Simeon de Nieuwe Theoloog (ca 949-1022)
Griekse monnik
Hymne 42, SC 196 (Hymnen III; )

Simeon de Nieuwe Theoloog
Laten we ons haasten om ons met God te verbinden, die op aarde gekomen is voor onze verlossing!
Laten wij ons dan haasten, broeders en zusters, laten wij ons vóór het einde haasten om ons met God te verbinden, de Schepper van alle dingen, die om onzentwil op aarde is gekomen, die de hemelen heeft neergebogen en Zich voor de engelen heeft verborgen, die in de schoot van de heilige Maagd heeft gewoond, die uit haar vlees heeft genomen, zonder verandering, op niet te bevatten wijze, en die verschenen is tot verlossing van ons allen.
Nu is onze verlossing geen andere dan deze – niet dat wij van onszelf spreken, maar het is de mond van God die het grote licht van de komende tijd heeft geopenbaard – het Koninkrijk der hemelen is op aarde neergedaald, of liever, de almachtige Koning van boven en beneden is gekomen, en heeft willen worden als wij, opdat wij delen in het Koninkrijk der hemelen, en tegelijk delen in de heerlijkheid ervan, en erfgenamen zijn van het eeuwige goede dat niemand ooit heeft gezien. Dit goede is geen andere – dit is mijn overtuiging, dit is mijn geloof dat ik bevestig – dan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, de Heilige Drievuldigheid: dit is de bron van het goede, dit is het leven van al wat bestaat, dit is de onuitsprekelijke vreugde en zaligheid van allen die iets van zijn onuitsprekelijke verlichting ontvangen en zich ervan bewust zijn in vereniging met Hem te zijn.
Luister: de reden waarom Hij Verlosser wordt genoemd, is dat Hij redding brengt aan allen met wie Hij zich verenigt; en redding is verlost te worden van alle kwaad en tegelijk alle het goede voor altijd te vinden: leven in plaats van dood, licht in plaats van duisternis, en in plaats van de slavernij van hartstochten en slechte daden, de totale vrijheid die wordt verleend aan allen die verenigd zijn met Christus, de Verlosser van alle wezens: dan zullen zij, zonder het te kunnen verliezen, alle vreugde, alle blijdschap, alle gelukzaligheid bezitten (…) die niemand ooit zal kennen ,bedenken of of zien, tenzij hij oprecht en vurig gehecht is aan Christus
