Tweede zondag van de Grote Vasten : Gregorius Palamas

PALAMAS 123

Tweede zondag van de Grote Vasten

Heilige Gregorius Palamas  en de genezing van een verlamde

Lezingen van de zondag :

PALAMAS :

LEZINGEN

EPISTEL

Hebr 1 ,10-2,3
Lezing uit de brief van Paulus aan de Hebreeën,

In het begin hebt Gij, Heer, de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn de werken van Uw handen.
Die zullen vergaan, maar Gij blijft altijd. En ze zullen alle verslijten als een gewaad, en als een mantel zult Gij ze oprollen en ze zullen verwisseld worden;
maar Gij zijt Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden. En tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten?
Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die het heil zullen beërven? Daarom moeten wij ons des te sterker houden aan wat wij gehoord hebben, opdat wij niet op enig moment afdrijven. Want als het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving, hoe zullen wij dan ontkomen, als wij zulk een groot heil veronachtzamen, dat in het begin door de Heer is verkondigd, en dat aan ons bevestigd is door hen die Hem gehoord hebben.

EVANGELIE

Markus, 2, 1-12

In die tijd kwam Jezus in Kafarnaüm, en men hoorde dat Hij thuis was. En meteen stroomden zo veel mensen samen dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij verkondigde hun het woord. Er werd een verlamde bij Hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. En omdat zij door de menigte Jezus niet konden benaderen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Hij was, en toen ze een opening hadden gemaakt lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: ‘Zoon, uw zonden zijn u vergeven.’ Er zaten daar ook een paar schriftgeleerden die bij zichzelf dachten: ‘Waarom zegt deze man zulke godslasteringen? Wie kan zonden vergeven behalve God alleen?’ Maar in Zijn geest doorzag Jezus meteen dat zij dit bij zichzelf dachten, en Hij zei tegen hen: ‘Waarom denkt u dat bij uzelf? Wat is gemakkelijker tegen deze verlamde te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven,” of te zeggen: “Sta op, neem uw bed op en ga lopen?” Maar opdat u zult weten dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven,’ zei Hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar huis.’ En hij stond meteen op, nam zijn bed op en ging voor het oog van allen naar buiten, zodat zij allen versteld stonden, God loofden en zeiden: ‘Zoiets hebben wij nog nooit gezien.’

VERLAMDE

De verlamde :  :

LEZINGEN

Hebreeën 7, 26-8,2

Broeders, zo’n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven. Hij heeft het niet nodig, zoals de hogepriesters, elke dag eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers te brengen en pas daarna voor die van het volk. Want dat heeft Hij voor eens en altijd gedaan, toen Hij Zichzelf offerde. De wet stelt als hogepriester mensen aan, die met zwakheid behept zijn; maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is. De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit: zo’n Hogepriester hebben wij, Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen. Hij is een Dienaar in het heiligdom en in de ware tabernakel, die de Heer heeft opgericht en niet een mens.

Evangelie: Johannes 10,9-16

Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij,  zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder.

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie