

eerste lezing :
Kollossensen, 3,12-16
Doet dat aan, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld. 13Verdraagt elkander en vergeeft elkander, als de een tegen de ander een grief heeft. Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook gij vergeven. 14Voegt bij dit alles de liefde als de band der volmaaktheid. 15En laat de vrede van Christus heersen in uw hart; daartoe zijt gij immers geroepen als leden van één lichaam. En weest dankbaar. 16Het woord van Christus moge in volle rijkdom onder u wonen. Leert en vermaant elkander met alle wijsheid. Zingt voor God met een dankbaar hart psalmen, hymnen en liederen, ingegeven door de Geest.
Evangelie :
Lucas 17,12-19 :
Toen Hij een dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet; zij bleven op een grote afstand staan 13en riepen luidkeels: ‘Jezus, Meester, ontferm U over ons!’ 14Hij zag hen en sprak: ‘Gaat u laten zien aan de priesters.’ En onderweg werden ze gereinigd. 15Een van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was, en verheerlijkte God met luider stem. 16Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus’ voeten neer, en deze man was een Samaritaan. 17Hierop vroeg Jezus: ‘Zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? 18Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling?’ 19En Hij sprak tot hem: ‘Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.’
