H. Johannes van Damascus (ca 675-749)
monnik, theoloog,
Homilie voor de Geboortedag van de Maagd Maria, 1-2

Een moeder van Hem die haar geschapen heeft, waardig
Kom alle volkeren; kom mensen van alle rassen, alle talen, alle leeftijden, alle waardigheid. Met blijdschap vieren wij de geboorte van de blijdschap van heel de wereld! Als zelfs de heidenen de verjaardag van hun koning vieren (…), wat moeten wij dan doen om die van de Moeder van God te eren, door wie de gehele mensheid omgevormd werd, door wie het lijden van Eva, onze eerste moeder, veranderd werd in vreugde? Eva, heeft immers bij de wegzending van God gehoord: “Met smart zult u kinderen baren” (Gen 3,16); en Maria: “Verheug u, begenadigde. (…). De Heer is met u” (Lc 1,28). (…)
Dat de hele schepping in feeststemming is en zingt over de heilige geboorte uit een heilige vrouw, want zij heeft een onvergankelijke schat op de wereld gezet. (…) Door haar heeft het scheppingswoord van God zich verenigd met de gehele schepping, en wij vieren het einde van de menselijke steriliteit, het einde van het gebrek welke ons belemmerde om het goede te bezitten. (…) De natuur is geweken voor de genade. (…) Zoals de Maagd Moeder van God geboren moest worden uit Anna, de onvruchtbare vrouw, is de natuur vruchteloos gebleven totdat de genade de zijne gebracht heeft. Het was nodig dat zij de schoot van haar moeder opende. Zij ging “de Eerstgeborenen van heel de schepping” en in wie “alles het bestaan heeft”, baren.
Joachim en Anna, zalig echtpaar! De gehele schepping is u dankbaar; door u heeft zij aan de Schepper het beste van haar gaven geofferd: een moeder die de verering waard is, de enige moeder van Hem, die haar geschapen heeft.
