
17e zondag na Pinksteren
Zondag van de Vaders van het zevende Oecumenisch concilie

Eerste Lezing :
Titus 3,8-15
Op dit woord kunt ge bouwen, en ik wil dat ge moedig voor uw overtuiging uitkomt. Zij die in God geloven, moeten zich beijveren de eersten te zijn bij elk goed werk. Dat is voor hen een ereplicht en de wereld zal er wel bij varen. 9Maar houd u niet op met onzinnige kwesties, genealogieën, discussies en twistpunten aangaande de wet; deze dingen zijn nutteloos en hebben geen zin. 10Een ketter moet ge na een eerste en een tweede waarschuwing afwijzen. 11Ge kunt er zeker van zijn dat zo iemand op de verkeerde weg is en met zijn zonde zichzelf veroordeelt.
Mededelingen en groeten
12 Kom, als ik Artemas of Týchikus naar u gezonden heb, zo spoedig mogelijk bij mij in Nikópolis, want ik heb besloten daar de winter door te brengen. 13Neem alle maatregelen voor de reis van Zenas, de rechtsgeleerde, en Apollos; het mag hun aan niets ontbreken. 14Ook de onzen moeten leren zich met eerlijke arbeid bezig te houden en het hunne bij te dragen ter voorziening in allerlei behoeften; dan maken zij zich nuttig. 15Allen die bij mij zijn, groeten u. Groet alle vrienden in het geloof. De genade zij met u allen.
Evangelie :
Johannes 17,1-13 :
JEZUS BIDT VOOR ZICHZELF
1Zo sprak Jezus. Toen sloeg Hij zijn ogen ten hemel en zei: “Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke. 2Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen om eeuwig leven te schenken aan allen die Gij Hem gegeven hebt. 3En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus. 4Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen. 5Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf en geef Mij de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond.
JEZUS BIDT VOOR ZIJN LEERLINGEN
6Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. U behoorden ze toe; Mij hebt Gij ze gegeven en zij hebben uw woord onderhouden. 7Nu weten zij dat al wat Gij Mij gegeven hebt van U komt. 8Want de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld, heb Ik hun meegedeeld, en zij hebben ze aangenomen en naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat Gij Mij hebt gezonden. 9Ik bid voor hen. Niet voor de wereld bid Ik, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt, omdat zij U toebehoren. 10Al het mijne is van U en het uwe is van Mij. Zo ben Ik in hen verheerlijkt. 11Ik blijf niet langer in de wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toe kom. Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij. 12Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik in uw Naam hen die Gij Mij hebt gegeven. Ik heb over hen gewaakt en niemand van hen is verloren gegaan, behalve de man des verderfs, want de Schrift moest vervuld worden. 13Maar nu kom Ik naar U toe en nog in de wereld zeg Ik dit, opdat zij mijn vreugde ten volle in zich zouden bezitten. 14Ik heb hen uw woord meegedeeld, maar de
“De parabel van de zaaier”

Eerste Lezing :
2 Kor, 6-16 -7,1 :
Kan de tempel van God een verbond aangaan met de afgoden? Maar de tempel van de levende God, dat zijn wij. God heeft het zelf gezegd:
Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan.
Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 17Daarom, gaat weg en verlaat hen,
houdt u ver van hen, zegt de Heer,
raakt niets aan wat onrein is.
Dan zal Ik u genadig aannemen. 18Ik zal voor u een vader zijn
en gij zult voor Mij
zonen en dochters zijn, zegt de Heer,
de Albeheerser.
Evangelie :
Lucas 8,5-15 :
8 Nog een ander gedeelte viel op goede grond; het schoot op en bracht honderdvoudige vrucht voort.’ En met luider stem voegde Hij eraan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, hij luistere.’
9Zijn leerlingen vroegen Hem, wat die gelijkenis wel betekende.
10Hij antwoordde: ‘Aan u is het gegeven de geheimen van het Rijk Gods te kennen, maar de overigen ontvangen ze in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet begrijpen.
11Welnu, de betekenis van de gelijkenis is deze: Het zaad is het woord van God.
12Die op de weg, zijn zij die geluisterd hebben. Maar dan komt de duivel en rooft het woord uit hun hart weg, opdat ze niet door te geloven gered worden.
13Die op de rots, zijn zij die het woord met blijdschap ontvangen wanneer zij het horen, maar zij hebben geen wortel, zij geloven voor een ogenblik, maar ten tijde van de beproeving vallen zij af.
14Wat onder de distels viel, zijn zij die wel geluisterd hebben, maar gaandeweg door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven verstrikt raken en niet tot rijpheid komen.
15Het zaad in de goede aarde zijn zij, die het woord dat Zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid

