Etty Hillesum : UIt het dagboek van Etty Hillesum..

Etty_Hillesum_1939

Etty Hillesum

Uit het dagboek van Etty Hillesum.

Ik plaats hier even een paar fragmenen uit het dagboek van de Joodse Elly Hillesum…. Ook voor orthodoxen een leerzame geschiedenis voor wie onheus wordt behandeld, vernederingen ondergaat die de ziel beklemmen. Het gaat over het leven met zijn problemen van ontkenning, verdrukking enz… Hoe moeten wij er mee omgaan.

Op 9 maart 1941 begint de dan 27-jarige Etty Hillesum een dagboek. Terwijl de nazi’s haar als Joodse vrouw in Amsterdam steeds openlijker vervolgen, getuigt zij van een imponerende geestelijke vrijheid. Haar aantekeningen over de liefde, erotiek, familierelaties, vriendschap, geloof, zinloze haat en lotsverbondenheid zijn hoogstpersoonlijk, zeldzaam eerlijk, en tegelijkertijd volstrekt universeel.

Zij stierf in Auschwitz in 1943

1f900a48a2cdff43303b5a6575d24b0c

Twee fragmenten uit haar dagboek
Zaterdagavond (20 jun 1942), half 1

Om te vernederen zijn er twee nodig. Diegene, die vernedert en diegene, die men wil vernederen en vooral: die zich láát vernederen. Ontbreekt de laatste, dus: is de passieve partij immuun voor iedere vernedering, dan verdampen de vernederingen in de lucht. Wat er overblijft, zijn alleen lastige maatregelen, die in het dagelijkse leven ingrijpen, maar geen vernederingen of verdrukkingen, die de ziel beklemmen. (…) Ik fietste langs de Stadionkade vanochtend en genoot van de wijde hemel daar aan de rand van de stad en ademde de frisse, ongerantsoeneerde lucht in. En overal bordjes, die wegen, de vrije natuur in, voor joden versperd hielden. Maar boven dat ene stuk weg, dat ons blijft, is ook de volledige hemel. Men kan ons niets doen, men kan ons werkelijk niets doen. Men kan het ons een beetje lastig maken, men kan ons beroven van wat materiële goederen, van wat uiterlijke bewegingsvrijheid, maar wijzelf plegen de grootste roof aan ons, wij roven ons onze beste krachten door onze verkeerde instelling. Door ons achtervolgd, vernederd en verdrukt te voelen. Door onze haat. Door branie, die angst verbergt. Men mag best soms treurig en terneergeslagen zijn over het ons aangedane, dat is menselijk en begrijpelijk. Maar toch: de grootste roof aan ons plegen wij zelf. Ik vind het leven mooi en ik voel me vrij. De hemelen binnen in me zijn even wijd uitgespannen als boven me. Ik geloof aan God en ik geloof aan de mensen en ik durf het langzamerhand eerlijk te zeggen zonder valse schaamte. Het leven is moeilijk, maar dat is niet erg. Men moet beginnen zijn ernst ernstig te nemen en de rest komt vanzelf. Het ‘werken aan zichzelf, is heus geen ziekelijk individualisme. En een vrede kan alleen een echt vrede worden later, wanneer eerst ieder individu in zichzelf vrede sticht en haat tegen medemensen, van wat voor ras of volk ook, uitroeit en overwint en verandert in iets, dat geen haat meer is, misschien op den duur wel liefde, of is dit misschien wat veel geëist? Toch is het de enige oplossing.

UIt “Het verstoorde leven – Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943″ p 115-116 – samengesteld en ingeleid door J.G. Gaarlandt – Uitgeverij Balans – 40ste druk Mei 2021

Zondagochtendgebed (12 juli 1942)
Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen om de toekomst niet als evenzovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mijn begeeft, maar ik kan van tevoren nergens voor in staan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook eraan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: Mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal in de naaste toekomst nog heel veel gesprekken met je houden en je op die manier verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein.

UIt “Het verstoorde leven – Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943″ p 154-155 – samengesteld en ingeleid door J.G. Gaarlandt – Uitgeverij Balans – 40ste druk Mei 2021

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie