?
8. Leef dus allen n van ziel en n van hart (Hand. 4,32) samen en eer in elkaar God, want ieder van u is zijn tempel geworden (2 Kor. 6,16).
Hoofdstuk II
1. Volhard trouw in het gebed (Kol. 4,2) op de vastgestelde uren en tijden.
2. De gebedsruimte mag nergens anders voor gebruikt worden dan waarvoor zij bestemd is, want zij draagt die naam niet voor niets. Dan kan ieder die misschien ook buiten de vastgestelde uren wil bidden, er in zijn vrije tijd terecht zonder gestoord te worden door iemand die daar eigenlijk niets te maken heeft.
3. Wanneer u in psalmen en liederen tot God bidt, moeten de woorden die u uitspreekt ook in uw hart leven.
4. Houd u bij het zingen aan de tekst en zing niet wat niet bestemd is om gezongen te worden.
Hoofdstuk III
1. Bedwing uw lichaam door vasten en onthouding van eten en drinken voorzover uw gezondheid het toelaat. Wie niet zonder voedsel kan tot de hoofdmaaltijd, die tegen de avond plaats heeft, mag tevoren iets gebruiken, maar alleen rond het middaguur. Maar zieken mogen altijd iets gebruiken.
2. Luister van het begin tot het einde van de maaltijd naar de gebruikelijke lezing zonder lawaai te maken of te protesteren tegen de heilige Schrift. Want u moet niet alleen uw gewone honger stillen, maar ook hongeren naar het woord van God (Amos 8,11).
3. Sommigen zijn zwakker ten gevolge van een andere opvoeding. Als er voor hen aan tafel een uitzondering wordt gemaakt, behoren de overigen die vanwege een andere levenswijze sterker zijn, dat niet kwalijk te nemen of onrechtvaardig te vinden. Zij moeten niet denken dat de anderen gelukkiger zijn, omdat die beter voedsel krijgen dan zijzelf. Zij moeten er eerder blij om zijn dat zij tot iets in staat zijn wat de anderen niet aankunnen.
4. Sommigen waren voor hun intrede een comfortabel leven gewend en ontvangen daarom wat meer voedsel of kleren, een beter bed of meer dekens. De anderen die sterker en daarom gelukkiger zijn, krijgen dat niet. Maar besef dan wel hoeveel die medebroeders nu moeten missen vergeleken bij hun vroegere levensomstandigheden, ook al kunnen zij niet dezelfde soberheid opbrengen als zij die lichamelijk sterker zijn. Niet iedereen moet willen hebben wat hij een ander meer ziet krijgen. Dat gebeurt immers niet om iemand voor te trekken, maar alleen om hem te ontzien. Anders zou in het klooster de verwerpelijke wantoestand ontstaan dat de armen een gemakkelijk leventje gaan leiden, terwijl de rijken zich alle mogelijke inspanningen getroosten.
5. Zieken moeten vanzelfsprekend aangepast voedsel krijgen; anders zou men de ziekte verergeren. Wanneer zij beter zijn, moeten zij goed verzorgd worden zodat ze zo vlug mogelijk herstellen, ook al behoorden zij vroeger tot de armste klasse van de maatschappij. Tijdens de herstelperiode behoren zij hetzelfde ontvangen als wat de rijken toegestaan wordt vanwege hun vroegere levenswijze. Maar als zij weer op krachten gekomen zijn, moeten ze opnieuw gaan leven zoals vroeger, toen ze gelukkiger waren omdat ze minder nodig hadden. Hoe soberder een levenswijze, hoe beter zij past bij dienaren van God.
Als een zieke genezen is, moet hij ervoor oppassen niet de slaaf te worden van eigen genoegens; hij moet weer afstand kunnen doen van de voorrechten die zijn ziekte meebracht. Zij die het gemakkelijkst sober kunnen leven, zullen zich de rijkste mensen achten. Want weinig nodig hebben is beter dan veel bezitten.
Hoofdstuk IV
1. Ga niet opvallend gekleed. Probeer niet door uw kleding in de smaak te vallen, maar door uw levenshouding.
2. Als u uitgaat, ga dan niet alleen en blijf bijeen als u op de plaats van bestemming bent gekomen.
3. Uw gaan en staan, heel uw gedrag mag niemand aanstoot geven, maar moet in overeenstemming zijn met een heilige levenswijze.
4. Wanneer u een vrouw ziet, blijf haar niet uitdagend aankijken. Natuurlijk kan niemand u verbieden vrouwen te zien, maar wel is het verkeerd een begeerte naar een vrouw te koesteren of te willen dat zij u begeert (vgl. Mat. 5,28). Want niet alleen een gebaar van genegenheid, ook de ogen wekken in man en vrouw de begeerte naar elkaar.
Zeg dus niet dat uw innerlijke houding goed is, als uw ogen begeren haar te bezitten, want het oog is de bode van het hart. En als men elkaar verkeerde bedoelingen laat blijken, ook zonder woorden, alleen maar door naar elkaar te kijken, en men genot vindt in elkaars hartstocht, al is het niet in elkaars armen, dan is er van echte reinheid, namelijk die van het hart, al geen sprake meer.
5. Trouwens wie zijn ogen niet van een vrouw af kan houden en graag haar aandacht trekt, moet niet denken dat anderen dit niet zien. Natuurlijk zien zij het; zelfs mensen van wie je het niet verwacht, merken het. Maar al blijft het verborgen en ziet geen mens het, wat dan te beginnen met God die het hart van iedere mens kent (Spr. 24,12) en voor wie niets verborgen is? Of moet men denken: God ziet het niet (Ps. 94/93,7), omdat Hij naarmate zijn wijsheid die van mensen te boven gaat, ook meer geduld tegenover de mens aan de dag legt? Een religieus moet bang zijn God in zijn liefde te krenken (Spr. 24,18). Omwille van deze liefde moet hij bereid zijn een zondige liefde tot een vrouw op te geven. Wie bedenkt dat God alles ziet, zal geen vrouw met zondige gevoelens willen aankijken. Want het woord van de Schrift “De Heer verafschuwt een begerig oog” (Spr. 27,20) drukt ons juist op dit punt ontzag voor Hem op het hart.
6. Weet u daarom verantwoordelijk voor elkaars zuiverheid, als u in de kerk samen bent of overal elders waar u in het gezelschap van vrouwen bent. Dan zal God die in u woont (2 Kor. 6,16), door uw verantwoordelijkheid voor elkaar over u waken.
7. Als u deze uitdagende blik waarover ik spreek bij een medebroeder opmerkt, waarschuw hem dan terstond, opdat het begonnen kwaad niet erger wordt, maar hij zijn gedrag zo snel mogelijk betert.
8. Ziet men hem na zo’n waarschuwing, of wanneer dan ook, toch weer hetzelfde doen, dan moet ieder die dat merkt hem beschouwen als een zieke die een behandeling nodig heeft. Het staat dan niemand meer vrij te zwijgen. Maar eerst moet u n of twee andere personen op de hoogte brengen om hem met twee of drie van zijn fout te kunnen overtuigen (Mat. 18,15-17) en met gepaste gestrengheid tot de orde te roepen. U mag niet denken dat u handelt uit kwaadwilligheid door dit te doen. Integendeel, u laadt schuld op uzelf als u door te zwijgen uw broeders hun ondergang tegemoet laat gaan, terwijl u hen op de goede weg zou kunnen brengen door te spreken. Stel bijvoorbeeld dat uw broeder een lichamelijke wonde had en die uit vrees voor een medische behandeling verborgen wilde houden; zou het dan niet harteloos zijn erover te zwijgen? En zou het daarentegen niet van medeleven getuigen dit bekend te maken? Hoeveel groter is dan niet uw plicht iemands toestand bekend te maken wanneer u daarmee kunt beletten dat het kwaad het hart van uw broeder verder aantast, wat veel erger is.
9. Wil hij niet luisteren naar uw waarschuwing, dan moet men eerst de overste erbij betrekken voor een gesprek onder vier ogen, om zo de anderen er buiten te houden. Luistert hij dan nog niet, dan mag u er anderen bijhalen om hem van zijn fout te overtuigen. Want als hij blijft ontkennen, dan moet men er buiten zijn weten anderen bij betrekken om hem in tegenwoordigheid van allen met meerdere personen op zijn fouten te kunnen wijzen (1 Tim. 5,20), omdat twee of drie personen eerder iemand kunnen overtuigen dan n persoon.
Is zijn schuld eenmaal bewezen, dan moet de overste of de priester onder wiens gezag het klooster valt, oordelen welke straf hij moet ondergaan ter verbetering. Wanneer hij weigert zich daaraan te onderwerpen, moet hij uit uw gemeenschap weggestuurd worden, ook wannneer hijzelf niet heen wil gaan. Ook dit gebeurt niet uit harteloosheid, maar uit liefde, want daardoor voorkomt men dat hij anderen door zijn slechte invloed te gronde richt.
10. Wat ik gezegd heb over het begerig kijken naar vrouwen, geldt ook voor alle andere zonden. Dezelfde gedragslijn moet u nauwgezet en trouw volgen bij het ontdekken, het verhinderen, het aan het licht brengen, het bewijzen en het bestraffen van andere fouten; wel met liefde voor de mensen, maar met afkeer van hun fouten.
11. Bekent iemand spontaan dat hij zover op het verkeerde pad is geraakt, dat hij in het geheim van een vrouw brieven ontvangt of geschenken aanneemt, dan moet men hem sparen en voor hem bidden. Maar wordt hij betrapt en schuldig bevonden, dan moet hij ernstig bestraft worden naar het oordeel van de priester of de overste.
Hoofdstuk V
1. Uw kleren moeten door n of meerdere personen gemeenschappelijk beheerd worden. Zij zullen ervoor zorgen ze te luchten en motvrij te houden. Zoals uw eten uit n keuken komt, zo moeten uw kleren uit n linnenkamer komen.
En als dat mogelijk is, moet het u eigenlijk weinig kunnen schelen welke zomer- of winterkleding u krijgt. Het maakt toch niets uit of u hetzelfde terugkrijgt als u afgegeven hebt of iets anders dat door een ander gedragen is. Als iedereen maar krijgt wat hij nodig heeft (Hand. 4,35). Wanneer dit jaloersheid en ontevredenheid wekt, of wanneer iemand gaat klagen iets gekregen te hebben dat minder goed is dan hij eerst had, en het beneden zijn stand acht kleren te dragen die een ander gedragen heeft, is dat dan geen les voor u? Als u om uw uiterlijk onenigheid krijgt, is dat geen bewijs dat er innerlijk nog heel wat ontbreekt aan de houding van uw hart? Maar ook wanneer u dit niet kunt opbrengen en men ontziet u op dit punt door uw eigen kleren terug te bezorgen, bewaar ze dan nog op n plaats, waar anderen er zorg voor dragen.
2. De bedoeling van dit alles is: dat niemand in zijn werk eigen voordeel zoekt. Alles moet gebeuren in dienst van de gemeenschap en met meer ijver en meer geestdrift dan wanneer ieder voor zichzelf en zijn eigen belang zou werken. Want over de liefde staat geschreven dat zij niet het eigen belang zoekt (1 Kor. 13,5), dat wil zeggen dat zij het gemeenschappelijke boven het eigen belang stelt en niet omgekeerd. Het feit dat u meer zorg aan de dag legt voor het belang van de gemeenschap dan voor uw eigen belang, is daarom een criterium voor uw vooruitgang. Zo zal zich in alles wat de voorbijgaande nood van de mens betreft, iets blijvends en verhevens openbaren, namelijk de liefde (1 Kor. 12,31 en 13,8 en 13. Ef. 3,19).
3. Hieruit volgt tevens dat een kloosterling die van zijn ouders of familieleden kleren of andere nuttige dingen krijgt, deze niet stiekem voor zichzelf mag houden. Hij moet ze ter beschikking van de overste stellen. Eenmaal gemeenschappelijk bezit geworden, moet de overste deze zaken geven aan wie ze nodig heeft (Hand. 4,35).
4. Als u uw kleren wilt wassen of laten wassen in een wasserij, zal dit gebeuren in overleg met de overste om te voorkomen dat een overdreven verlangen naar schone kleren uw karakter ontsiert.
5. Publieke baden mogen om gezondheidsredenen nooit geweigerd worden. Volg in deze zonder tegenspraak het medisch advies van de dokter. En al zou iemand het niet willen, dan moet hij het toch doen, desnoods op bevel van de overste, omdat het nodig is voor zijn gezondheid. Maar wil iemand gaan baden alleen omdat hij het fijn vindt, terwijl het echt niet nodig is, dan moet hij van eigen wensen afstand kunnen doen. Want wat prettig is, is nog niet altijd goed. Wat prettig is, kan ook schadelijk zijn.
6. Hoe het ook zij, als een medebroeder zegt dat hij zich niet goed voelt, ook al manifesteert de ziekte zich nog niet, geloof hem dan zonder meer. Maar als u er niet zeker van bent of de verzorging die iemand wil hebben, iets zal uithalen, roep er dan een dokter bij.
7. Zorg dat u altijd met twee of meer bent om naar een publieke badinrichting te gaan. Dat geldt trouwens ook als u ergens anders heen moet. En kies dan niet zelf de personen uit die met u mee zullen gaan, maar laat de overste beslissen wie met u mee zal gaan.
8. De gemeenschap zal iemand aanwijzen om voor de zieken te zorgen. Deze persoon moet tevens zorgen voor hen die aan de beterende hand zijn en voor hen die zwak zijn, ook al hebben zij geen koorts. De ziekenverzorger kan voor hen uit de keuken halen wat hijzelf nodig oordeelt.
9. Wie de zorg heeft voor voedsel, kleren of boeken moet zonder mopperen zijn medebroeders van dienst zijn.
10. De boeken kunt u dagelijks op een vastgestelde tijd gaan halen; buiten die tijd zijn ze niet beschikbaar.
11. Wie daarentegen verantwoordelijk is voor kleren en schoenen, mag niet uitstellen ze te geven aan hen die ze nodig hebben.
Hoofdstuk VI
1. Maak geen ruzie, maar als u ruzie hebt, maak er dan zo spoedig mogelijk een eind aan. Anders groeit een klein moment van woede uit tot haat, wordt een splinter een balk (Mat. 7,3-5) en maakt u van uw hart een moordkuil. Want er staat geschreven: “Ieder die zijn broeder haat is een moordenaar” (1 Joh. 3,15).
2. Als u iemand gekwetst hebt door hem uit te schelden, te verwensen of grof te beschuldigen, denk er dan aan het kwaad dat u aangericht hebt zo vlug mogelijk te herstellen door uw verontschuldigingen aan te bieden. En de ander die gekwetst werd moet op zijn beurt aan u vergiffenis schenken zonder er veel woorden aan vuil te maken. Als twee medebroeders elkaar beledigd hebben, moeten zij elkaar hun schuld vergeven (Mat. 6,12). Anders wordt uw bidden van het Onzevader een leugen. Trouwens hoe meer u bidt, hoe eerlijker uw gebed behoort te zijn.
Men kan beter te doen hebben met iemand die vlug kwaad wordt, maar het meteen weer goed maakt, zodra hij beseft dat hij een ander onrecht heeft aangedaan, dan met iemand die minder opvliegend is, maar er moeilijk toe overgaat zijn verontschuldigingen aan te bieden. Wie echter nooit vergiffenis wil vragen, of het niet van harte doet (Mat. 18,35), hoort niet thuis in een klooster, ook al wordt hij niet weggezonden.
Pas dus op voor harde woorden. Als ze u toch ontvallen zijn, wees dan niet bang het genezende woord te spreken met dezelfde mond die de wonde toebracht.
3. Het kan echter gebeuren dat de noodzakelijke zorg voor de goede gang van zaken iemand van u dwingt harde woorden te gebruiken tegenover minderjarigen om hen tot de orde te roepen. In dat geval wordt van u niet verlangd dat u hen daarvoor vergiffenis vraagt, ook al hebt uzelf het gevoel dat u daarin te ver bent gegaan. Want als u zich tegenover deze jongeren door overdreven nederigheid te onderdanig gaat gedragen, doet dit afbreuk aan het gezag dat hen leiding moet geven en waaraan zij zich moeten onderwerpen. In zulke omstandigheden moet u wel vergiffenis vragen aan de Heer van allen die weet hoeveel u van uw medebroeders houdt, ook van hen die u misschien te streng hebt aangepakt. Uw liefde voor elkaar mag niet in eigenliefde blijven steken, maar moet geleid worden door de Geest.
Hoofdstuk VII
1. Gehoorzaam aan uw overste (Hebr. 13,17) als aan een vader, maar ook met de achting die u hem verschuldigd bent omwille van zijn taak, anders misdoet u tegen God in hem. Dat geldt nog meer voor de priester die voor u allen zorg draagt.
2. Het komt in de eerste plaats de overste toe ervoor te zorgen dat men alles wat hier gezegd is, ook naleeft en dat men overtredingen niet achteloos voorbijgaat. Het is zijn taak op fouten te wijzen en ze te verbeteren. Wat zijn bevoegdheid of kracht te boven gaat, zal hij voorleggen aan de priester, wiens gezag in bepaalde opzichten groter is dan het zijne.
3. Wie een overheidsfunctie heeft moet zijn geluk niet zoeken in de macht waarmee hij kan domineren (Luc. 22,25-26), maar in de liefde waarmee hij dienstbaar kan zijn (Gal. 5,13). Door uw achting zal hij uw meerdere zijn; door zijn verantwoordelijkheid tegenover God zal hij zich de minste van allen weten. Voor allen moet hij een voorbeeld zijn in goede werken (Tit. 2,7); hij zal hen die hun werk verwaarlozen terechtwijzen, de moedelozen moed geven, de zwakken steunen, en met allen geduld hebben (1 Tess. 5,14). Hij moet zelf de richtlijnen van de gemeenschap in ere houden en er eerbied voor vragen bij anderen. Hij moet er meer op uit zijn door u bemind dan gevreesd te worden, hoewel liefde en ontzag tegelijk noodzakelijk zijn. Steeds moet hij bedenken dat hij voor u verantwoordelijk is tegenover God (Hebr. 13,17).
j4. Door liefdevol te gehoorzamen bewijst u niet alleen medelijden te hebben met uzelf (Sir. 30,23/24), maar ook met uw overste. Want ook voor uw gemeenschap geldt: hoe hoger men geplaatst is, hoe meer gevaar men loopt.
Hoofdstuk VIII
1. De Heer geve dat u, gegrepen door het verlangen naar geestelijke schoonheid (Sir. 44,6), dit alles met liefde onderhoudt. Leef zo dat u door uw leven de levenwekkende goede geur van Christus verspreidt (2 Kor. 2,15-16). Ga niet als slaven gebukt onder de wet, maar leef als vrije mensen onder de genade (vgl. Rom. 6,14-22).
2. Eens in de week moet dit boekje voorgelezen worden. Het is als een spiegel: u kunt erin zien of u niets verwaarloost of vergeet (Jak. 1,23-25). En als u vindt dat u beantwoordt aan wat erin staat, dank dan de Heer, de gever van alle goed. Bemerkt iemand echter dat hij in gebreke gebleven is, dan moet hij betreuren wat voorbij is en op zijn hoede zijn voor de toekomst. Hij moet bidden: “Vergeef mijn schuld en leid mij niet in bekoring” (Mat. 6,12-13).
TOELICHTING BIJ DE REGEL VAN AUGUSTINUS (T. J. Van Bavel)
I. Historische situering | II. Invloed | III. Voortleven | IV. Karakter van de Regel | V. Structuur.
Augustinus (354-430) is bekend als een onrustige zoeker naar de waarheid, als bekeerling, als bisschop en als geleerde. Hij is veel minder bekend als monnik. Toch kan men zijn persoonlijkheid slechts ten volle begrijpen wanneer men voor ogen houdt dat hij na zijn bekering niets anders wilde zijn dan “dienaar van God”. In de termen van die tijd betekende dit dat hij “monnik” wilde zijn. Hij heeft als monnik in een gemeenschap geleefd, ook toen hij priester was en later zelfs als bisschop. Maar er is meer. Hij heeft een meer dan gewone invloed uitgeoefend op het latere christelijke ideaal van het religieuze leven door het schrijven van de oudste nog bewaard gebleven kloosterregel van het Westen omstreeks 397 (De bekende regel van Benedictus van Nurcia dateert van ruim 100 jaar later). Daardoor heeft hij een zeer grote betekenis gehad voor de ontwikkeling van het latere Westerse religieuze leven.
Het kloosterleven is in het Oosten begonnen omstreeks het jaar 270. Toen Augustinus in 354 geboren werd, bestond het dus ongeveer 80 jaar. In die tijd lag de nadruk helemaal niet op persoonlijk auteurschap. Het kloosterleven was veeleer een beweging binnen de christelijke levenswijze. Verscheidene religieuze stromingen vloeiden samen in één grote traditie. Deze traditie van de Vaders werd in haar geheel aan de belangstellende gelovigen als inspiratiebron aangeboden. Pas tussen de 9de en 11de eeuw verscheen de “Regula” van Augustinus als exclusieve leefregel voor één bepaalde groep.
Houden we rekening met het feit dat vele verschillende Regels samen werden overgeleverd, dan zal het ons niet verwonderen dat in de loop van de eeuwen meerdere kloosterregels de naam van Augustinus hebben gedragen. Het gaat daarbij vooral om 3 vormen: een “Regel voor mannen” (Praeceptum), een “Regel voor vrouwen” (Regularis informatio) en een “Dagorde voor een klooster” (Ordo monasterii). Deze zijn in niet minder dan negen verschillende vormen overgeleverd.
Terwijl de “Dagorde” volgens mij van oosterse oorsprong is, oordeel ik dat wij op stevige interne gronden (externe zijn er helaas niet) mogen stellen dat zowel de “Regel” voor vrouwen als die voor mannen aan Augustinus toe te schrijven zijn. In elk geval kan niemand ontkennen dat hun inhoud sterk gekleurd is door de theologie en de spiritualiteit van Augustinus. Vooral Luc Verheijen o.s.a. heeft op dit gebied baanbrekend werk verricht. Na jarenlang onderzoek heeft hij ons een kritische Latijnse tekst van de Regel van Augustinus bezorgd in zijn tweedelig monumentaal werk: La Règle de saint Augustin, Parijs, 1967. Het is op die tekst dat de hedendaagse Nederlandse vertaling is gebaseerd.
I. Historische situering
Augustinus heeft zijn Regel (Regula) waarschijnlijk geschreven rond het jaar 397, ongeveer 10 jaar nadat hij door Ambrosius in Milaan was gedoopt. Toen reeds had hij een periode van ervaring met het religieuze leven achter de rug. Zijn eerste ervaring met religieus groepsleven begonnen al in 388 in Thagaste, hoewel dat nog geen kloosterleven was in de volle zin van het woord. Toen Augustinus echter 3 jaar later, in 391, door het volk van Hippo werd opgeëist om priester te zijn, stichtte hij in die Noord-Afrikaanse stad een klooster voor lekenbroeders. In 395-396 werd hij bisschop van Hippo gewijd en richtte hij daar in zijn bisschopswoning een klooster voor clerici op.
De Regel (Regula) die Augustinus’ naam draagt richt zich duidelijk tot een gemeenschap van lekenbroeders, en niet van clerici. In zo’n gemeenschap was er wel een priester aanwezig die het sacramenteel leven van de broeders verzorgde. Die priester wordt in de Regel ook tweemaal uitdrukkelijk vermeld. Toch is die Regel klaarblijkelijk niet voor clerici geschreven, maar naar alle waarschijnlijkheid voor de lekenbroeders met wie Augustinus tot aan zijn bisschopswijding had samengeleefd. Nu hij als kersverse bisschop niet meer persoonlijk met hen samenleefde, deelde hij hen toch zijn visie en inspiratie mee. Die zijn wel persoonlijk gekleurd, maar bevatten ook elementen uit de traditie.
Historisch gezien moeten we zeggen dat de Regel van Augustinus nog uit de beginperiode van het religieuze leven stamt; op dit ogenblik is hij immers 16 eeuwen oud. Zoals men weet kan de Egyptische woestijn beschouwd worden als de wieg van de beweging die wij later met de algemene naam “het religieuze leven” aangeduid hebben. De oudste “Voorschriften” voor monniken-gemeenschappen werden in Tabennesi (in het zuidelijke deel van Boven-Egypte) opgesteld door Pachomius (ca. 292 – ca. 346/7). Zijn opvolger Horsiesius (ca. 300 – ca. 388) heeft eveneens een belangrijk monastiek testament nagelaten, namelijk “Het Boek van onze vader Horsiesius”. Vervolgens krijgen we de “Grote en Kleine Regels” van de bisschop van Caesarea, Basilius (ca. 330-379). Vanaf 370 ongeveer verschijnt de monastieke levensvorm ook in het Westen. Dan zal het slechts een goede 30 jaar duren tot de eerste westerse kloosterregel, namelijk die van Augustinus, het licht ziet. Benedictus van Nursia (ca. 480 – ca. 547) zal ruim een eeuw later zijn bekende Regel schrijven, daarbij puttend zowel uit de Oosterse als uit de Westerse traditie.
II. Invloed
De invloed van de Regel van Augustinus blijkt uit het feit dat er maar liefst 14 handschriften van vóór het jaar 1000 bewaard gebleven zijn, waarvan het oudste dateert uit de 6de eeuw. Die invloed laat zich ook aflezen uit het gebruik dat schrijvers in Gallië, Spanje en Italië, in de 2 eeuwen volgend op Augustinus’ dood, van de Regel van Augustinus gemaakt hebben. Bij het samenstellen van richtlijnen voor mannelijke of vrouwelijke religieuzen in hun omgeving halen zij bepaalde gedeelten uit de Regel van Augustinus aan. De bekendsten onder hen zijn: Fulgentius van Ruspe (462/8-527/33), Caesarius van Arles (ca. 470-542), Leander van Sevilla (ca. 545-600/1), Isidorus van Sevilla (ca. 560-636), de schrijver van de ‘Regel van de Magister’ en Benedictus van Nursia.
De Regel van Augustinus werd dus overgeschreven en raakte aldus wijd verspreid. Dit bewijst alleszins dat er mensen waren die leefden van de inspiratie die de Regel bood. Maar we mogen ons dit niet te eenzijdig voorstellen. Vóór het jaar 1000 werd de Regel van Augustinus altijd samen met andere Regels en monastieke documenten overgeleverd. Zo vloeiden verschillende religieuze stromingen samen in één grote traditie. Deze ‘traditie van de Vaders’ werd als één geheel aan de toenmalige kloosterlingen als inspiratiebron aangeboden. Slechts tussen de 9de en de 11de eeuw verschijnt de Regel van Augustinus als de alleen geldende leefregel voor één bepaalde groepering van kloosterlingen. Juist die eeuwen vormen de periode waarin een hervorming van het monastieke leven en van de diocesane clerus werd doorgevoerd. In die hervorming speelde de Regel van Augustinus een belangrijke rol en werd hij door verschillende groepen aangenomen als alleengeldende leefregel.
III. Voortleven
Vanaf de 11de eeuw neemt de verspreiding van de Regel van Augustinus een hoge vlucht. Het is onbegonnen werk om deze verspreiding vanaf de vroege middeleeuwen tot nu toe te beschrijven. Wij kunnen slechts een greep doen. De Regel van Augustinus werd de Regel van de Reguliere Kanunniken, de Reguliere Kanunniken van St.-Augustinus (Koorheren), de Premonstratensen (Norbertijnen), de Kruisheren, verschillende Ridderorden, de Trinitariërs, de Mercedariërs, de Dominicanen, de Augustijnen Eremieten, de Augustijnen Recolletten, de Servieten, de Alexianen, de Barmhartige Broeders van Johannes de Deo en deze van Trier, de Piaristen en de Assumptionisten.
Ook talrijke uitgesproken vrouwelijke stichtingen gingen leven volgens de Regel van Augustinus: de Birgittinessen, de Annunciaten van Lombardije, de Kanunnikessen van het H. Graf, de Augustinessen van Meaux, de Ursulinen, de Kanunnikessen van St.-Augustinus, de Visitandinen van Franciscus van Sales, de Orde van Onze-Lieve-Vrouw van Toevlucht en de Zusters van de Goede Herder gesticht door Jean Eudes, de Dames van Saint-Thomas de Villeneuve, de Zusters van de H. Monica, de Rita-Zusters, enz. Vooral veel congregaties die zich wijden aan verpleging en ziekenzorg, zoals Zwartzusters en Gasthuiszusters, hebben de Regel van Augustinus gekozen als inspratiebron voor hun gemeenschappen. Deze opsomming is uiteraard erg onvolledig, aangezien enkele honderdtallen Orden en Congregaties de Regel van Augustinus volgen. In de loop der tijden zijn er daarvan verschillende uitgestorven, maar hun aantal is nog zo groot dat een totaal overzicht nergens voorhanden is.
