Gregorius de Grote : Overwegingen over het Evangelie

2a6ffd585f04ea209350b167ece786c8

H. Gregorius de Grote (ca. 540-604)
paus en kerkleraar Overwegingen over het Evangelie, nr 26; PL 76, 1197

Gregorius de grote8

“Ik ben het zelf. Raak Mij aan”

Hoe kan het dat het lichaam van de Heer, toen het eenmaal verrezen was, een werkelijk lichaam bleef, terwijl Hij bij de leerlingen door gesloten deuren binnenkwam? Wij moeten weten dat de goddelijke handeling niets bewonderenswaardig zou hebben als de menselijke rede het kon begrijpen, en dat het geloof geen verdienste zou hebben als de rede experimentele bewijzen zou kunnen leveren. Over dergelijke werken van de Verlosser, die op zichzelf absoluut onbegrijpelijk zijn, moet gemediteerd worden in het licht van zijn andere handelingen, zodat wij meegenomen worden om te geloven in die wonderlijke feiten, door andere feiten die nog wonderlijker zijn. Want dat lichaam van de Heer die de leerlingen bezoekt, ondanks dat de deuren gesloten zijn, is hetzelfde als bij zijn Geboorte, waarbij Hij zichtbaar werd voor de mensen toen Hij uit de gesloten schoot van de Maagd kwam. Men moet zich dus niet verbazen als onze Verlosser, na verrezen te zijn om voor eeuwig te leven, binnengekomen is ondanks de gesloten deuren, aangezien toen Hij in de wereld kwam om te sterven, Hij uit de Maagd kwam zonder haar te openen.
Aangezien het geloof van hen die naar het zichtbare lichaam keken, bleef

aarzelen, heeft de Heer hen voorgesteld om het vlees dat Hem door de gesloten deuren had laten gaan, aan te raken. (…) Welnu, wat je aan kunt raken, is noodzakelijkerwijze vergankelijk, en wat niet vergankelijk is, kun je niet aanraken. Op een wonderlijke en onbegrijpelijke wijze heeft onze Heer het ons gegeven om na de verrijzenis van zijn lichaam een tegelijk onvergankelijk en tastbaar lichaam te openbaren. Door het onvergankelijk te laten zien, beloonde Hij ons; en door zichzelf te laten aanraken, bevestigde Hij ons in het geloof. Hij laat zich dus tegelijkertijd tastbaar en onvergankelijk zien, om daarmee goed te tonen dat na de verrijzenis zijn lichaam van dezelfde aard bleef, maar dat Hij in een geheel andere heerlijkheid was opgenomen.

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie