H. Cyrillus van Jeruzalem (313-350) bisschop van Jeruzalem en kerkleraar
Doopcatechese nr.7,4-7

“Gezegend zij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus” (2 Kor 1:3)
Zodra de Naam van de Vader wordt uitgesproken, doet ons die aan de Zoon denken; zoals wij, wanneer wij de Zoon noemen, onmiddellijk aan de Vader denken. Als er dus een Vader is, moet men absoluut Vader van een Zoon begrijpen; en als er een Zoon is, moet men absoluut Zoon van een Vader begrijpen. (…) Zeker, in zeer ruime zin is God de Vader van de veelheid van wezens, maar van nature en in werkelijkheid is Hij de Vader van de enige unieke en eniggeboren Zoon, onze Heer Jezus Christus; Hij is dat zonder de tijd te hebben moeten gebruiken, maar omdat Hij altijd de Vader van de eniggeborene is geweest. (…)
Het is een volmaakte Vader die een volmaakte Zoon verwekte, die alles gaf aan degene die Hij verwekte – want “alle dingen zijn Mij gegeven”, zegt Jezus, “door mijn Vader” (Mt 11,27), die geëerd wordt door de Eniggeborene “want Ik eer mijn Vader” (Joh 8,49) zegt de Zoon, en nogmaals: “Zoals Ik de geboden van mijn Vader bewaard heb, en in zijn liefde blijf” (Joh 15,10) – zo zeggen ook wij met de apostel: “Gezegend zij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God van alle troost” (2Kor 1,3), en “wij buigen onze knieën voor de Vader, aan wie alle vaderschap zijn naam ontleent in hemel en op aarde” (Ef 3,14-15), Hem verheerlijkend met de Eniggeborene. (…)
Als het ons inderdaad is gegeven, en vooral in onze gebeden, om te zeggen: “Onze Vader die in de hemelen zijt” (Mt 6,9), dan is dat toch de pure genade. Want het is niet omdat wij van nature uit de Vader in de hemel geboren zijn, dat wij Hem “Vader” noemen, maar door de genade van de Vader, door de werking van de Zoon en de Heilige Geest, van slavernij tot aanneming, zijn wij door de onuitsprekelijke barmhartigheid toegelaten deze Naam te gebruiken.
Bron : Evzo.org
