
H. Clemens van Alexandrië (150- ca 215)
theoloog
De Pedagoog, I, 21-2

“Wie dit kind ontvangt in mijn Naam, ontvangt Mij”
j“Hun kleine kinderen, zegt de Schrift, zullen op de schouders gedragen worden en op de knieën getroost. Zoals een moeder haar kind troost, zo zal Ik u ook troosten” (Jes 66, 12-13). De moeder trekt de kinderen naar zich toe en wij zoeken onze moeder, de Kerk. Al het zwakke en tere, wiens zwakheid hulp nodig heeft, is gracieus, zacht en charmant; God weigert zijn redding niet aan iemand die zo jong is. Ouders hebben een bijzondere tederheid voor hun kinderen. (…) Zelfs de Vader van heel de schepping ontvangt hen die bij Hem schuilen, herstelt ze door de Geest en neemt hen aan als kinderen; Hij kent hun zachtmoedigheid en het zijn alleen zij die Hij liefheeft, helpt, en verdedigt; daarom noemt Hij hen kleine kinderen (cf. Joh 13,33). (…)
De Heilige Geest, die spreekt door de mond van Jesaja, past op de Heer zelf de term van kind toe: “Zie ons is een kind geboren, een zoon is ons gegeven (…)” (Jes 9,5). Wie is dit kleine kind, dit pasgeborene, naar wiens beeld we allemaal kleine kinderen zijn? De heilige Geest beschrijft voor ons door dezelfde profeet zijn grootheid: “Bewonderenswaardige Raadsman, machtige God, Eeuwige Vader, Prins van Vrede” (v.6).
O, grote God! O, volmaakt kind! De Zoon is in de Vader en de Vader is in de Zoon. Zou de opvoeding dat dit kleine kind geeft, niet volmaakt zijn? Zij bevat alles om ons, zijn kleine kinderen, te leiden. Hij heeft zijn handen over ons uitgestrekt en wij hebben in die handen heel ons vertrouwen gelegd. Van dat kleine kind legt Johannes de Doper ook getuigenis af: “Zie, zegt hij, het Lam van God” (Joh 1, 29). Omdat de Schrift alle kleine kinderen lammetjes noemt, heeft hij het Woord van God ‘Lam van God’ genoemd, die voor ons mens geworden is en gelijk aan ons heeft willen zijn, Hij, de Zoon van God, het kleine kind van de Vader.
