Archim.Zacharias Zacharou:Het mysterie van het hart van de mens

border TYfd

Het mysterie van het hart van de mens
Archim. Zacharias Zacharou

zacharias

Archimandriet Zacharias van Essex

Alle verordeningen van de Kerk worden aan de wereld aangeboden met als enig doel het ‘diepe hart’ [1] te ontdekken, het centrum van de hypostase van de mens. Volgens de Heilige Schrift heeft God elk hart op een speciale manier gevormd, en elk hart heeft Zijn doel, een plaats waar Hij wenst te verblijven om Zichzelf te manifesteren.
Aangezien het koninkrijk van God in ons is, [2] is het hart het slagveld van onze redding, en alle ascetische inspanningen zijn erop gericht het te reinigen van alle vuiligheid en het rein te bewaren voor het aangezicht van de Heer. ‘Bewaar uw hart met alle ijver; want daaruit zijn de levensstromen’, spoort Salomo, de wijze koning van Israël, aan. [3] Deze levenspaden gaan door het hart van de mens, en daarom is het onuitblusbare verlangen van allen die onophoudelijk het Aangezicht van de levende God zoeken, dat hun hart, eens verdoofd door de zonde, door Zijn genade opnieuw kan worden aangewakkerd.
Het hart is de ware ‘tempel’ van de ontmoeting van de mens met de Heer. Het hart van de mens ‘zoekt kennis’ [4] zowel intellectueel als goddelijk, en kent geen rust totdat de Heer der heerlijkheid komt en daarin blijft. Van Zijn kant zal God, Die ‘een jaloerse God’ is, [5] niet genoegen nemen met slechts een deel van het hart. In het Oude Testament horen we Zijn stem roepen: ‘Mijn zoon, geef Mij uw hart’;[ 6] en in het Nieuwe Testament beveelt Hij: ‘Gij zult de Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel , en met heel uw verstand, en met al uw kracht.’ [7] Hij is degene die het hart van ieder mens op een unieke en onherhaalbare manier heeft gevormd, hoewel geen hart Hem volledig kan bevatten omdat ‘God groter is dan ons hart’. [8] Niettemin, wanneer de mens erin slaagt zijn hele hart tot God te keren, dan verwekt God Zelf het door het onvergankelijke zaad van Zijn woord, verzegelt het met Zijn wonderbaarlijke Naam en laat het schijnen met Zijn eeuwige en charismatische aanwezigheid. Hij maakt er een tempel van Zijn Goddelijkheid van, een tempel die niet door handen is gemaakt, die Zijn ‘vorm’ kan weerspiegelen en naar Zijn ‘stem’ kan luisteren en Zijn Naam kan ‘dragen’. [9] Kortom, de mens vervult dan het doel van zijn leven, de reden waarom hij in het vergankelijke bestaan ​​van deze wereld is gekomen.

De grote tragedie van onze tijd ligt in het feit dat we leven, spreken, denken en zelfs tot God bidden, buiten ons hart, buiten het huis van onze Vader. En waarlijk het huis van onze Vader is ons hart, de plaats waar ‘de geest van heerlijkheid en van God’ [10] rust zou vinden, opdat Christus ‘in ons gevormd mag worden’. [11] Inderdaad, alleen dan kunnen we heel worden en hypostasen worden naar het beeld van de ware en perfecte Hypostase, de Zoon en het Woord van God, die ons heeft geschapen en verlost door het kostbare bloed van zijn onuitsprekelijke offer.
Maar zolang we gevangen worden gehouden door onze hartstochten, die onze geest van ons hart afleiden en het naar de steeds veranderende en ijdele wereld van natuurlijke en geschapen dingen lokken, en ons zo van alle spirituele kracht beroven, zullen we niet weten wat de wedergeboorte uit den hoge die ons door genade kinderen van God en goden maakt. In feite zijn we op de een of andere manier allemaal ‘verloren zonen’ van onze Vader in de hemel, omdat, zoals de Schrift getuigt: ‘Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God.’ [12] De zonde heeft onze geest gescheiden van de levengevende beschouwing van God en hem naar een ‘ver land’ geleid. [13]In dit ‘verre land’ is ons de eer van de omhelzing van onze Vader beroofd en zijn we door het voeren van varkens onderworpen aan demonen. We gaven onszelf over aan oneervolle hartstochten en de vreselijke hongersnood van de zonde, die zich toen met geweld vestigde en de wet van onze leden werd. Maar nu moeten we uit deze goddeloze hel komen en terugkeren naar het huis van onze Vader, om de wet van de zonde die in ons is uit te roeien en de wet van Christus’ geboden in ons hart te laten wonen. Want de enige weg die uit de kwellingen van de hel naar de eeuwige vreugde van het Koninkrijk leidt, is die van de goddelijke geboden: met heel ons wezen moeten we God en onze naaste liefhebben met een hart dat vrij is van alle zonde.
De terugreis van dit afgelegen en onherbergzame land is niet gemakkelijk, en er is geen grotere honger dan die van een hart dat verwoest is door de zonde. Degenen in wie het hart vol is van de vertroosting van onvergankelijke genade, kunnen alle uiterlijke ontberingen en beproevingen doorstaan ​​en ze veranderen in een feest van geestelijke vreugde; maar de hongersnood in een verhard hart zonder goddelijke troost is een troosteloze kwelling. Er is geen groter ongeluk dan dat van een ongevoelig en versteend hart dat geen onderscheid kan maken tussen de lichtende Weg van Gods Voorzienigheid en de sombere verwarring van de wegen van deze wereld. Aan de andere kant zijn er door de geschiedenis heen mannen geweest wiens harten gevuld waren met genade. Deze uitverkoren vaten werden verlicht door de geest van profetie,
Hoe ontmoedigend en moeilijk de strijd om het hart te zuiveren ook mag zijn, niets mag ons van deze onderneming afhouden. We hebben aan onze kant de onuitsprekelijke goedheid van een God Die het hart van de mens tot Zijn persoonlijke zorg en doel heeft gemaakt. In het boek Job lezen we de volgende verbazingwekkende woorden: ‘Wat is de mens, dat je hem groot maakt? En dat u uw hart op hem zou zetten? En dat je hem elke ochtend zou bezoeken en hem elk moment zou moeten beproeven… Waarom heb je mij tot een teken tegen jou gezet, zodat ik mezelf tot last ben?’ [14] We voelen God, die onbegrijpelijk is en het hart van de mens achtervolgt: ‘Zie, ik sta aan de deur en klop aan: als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik bij hem binnenkomen en eten met hem, en hij met mij.’ [15] Hij klopt aan de deur van ons hart, maar Hij moedigt ons ook aan om op de deur van Zijn genade te kloppen: ‘Klop en er zal voor u worden opengedaan.’ [16] Als de twee deuren die Gods goedheid en het hart van de mens zijn, opengaan, vindt het grootste wonder van ons bestaan ​​plaats: het hart van de mens wordt verenigd met de Geest van de Heer, God viert feest met de mensenkinderen.
