H. Augustinus (354-430)
bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar
De Trinitate, VIII, 12 ; PL 42, 958B-959A

“Dat is het eerste en grootste gebod. Het tweede is daaraan gelijk” (Mt 22,38-39)
“Beminden, laten we elkander liefhebben, want de liefde komt van God en elke mens die liefheeft, is uit God geboren en kent God; degene die niet liefheeft, kent God niet” (1Joh 4,7-8). In deze tekst toont de apostel Johannes met zijn gezag duidelijk aan dat de broederlijke liefde niet alleen van God komt, maar dat die broederlijke liefde, die maakt dat we elkander liefhebben, God zelf is.
Daarom, door onze broeder [of zuster] met ware liefde lief te hebben, hebben we lief volgens God, en door God. En het is bovendien niet mogelijk om zichzelf niet lief te hebben met deze liefde waarmee we onze naaste liefhebben. Daaruit kunnen we twee voorschriften halen die niet buiten elkaar kunnen bestaan. Aangezien immers “God liefde is”, houdt degene die de liefde liefheeft, van God; welnu degene die van zijn naaste houdt, moet ook van de liefde houden. Daarom zegt de apostel Johannes even daarna: “Wie zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, hoe kan hij dan God die hij niet ziet, liefhebben?” (1 Joh 4,20). Omdat hij niet van zijn broeder [of zuster] houdt, is dat de reden die hem belet om God te zien. Wie zijn broeder [of zuster] niet liefheeft, is niet in de liefde; en degene die niet in de liefde is, is niet in God, want “God is liefde”.
Bron : Evzo.org