IV. Karakter van de Regel
De Regel geeft duidelijk de indruk een samenvatting te zijn van mondelinge conferenties die Augustinus voor zijn monniken hield. Hij is een soort beginselverklaring. De ideeën zijn er niet uitgewerkt, maar op een erg bondige manier weergegeven. Zij worden als bekend verondersteld. Daarom moet men al vertrouwd zijn met Augustinus’ andere werken om tot de diepere betekenis van de korte zinnen van de Regel door te dringen. De parallelteksten uit de andere werken moeten het geheel van de Regel verhelderen en doorzichtig maken. Voor Augustinus’ volgelingen is de Regel ongetwijfeld een samenvatting geweest om het geheugen op te frissen.
De Regel van Augustinus beslaat weinig bladzijden en heeft vooral de bedoeling enkele gedachten aan te bieden die inspirerend kunnen werken. Deze gedachten steunen vooral op de H. Schrift. In de korte tekst van de Regel zijn minstens 35 verwijzingen naar de Schrift aanwezig, 8 naar het Oude Testament en 27 naar het Nieuwe Testament. De tekst van de Regel is daarom een treffend voorbeeld van bijbelse stijl. Zelfs de meest eenvoudige zinnen zijn doorweven met bijbelse ideeën, die de grondinspiratie dragen. In deze verwijzingen naar de H. Schrift treedt ook Augustinus’ eigen visie en spiritualiteit aan het licht, want de bijbelse gedachten waar hij de nadruk op legt, zijn voor hem de dierbare bronnen waaruit hijzelf leefde. Juist deze bijbelse en evangelische grondslag vormt de blijvende structuur van de Regel, die de waarde ervan blijft verzekeren door de wisselende tijden en culturen heen.
De grondideeën van de Regel zijn opgebouwd rond het ideaal van de eerste gemeente van Jeruzalem (Hand. 4, 31-35). Daardoor komen liefde en gemeenschap centraal te staan: een goed gemeenschapsleven is niets anders dan het in praktijk brengen van de liefde. Het valt onmiddellijk op hoe weinig concrete voorschriften of detailwetten in de Regel gegeven worden. Het gaat nergens om uiterlijke bijkomstigheden, maar om de kern van de dingen en het hart van de mens. Vandaar de weg van de verinnerlijking die in de Regel niet minder dan 7 keer aan bod komt: van bidden met de mond naar bidden met het hart; van lichamelijke honger naar geestelijk hongeren naar het woord van God; van niet willen behagen door kleding naar behagen door een innerlijke levenshouding; van uiterlijk zien naar innerlijk begeren; van een lichamelijke wonde naar een wonde in het hart; van uiterlijk voorkomen naar goedheid van karakter; van vergeving schenken met woorden naar van harte vergeven.
Het uiterlijke wordt niet onderschat, maar volstaat niet: het uiterlijke moet een teken zijn van het innerlijke. Het uiterlijke mag niet leeg blijven, maar moet bezield zijn. Innerlijkheid is voor Augustinus echter iets anders dan introspectie. Bij die laatste is het eigen ik het enige voorwerp van onze bezorgdheid. Terwijl introspectie dus narcistisch van aard is, heeft innerlijkheid een tweevoudig doel: ons echte ik, met zijn beperktheden en zijn goede kanten, ontdekken én God ontdekken als de Ander in wie wij alle anderen ontmoeten.
Een ander kenmerk dat hiermee samenhangt, is dat Augustinus zo goed als geen nadruk legt op het “ascetisme” waaraan het toenmalige monastieke leven zoveel waarde hechtte. Ascetisme is de beoefening van ascese in uitwendige lichamelijke vormen, zoals het zich ontzeggen van voedsel en drank, allerhande vormen van zelfkastijding, enz. Natuurlijk legde Augustinus zich ook beperkingen op, maar de klemtoon lag toch op het leven in gemeenschap. Voor Augustinus brengt een goed gemeenschapsleven voldoende ascese met zich mee. Goed uitgebalanceerde relaties binnen de gemeenschap zijn een voortdurende overwinning op de zelfzucht. Augustinus is voorstander van een sobere levensstijl, maar die is geen doel op zich. Soberheid staat ten dienste van twee doeleinden: het scheppen van juiste en rechtvaardige relaties in de gemeenschap en het bestrijden van de onrechtvaardigheid in de wereld. Daarom vraagt de Regel ons alle aandacht te laten uitgaan naar de onderlinge liefderelaties.
Augustinus en zijn voorgangers Pachomius en Basilius stellen het gemeenschapsleven centraal omdat zij in de gerichtheid op het eigen ik en in het individualisme de grootste hindernissen zagen voor de verwezenlijking van het evangelie. Augustinus leest de hele Bijbel in het licht van de liefde. Hij is ervan overtuigd dat de liefde tot God eerst komt in de orde van het gebieden, maar dat de liefde tot de naaste eerst komt in de orde van het handelen. Liefde verleent de gemeenschap als zodanig een onvervangbare waarde. De moderne mens vraagt gewoonlijk naar het doel van een gemeenschap: is dat onderwijs of ziekenzorg, opvang van daklozen of jeugdapostolaat, contemplatie of actie, studie of verkondiging? Zo wekt men de indruk dat een gemeenschap haar waarde aan een extern doel ontleent. Tot op zekere hoogte is dat ook zo, maar niet ten volle. Je gaat dan immers voorbij aan de specifieke benadering van Augustinus, die nooit een extern doel voor zijn gemeenschappen heeft willen aanwijzen. Als een gemeenschap in feite niets anders is dan naastenliefde metterdaad, dan moet zij wel een waarde op zich vertegenwoordigen. Het duidelijkst blijkt dit in de uitdrukking “ik hou van jou: het waarom van een liefde is nooit een doorslaggevende reden tot die liefde.
