Romanus de Melodicus : Dan zullen ze Vasten….

vasten tekening

H. Romanus de Melodicus (? -ca 560)
dichter van hymnen
Hymne “Adam en Eva”, 1-5 ; SC 99

romanos

“Dan zullen ze vasten”

Lever je over, mijn ziel, aan het berouw; verenig je met Christus in gedachten; roep: “Vergeef al mijn slechte handelingen, opdat ik van U ontvang wat goed is (Mc 10,18), de absolutie en het eeuwig leven”. (…)
Mozes en Elia, deze vuurtorens, waren groot in hun werken. (…) Ze zijn de eersten onder de profeten, zij spraken vrijuit met God, ze vonden het fijn om Hem te naderen om te bidden en zich met Hem van gelaat tot gelaat te onderhouden (Ex 34,5; 1 Kon 19,13)- een verbazend en ongelooflijk iets. Niettemin, namen ze zorg om hun toevlucht tot het vasten te nemen, die hen naar God bracht (Ex 34,28; 1 Kon 19,8). Het vasten, met de werken, verschaft dus het eeuwige leven.
Door het vasten worden de demonen teruggeduwd als door een zwaard, want ze verdroegen de vreugden niet; ze hielden van de genieter en de drinker. Maar als ze in het gelaat van het vasten keken, konden ze het niet uithouden; ze vluchtten er ver van weg, zoals Christus onze God ons onderricht door te zeggen: “Door het vasten en het gebed kan men de demonen uitdrijven” (cf Mc 9,29). Zie waarom ze ons leren dat het vasten het eeuwige leven aan de mensen geeft.
Het vasten geeft aan hen die het uitvoeren het vaderhuis waaruit Adam werd verdreven. (…) Het is God zelf, de vriend van de mensen (Wijsheid 1,6) die het eerst de mens die Hij geschapen had aan het vasten had overgegeven, als aan een liefhebbende moeder, als aan een meester. Hij had verboden om van één boom te eten (Gn 2,17). En als de mens het vasten had onderhouden, dan zou hij met de engelen hebben geleefd. Maar hij heeft het verworpen en vond het lijden en de dood, de bitterheid van de pijn en de dood, en de angst voor een pijnlijk leven (Gn 3,17v). Welnu, als in het Paradijs het vasten nuttig is, hoeveel te meer is het dan niet hierbeneden, om ons het eeuwige leven te verschaffen!

2134461f1defa5f1f3ae8e341734e2a7

Bezinnen de psalmteksten :

Psalmen 1,1-2.3.4.6.
Gelukkig de man die weigert te doen,
wat goddelozen hem raden;
die niet de wegen der zondaars gaat,
niet zit te midden der spotters.
maar die zijn geluk vindt in s’Heren wet,
haar dag en nacht overweegt.

Hij is als een boom, aan het water geplant,
die vruchten draagt op zijn tijd;
des zomers verdorren zijn bladeren niet,
maar al wat hij doet brengt hem voorspoed.

De goddelozen vergaat het zo niet:
de wind blaast hen weg als kaf.
De Heer immers let op de weg der gerechten,
de weg van de zondaars loopt dood.

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie