
‘Kunnen we in hemelsnaam, zonder volslagen absurditeit, volhouden dat er eerst in iemand de goede deugd van een goede wil bestond, om hem recht te geven op het verwijderen van zijn hart van steen? Hoe kunnen we dit zeggen, als dit hart van steen zelf altijd precies een wil van de hardste soort betekent, een wil die absoluut onbuigzaam is tegen God? Want als een goede wil op de eerste plaats komt, is er natuurlijk geen hart van steen meer.’
Augustinus, Over genade en vrije wil, 29