De eerste gemeenschap van Jeruzalem speelt bij Augustinus de rol van een oude droom die die tot ideaal verheven wordt (zij vervult trouwens ook nu nog de rol van toekomstideaal). Men zou kunnen zeggen dat zowel de eerste christelijke gemeente van Jeruzalem als de Regel van Augustinus een oproep zijn om alle mensen als gelijk en beminnenswaardig te zien. De Regel is een concrete vertaling van de evangelische eis tot volwaardige broederlijkheid en zusterlijkheid onder alle mensen. In die eis klinkt tegelijk een protest door tegen de ongelijkheid in een wereld die zo zwaar getekend is door hebzucht, hoogmoed en macht. Voor die tekorten zou een kloostergemeenschap volgens Augustinus een alternatief moeten bieden. Het leven van die gemeenschap rust immers niet op een netwerk van ondeugden, maar op onderlinge liefde. En in deze zin behelst de Regel van Augustinus een stuk maatschappijkritiek.
V. De structuur
Het is goed om bij het lezen van de Regel de algemene structuur voor ogen te houden. Die structuur is tamelijk eenvoudig.
Hoofdstuk I. Het grondideaal: liefde en gemeenschap
Het eerste hoofdstuk bevat de algemene beginselen voor de opbouw van een authentieke liefdesgemeenschap. Augustinus wil er met andere woorden voor zorgen dat de leden van de gemeenschap goede onderlinge relaties kunnen uitbouwen. Hij ziet gemeenschap niet zozeer als een organisatie, een structuur of een onpersoonlijk lichaam, maar wel als een netwerk van relaties tussen verschillende personen. Zo’n gemeenschap moet gericht zijn op God, want eensgezindheid alleen is onvoldoende om van een religieuze gemeenschap te kunnen spreken.
Geen enkele groep of club kan immers zonder een zekere vorm van eenheid, maar het religieuze karakter van een groep hangt af van het feit dat de leden samen naar God streven. Dat omvat dan wel het geheel van het menselijk bestaan: delen in elkaars geloof, hoop, genegenheid, idealen, gevoelens, gedachten, activiteiten, verantwoordelijkheid, goede kwaliteiten, tekorten en fouten. In het eerste hoofdstuk wordt die basisidee geëxpliciteerd in 4 thema’s:
De eerste gemeente van Jeruzalem als model: leef één van hart en één van ziel samen, op weg naar God
Elkaars materiële en geestelijke goederen delen als eerste verwezenlijking van leven in gemeenschap.
Leven in gemeenschap is geen blinde uniformiteit, maar eist de erkenning van ieders persoonlijke geaardheid.
Nederigheid en hoogmoed als positieve en negatieve factor in het gemeenschapsleven.
Men zou kunnen zeggen dat dit eerste hoofdstuk alle andere hoofdstukken (2 tot 8) overkoepelt. Die overige hoofdstukken (op de slotaansporing na) zijn niets anders dan concrete toepassingen van de fundamentele inspiratie van Augustinus.
Hoofdstuk II. Gebed en gemeenschap
Vaste tijden voor gemeenschappelijk gebed.
Mogelijkheid tot individueel gebed.
De grondwet van het bidden.
Praktische richtlijnen voor het zingen van psalmen en hymnen.
Hoofdstuk III. Gemeenschap en zorg voor het lichaam
Soberheid in eten en drinken.
Lezing onder de maaltijd.
Ook hier: verschil in behandeling naargelang de persoon.
De zorg voor zieken.
Hoofdstuk IV. Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in goed en kwaad
Algemene richtlijn voor een onberispelijk gedrag.
Toegespitst op de innerlijke houding tegenover de andere sekse.
Gezamenlijke verantwoordelijkheid voor elkaars fouten.
Deze verantwoordelijkheid moet zich uiten in terechtwijzing.
Procedure van terechtwijzing.
Deze handelwijze geldt ook als model bij alle andere fouten.
Hoofdstuk V. Onderlinge dienstverlening
Gemeenschap en kleding.
Zorg voor het belang van de gemeenschap als criterium van vooruitgang.
Publieke baden en de zorg voor zieken.
Voor elkaar zorgen in alle lichamelijke behoeften.
Hoofdstuk VI. Liefde en conflict
Laat ruzie niet uitgroeien tot haat.
Wederzijds elkaar vergiffenis schenken.
Houding tegenover minderjarigen in het klooster.
Hoofdstuk VII. Liefde in gezag en gehoorzaamheid
Gehoorzaam aan uw overste.
Taak van de overste: dienen in liefde, leiding geven, voorbeeld zijn.
Gehoorzaamheid als daad van mede-lijdende liefde.
In het leven van een gemeenschap moet je gehoorzamen aan je overste, is het de taak van die overste te dienen in liefde, leiding te geven en een voorbeeld te zijn, en is gehoorzaamheid een daad van medelijdende liefde. Die drie elementen getuigen van Augustinus’ sterke persoonlijke visie op gezag en gehoorzaamheid.
Het woord dat de Regel gewoonlijk gebruikt voor “overste” is “praepositus”, letterlijk “degene die voorop moet lopen”. Daarmee is al iets aangegeven van de speciale aard van het gezag dat de Regel wenst: dat is democratisch van aard, want wie voorop loopt, verschilt niet wezenlijk van de andere leden van de groep. De overste staat niet boven de groep, maar maakt er deel van uit. Zijn of haar gezag bestaat vooral in het geheel van diensten die hij/zij de anderen bewijst op de specifieke manier die met zijn taken overeenkomt: zorgen voor het beleven van het gemeenschappelijke ideaal, optreden tegen inbreuken op dat ideaal, zelf een voorbeeld zijn van trouw aan de gestelde idealen. De Regel zegt het met de woorden van Paulus: “anderen in liefde dienen, anderen bemoedigen, anderen steunen en met iedereen geduld hebben”. Toch is geen van deze diensten exclusief opgedragen aan de verantwoordelijke. Ook de groep als geheel is hiervoor verantwoordelijk.
De hele groep heeft Christus en de Heilige Geest tot gezagvolle innerlijke leermeesters rond wie de gemeenschap zich luisterend verzamelen moet. Nergens zegt Augustinus dat een overste geestelijke leiding moet geven. Dat is erg opvallend, want in de oude monastieke milieus was dit nagenoeg de belangrijkste taak van de overste. In hem of in haar luisterden de jongeren met een diep geloof naar de goddelijke Geest. In de Regel verschuift het accent echter van het geloof naar de liefde.
Een eeuwenlange traditie heeft gehoorzaamheid benaderd als een daad van geloof. In Augustinus’ Regel verschijnt ze als medelijdende, barmhartige liefde. “Door liefdevol te gehoorzamen bewijs je niet alleen je te ontfermen over jezelf, maar ook over je overste.” Dit stemt overeen met Augustinus’ visie op het ambt: nooit heeft hij het ambt als een eer beschouwd, maar altijd als een last, de last van de verantwoordelijkheid voor het geheel. Die last meedragen en verlichten is een daad van liefde, van nastreven van het goede, van zorg voor het welzijn van een ander. De Latijnse term die de Regel hier gebruikt is “misereri”, zich erbarmen, zich ontfermen. Het is makkelijk te begrijpen dat je je ontfermt over de last van een ander, maar dat hetzelfde woord ook wordt gebruikt voor “je ontfermen over jezelf”, ergt enige uitleg.
Daarvoor moeten we een beroep doen op de bijbeltekst van Jezus Sirach (30, 23). Die luidde in de vertaling waarmee Augustinus vertrouwd was: “Ontferm je over je eigen ziel door God te behagen.” Het leven leert ons dat wij broos, zwak en zondig zijn. Zo vallen wij gemakkelijk egoïstisch op onszelf terug, om daar in ons diepste ik met onze eigen armoede te worden geconfronteerd. Daaruit kunnen wij niet op eigen krachten opstaan. God moet ons helpen. Daarom is de grootste dienst die wij onszelf kunnen bewijzen: van God houden en naar God luisteren. Door te leven volgens zijn wil, door goed te leven, beminnen we onszelf in de goede zin van het woord. Wie slecht leeft, haat zichzelf, en is wreed, en niet barmhartig, ten overstaan van zichzelf. Door acht te slaan op zijn eigen welzijn, ontfermt een mens zich over zichzelf. We zijn hier ververwijderd van medelijden hebben met jezelf als zelfbeklag of egocentrisme. Wat op hct spel staat, is reële zorg voor de diepste zin van het leven. Zo zijn gezag en gehoorzaamheid primair daden van liefde.
Hoofdstuk VIII. Slotaansporing
Verlangen naar geestelijke schoonheid.
Levende propaganda zijn voor Christus.
Vrij onder de genade.
Als in een spiegel.
De laatste zin van het eerste hoofdstuk van de Regel – “Leef dus allen één van ziel en één van hart samen en eer God in elkaar” – beantwoordt aan de eerste zin – “één van ziel en één van hart op weg naar God” – met dit verschil dat “op weg naar God” eschatologisch is (God als einddoel van alles en iedereen), terwijl “eer God in elkaar” een antwoord geeft op de vraag: waar vinden wij God nu? Hier stoten we op een heel wezenlijk gegeven van Augustinus’ theologie, namelijk de verhouding tussen liefde voor een mens en liefde tot God. Die verhouding is er een van vereenzelviging (= identificatie), niet van identiteit.
Bij het horen van de uitdrukking “God eren” denkt men tegenwoordig onmiddellijk aan de verering van God zoals die gestalte krijgt in gebed, aanbidding of meditatie, in liturgie, eucharistie of andere sacramentele handelingen, maar Augustinus denkt bij het vereren van God eerst en vooral aan de liefdesrelatie tussen mensen. Onze eerste eredienst aan God ligt in de liefde voor de zuster en de broeder naast ons. God woont nergens anders dan in de liefde. Wijzelf zijn het huis van God, zegt Augustinus bij gelegenheid van een kerkwijding: “Dit kerkgebouw is het huis van onze gebeden, maar het eigenlijke huis van God zijn wijzelf. Aileen als wij door liefde met elkaar verbonden zijn, zijn wij met z’n allen het huis van de Heer” (Preek 336, 1, 1).
Liefde is het doel van alle geboden, het is de vervulling en de volheid van de wet van God. Door deze nieuwtestamentische ideeën laat Augustinus zich leiden. Over welke liefde gaat het hier? Liefde is immers zo’n abstract woord, dat je er jezelf gemakkelijk achter kunt verstoppen. Met een beroep op een van zijn lievelingsteksten (namelijk I Joh. 4, 20: “Wie zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan God niet liefhebben, die hij niet ziet”) geeft Augustinus te kennen dat hij in de eerste plaats denkt aan de liefde tot de naaste. We hebben reeds zijn principe vermeld: de liefde tot God mag dan wel eerst komen in de orde van het gebieden, in de orde van het doen komt de liefde tot de naaste eerst. Door de zorg voor de naaste blijf je in beweging op de weg naar God.
Liefde tot de naaste en liefde tot God zijn zo innig met elkaar verbonden dat zij niet van elkaar los te maken zijn; zij sluiten elkaar in. Het is volgens Augustinus genoeg een van beide te noemen om er de twee liefdes onder te verstaan, zoals in de Bijbel meer dan eens gebeurt. De reden van de voorrang van de liefde voor de mens is heel typisch voor Augustinus’ theologie en spiritualiteit. Ze is namelijk gelegen in haar grotere concreetheid en tastbaarheid. Augustinus zegt letterlijk dat wij ons m.b.t. de liefde voor God van alles kunnen wijsmaken, de poort naar zelfbedrog staat daar wagewijd open. Dat is niet zo in de liefde voor de medemens. Wij ervaren veel scherper waar wij tekortschieten ten overstaan van een mens. Normaal gesproken beseffen wij goed waar wij ten overstaan van onze naasten onrechtvaardig, brutaal, egoïstisch, hardvochtig, afgunstig, achterdochtig, heerszuchtig of oneerlijk zijn. Voor de spiritualiteit waaraan de Regel uiting geeft, is het dan ook misplaatst menselijke relaties te wantrouwen als minderwaardig of te menen dat liefde voor een mens per se concurreert met liefde tot God.

