
De barmhartige Samaritaan en de liefde van vijanden
Heilige Sophrony
Heilige Sophrony stelt in zijn boek “On Prayer”:
“Deze incarnatie van het Woord van God is ook een leegte, ontologisch kenmerkend voor goddelijke liefde. De Vader ontledigt zichzelf in de geboorte van de Zoon, terwijl de Zoon zichzelf niets toeschrijft, maar alles overgeeft aan de Vader. En onze leegte wordt uitgedrukt door de ontkenning van alles wat ons dierbaar is op aarde in het onderhouden van de geboden: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden. (Matt. 16: 24-25).”zo kan niemand van u mijn leerling zijn, als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit. ” (Lukas 14:33);
En dit is de weg van de Levende God.
De wetgeleerde vroeg : Meester, wat hebben wij nodig om het eeuwige leven te beërven?
En Hij zei tegen hem: “Wat staat er in de wet geschreven? En de respondent zei: “Heb de Heer, uw God, lief uit heel uw hart en uit heel uw ziel, en uit al uw kracht, en met al uw verstand, en uw naaste als uzelf. En Jezus zei dit: Terecht dit is wat er staat , doe dit en je zal leven(vgl. Lucas 10,25-28). Op de vraag van de Wetgeleerde antwoordde de Heer met de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan, waarvan de essentiële betekenis hun tijd verbond met de geest van het gebod “bemint uw vijanden, doet goed en leent uit zonder erop te rekenen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten. (Lucas 6:35).
Over de staat van onze geest, wanneer de genade van het liefhebben van vijanden ons van bovenaf wordt gegeven, spreekt de heilige Silouan over de ervaring van goddelijke eeuwigheid, zelfs op de grenzen van dit leven. Hij zei en schreef: “Wie vijanden niet liefheeft, hij heeft God nog niet gekend, want hij zou Hem moeten kennen.”
Ik durf vanuit mijzelf een verklaring van deze genade toe te voegen: Wie, door het licht van het ongeschapen Licht van de Heilige Geest, in hem de passage “van de dood tot het eeuwige leven” leeft, hij leeft van nature mee met alle dingen, die van dit goede beroofd zijn. Hijzelf, die losstaat van de dood, is vrij van de angst voor rampen en kent de gedachte van de Vader over hem: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou, verbazingwekkend” (Lucas 15:31). En als alles wat de Vader heeft ons gegeven is, dan is het voor de ziel volkomen natuurlijk zijn om “zich te verheugen en te verblijden”, wanneer de vroegere dode broeder tot onvergankelijke heerlijkheid in het Koninkrijk van de Levende God tot leven wordt gewekt (vgl. Lucas 15,32).”
bron:Archim. Sofroniou Sakharov, On Prayer, Holy Stavropegic Monastery of Timios Prodromos, Essex,
Vertaling : Kris Biesbroeck
