
Een goede psalm om in deze oorlogstijd te lezen
PSALM 37
Wees nooit op boosdoeners afgunstig, benijd niet wie onrecht begaan: 2straks zijn zij verdord als het gras, verwelkt als het groen van de velden. 3Vertrouw op de Heer, doe wat goed is, hoed uw trouw in het land waar gij woont. 4Vind uw diepste geluk in de Heer: en uw hartsverlangen vervult Hij. 5Leg uw leven de Heer in de hand, bouw op Hem: Hij zal het volvoeren. 6Hij doet rijzen uw recht als het licht, uw geding als de middagzon stralen. 7Keer u stil tot de Heer en verbeid Hem; benijd niet, al bereikt hij zijn doel, de mens die met list weet te werken. 8Ban uw wrok, laat varen uw toorn, voed geen afgunst: dat sticht louter onheil. 9Want de boosdoeners worden verdelgd; die de Heer hoopvol hebben verbeid, zij zullen het aardrijk beerven. 10Nog kort – en wie kwaad zaait is heen, zoekt gij naar zijn standplaats – verdwenen! 11de ootmoedigen beerven het aardrijk, laven zich aan de volheid des vredes. 12Al belaagt wie kwaad wil de rechtvaardige, knarsetandend als hij hem gewaar wordt, 13de Heer heeft aan hem zijn vermaak: Hij toch ziet zijn dag reeds gekomen. 14Wel trekken Gods haters hun zwaard, zijn zij bezig de bogen te spannen om te treffen wie weerloos en arm is, te vermoorden wie eerlijk zijn weg gaat. 15Maar dit zwaard dringt hun zelf in het hart, hun boog wordt doormidden gebroken. 16Meer heeft de rechtvaardige aan weinig dan zovele bedriegers aan rijkdom. 17De arm van Gods haters wordt machteloos: de Heer geeft de rechtvaardigen bestand. 18De Heer kent de dagen der vromen, eeuwig blijft hun het erfdeel bewaard: 19in de kwade tijd onverslagen vinden zij zelfs bij hongersnood voedsel. 20Straks zijn Gods haters vergaan; die vijandig zijn aan de Heer zijn welhaast als de tooi van de velden verdwenen, verdwenen in rook. 21De bedrieger leent – en hij houdt het; de rechtvaardige, meedogend, scheldt kwijt. 22Die Hij zegent beerven het aardrijk, dan zijn uitgeroeid die Hij vervloekt. 23De Heer houdt de mens recht op zijn voeten wanneer Hem zijn wandel behaagt: 24mocht hij vallen, geveld is hij nooit, want de Heer heeft zijn hand reeds gegrepen. 25Jong was ik en nu ben ik oud, nooit zag ik een rechtvaardige verlaten, noch zijn nageslacht bedelen om brood. 26Wie barmhartig steeds klaar stond tot lenen, ook zijn nageslacht ontmoet zegen. 27Mijd het kwade, doe gij het goede: zo zult ge voor immer hier wonen. 28De Heer staat aan de kant van het recht, nooit zal Hij zijn getrouwen begeven, zij worden behouden voor eeuwig, en verdelgd het geslacht van Gods haters. 29De rechtvaardigen beerven de aarde, zij mogen haar blijvend bewonen. 30Wijsheid klinkt uit de mond des rechtvaardigen, zijn tong spreekt van het rechte bestel. 31In zijn hart leeft de wet van zijn God; daarom zullen zijn schreden niet falen. 32Al beloert wie kwaad wil de rechtvaardige, al zoekt hij hoe hem te vermoorden, 33de Heer geeft hem niet in zijn macht, duld nooit dat zijn rechtszaak verkracht wordt. 34Verbeid de Heer, ga waar Hij wijst, die u waard keurt het land te beerven: gij beleeft de verdelging der duisteren. 35Een slecht mens zag ik, een tyran, een die als een sterke plant opschoot. 36Iemand ging voorbij – zie, hij was weg; ik zocht hem hij was nergens te vinden. 37Zie toch de rechtschapene aan, houd het oog gericht op de oprechte; hij leeft voort, de drager van vrede. 38Weggevaagd wordt wat Gods wetten schendt, uitgeroeid de nazaten der bozen. 39De Heer schept de rechtvaardigen vrijheid, is hun toevlucht in tijden van dreiging; 40de Heer helpt hen, Hij geeft hun uitkomst, onttrekt hen aan hun haters, verlost hen. Want zij zochten hun toevlucht in Hem.
Bron :
