
‘Heb elkaar lief, vaders’, zei de ouderling (voor zover Alyosha zich achteraf kon herinneren). “Heb Gods volk lief. Want wij zijn niet heiliger dan degenen in de wereld, omdat wij hier gekomen zijn en ons binnen deze muren hebben opgesloten, maar integendeel, iedereen die hier komt, door het feit dat Hij gekomen is, weet al dat hij erger is dan allen die in de wereld zijn, erger dan allen op aarde… En hoe langer een monnik binnen zijn muren leeft, hoe scherper hij zich daarvan bewust moet zijn. Want anders had hij geen reden om hierheen te komen. Maar als hij weet dat hij niet alleen erger is dan al degenen in de wereld, maar ook schuldig is voor alle mensen, namens allen en voor allen, voor alle menselijke zonden, die van de wereld en van elke persoon, alleen dan zal het doel van onze eenheid worden bereikt. Want jullie moeten weten, mijn geliefden, dat ieder van ons ongetwijfeld schuldig is namens allen en voor iedereen op aarde, niet alleen vanwege de gemeenschappelijke schuld van de wereld, maar persoonlijk, ieder van ons, voor alle mensen en voor elke persoon op deze aarde. Deze kennis is de kroon op het pad van de monnik en op het pad van ieder mens op aarde. Want monniken zijn geen ander soort mensen, maar alleen zoals alle mensen op aarde dat ook zouden moeten zijn. Alleen dan zal ons hart bewogen worden tot een liefde die oneindig is, universeel en die geen verzadiging kent. Dan zal ieder van ons in staat zijn om de hele wereld te winnen door liefde en de zonden van de wereld weg te wassen met zijn tranen… Laat ieder van jullie nauw gezelschap houden met zijn hart, laat ieder van jullie onvermoeibaar aan zichzelf belijden. Wees niet bang voor je zonde, zelfs niet als je het waarneemt, op voorwaarde dat je berouw hebt, maar stel God geen voorwaarden. Nogmaals zeg ik, wees niet trots. Wees niet trots voor de nederigen, wees ook niet trots voor de groten. En haat niet degenen die je afwijzen, je te schande maken, je vereren en je belasteren. Haat geen atheïsten, leraren van het kwaad, materialisten, zelfs niet degenen onder hen die slecht zijn, noch degenen die goed zijn, want velen van hen zijn goed, vooral in onze tijd. Gedenk hen zo in uw gebeden: red, Heer, zij voor wie niemand is om voor te bidden, behalve ook zij die niet tot U willen bidden. En voeg er meteen aan toe: het is niet in mijn hoogmoed dat ik ervoor bid, Heer, want ik ben zelf verachtelijker dan allen… Heb Gods volk lief, laat nieuwkomers je kudde niet wegtrekken, want als je in je luiheid en minachtende trots, vooral in je eigenbelang, in slaap valt, zullen ze van alle kanten komen en je kudde wegleiden. Leer het Evangelie onvermoeibaar aan de mensen… Doe niet aan woekerrente… Hou niet van zilver en goud, bewaar het niet… Geloof en houd je vast aan het spandoek. Houd het omhoog !”
― Fjodor Dostojevski, De gebroeders Karamazov
