“Lazarus en de rijke”
From the Harvard Art Museums’ collections The Rich Man and Lazarus
LEZINGEN
2 Korintiërs 11, 31-12,9
God, de Vader van onze Heer Jezus gezegend is Hij in eeuwigheid! weet dat ik niet lieg. 32Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad bewaken om mij te vangen; 33en om aan zijn greep te ontsnappen moest ik in een mand worden neergelaten door een venster in de stadsmuur.
Moet er geroemd worden? Het dient wel nergens toe, maar dan kom ik nu tot visioenen van openbaringen van de Heer. 2Ik ken een mens in Christus, die veertien jaar geleden, in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het… die mens werd weggerukt naar de derde hemel. 3Van die mens weet ik dat hij met het lichaam of zonder het lichaam, ik weet het niet, God weet het, 4dat hij werd weggerukt naar het paradijs en onzegbare woorden vernam, die geen mens mag uitspreken. 5Op zo iemand wil ik roemen. Voor mijzelf wil ik alleen roemen op mijn zwakheden. 6Zou ik werkelijk willen roemen, dan was ik geen dwaas; ik zou immers de waarheid zeggen. Maar daar zie ik van af; ik wil niet dat iemand mij meer toeschrijft dan wat hij van mij kan zien of horen. 7Ook is er – want anders zouden de buitengewone openbaringen mij verwaand kunnen maken – ook is er een doren in mijn vlees gestoken, als een bode van de satan die mij moet afranselen. 8Tot driemaal toe heb ik de Heer aangeroepen, dat hij van mij zou weggaan. 9Maar Hij antwoordde mij: “Je hebt genoeg aan mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden. Dan zal de kracht van Christus in mij wonen.
EVANGELIE :
Lucas 16,19-31
Lazarus en een rijke man Er was een rijk man, die gekleed ging in purper en het fijnste linnen, en elke dag uitbundig feestvierde. Aan zijn poort lag een zekere Lazarus; hij was arm en zat onder de zweren. ] Hij had graag zijn honger gestild met wat er van de tafel van de rijke op de grond viel, maar nee, de honden kwamen en likten aan zijn zweren. Toen kwam de arme te sterven; de engelen droegen hem in de schoot van Abraham. Ook de rijke stierf, en werd begraven. In het dodenrijk sloeg hij gekweld door pijn zijn ogen op en zag van verre Abraham met Lazarus in zijn schoot. “Vader Abraham,” riep hij, “heb medelijden met me; stuur Lazarus om de toppen van zijn vingers nat te maken met water, en er mijn tong mee te verkoelen, want ik lijd hevig in dit vuur.Maar Abraham zei: “Kind, vergeet niet dat jij het heel je leven goed hebt gehad en Lazarus altijd slecht; nu wordt hij hier getroost, en jij lijdt pijn. Bovendien, er gaapt tussen ons en jullie een diepe kloof; al zou iemand van hier naar jullie willen oversteken, hij zou het niet kunnen; evenmin kan iemand van daar naar ons komen.Maar de rijke zei: “Dan, vader, vraag ik u hem naar mijn ouderlijk huis te sturen, want ik heb nog vijf broers. Laat hij hen gaan waarschuwen, zodat zij niet eveneens terechtkomen in dit oord van pijn.” Maar Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de Profeten; daar moeten ze naar luisteren.” Maar hij zei: “Nee, vader Abraham, als iemand van de doden naar hen toe komt, dan zullen zij zich bekeren.” Maar Abraham antwoordde: “Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, dan zullen ze zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden opstaat.”