We beroven onszelf van het feest van Gods vertroosting, niet alleen wanneer we ons overgeven aan het verderf van de zonde, de varkens weidend in een ver land, maar ook wanneer we onachtzaam strijden. ‘Vervloekt zij hij die het werk van de Heer bedrieglijk doet’, waarschuwt de profeet Jeremia. [17] Bij het hoeden van varkens is het de duivel, onze vijand, die ons werk geeft dat vervloekt is. Maar als we het werk van de Heer halfslachtig doen, leggen we onszelf onder een vloek, hoewel we misschien in het huis van de Heer wonen. Want God tolereert geen verdeeldheid in het hart van de mens; Hij is pas tevreden als de mens met heel zijn hart tot Hem spreekt en met vreugde Zijn werk doet: ‘God heeft een blijmoedige gever lief’, zegt de apostel. [18] Hij wil dat ons hele hart aan Hem wordt toegewijd , en dan vult Hij het met de gaven van Zijn goedheid en de gaven van Zijn mededogen. Hij ‘zaait rijkelijk’ [19] maar dat verwacht Hij ook van ons.
Uit de paar gedachten die we hebben genoemd, beginnen we nu te zien hoe kostbaar het is om met ons hele hart voor God te staan ​​terwijl we het voor Hem uitstorten. We beginnen ook te begrijpen hoe belangrijk de taak is om het hart te ontdekken, omdat dit ons in staat stelt vanuit het hart met God en onze Vader te praten en door Hem te worden gehoord, en Hem het recht te geven om het werk van onze vernieuwing en herstel tot de oorspronkelijke eer die we als zijn zonen genoten.
Zolang de mens onder de heerschappij van zonde en dood staat, overgegeven aan de macht van het kwaad, wordt hij steeds egoïstischer. In zijn trots en wanhoop, en gescheiden zijn van God Die goed is, worstelt hij om te overleven, maar het enige wat hij wint is een zwaardere vloek op zijn hoofd en nog grotere verlatenheid. Maar hoezeer hij ook verdorven is door de hongersnood van de zonde, het oergeschenk dat hij geschapen is naar Gods ‘beeld en gelijkenis’ blijft onherroepelijk en onuitwisbaar. Zo draagt ​​hij altijd de mogelijkheid in zich om uit het koninkrijk van de duisternis op te stijgen naar het koninkrijk van licht en leven. Dit gebeurt wanneer hij ‘tot zichzelf komt’ en in zielspijn belijdt: ‘Ik kom om van de honger.’ [20]
Als de gevallen mens ‘tot zichzelf komt’ en zich tot God wendt, ‘is het tijd voor de Heer om te werken’, zoals we aan het begin van de Goddelijke Liturgie zeggen; in pijn gaat de mens dan zijn eigen hart binnen, wat de grootste eer is die God voor de ellendige mens heeft gereserveerd. God weet dat Hij nu serieus met hem kan praten, en is aandachtig voor hem, want wanneer de mens zijn hart binnenkomt, spreekt hij tot God met kennis van zijn ware toestand, waarvoor hij zich nu verantwoordelijk voelt. Inderdaad, de hele strijd van de mens wordt gevoerd om God ervan te overtuigen dat hij Zijn kind is, van Hemzelf, en wanneer hij Hem heeft overtuigd, dan zal hij in zijn hart die grote woorden van het Evangelie horen: ‘Alles wat ik heb is het uwe.’ [21]En op het moment dat hij God ervan overtuigt dat hij van Hem is, laat God de watervallen van Zijn mededogen stromen en wordt Gods leven zijn leven. Dit is het grote genoegen van Gods oorspronkelijke ontwerp, omdat Hij de mens hiervoor heeft geschapen. God zegt dan tegen degene die erin is geslaagd Hem ervan te overtuigen dat hij van Hem is: ‘Mijn hele leven, o mens, is uw leven.’ Dan schenkt de Heer, die van nature God is, de mens Zijn eigen leven en wordt de mens door genade een god.
In het evangelie van Sint-Lucas wordt ons verteld dat de verloren zoon ‘tot zichzelf kwam’ en zei: ‘Ik zal opstaan ​​en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden.’ [22] Dit is een wonderbaarlijk moment, een gedenkwaardige gebeurtenis in de spirituele wereld. Lijden, ellende en de dreigende hongersnood van het ‘verre land’ dwingen de mens om in zichzelf te kijken. Maar een enkele beweging van goddelijke genade is genoeg om de kracht van zijn ongeluk om te zetten in grote vrijmoedigheid, en hij is in staat zijn hart te zien en alle doodsheid waaraan hij lijdt. Nu, met profetische kennis, bekent hij stoutmoedig dat ‘zijn dagen in ijdelheid worden verteerd’. [23] Met pijn in zijn ziel ontdekt hij dat zijn hele leven tot dan toe bestaat uit een reeks mislukkingen en verraad aan Gods geboden, en dat hij op aarde geen goede daad heeft verricht die de ondraaglijke blik van de Eeuwige Rechter kan weerstaan. Hij ziet zijn benarde situatie en roept, net als de zwaar geteisterde Job, uit: ‘Hades is mijn huis.’ [24]
Met zo’n jammerklacht van wanhoop en alleen dorstend naar Gods gezegende eeuwigheid, kan de mens dan zijn hele wezen op de levende Heer richten. Hij kan uit het diepst van zijn hart roepen tot Hem Die ‘macht heeft over leven en dood: die leidt naar de poorten van de hel, en weer opwekt’. [25] Dit is het keerpunt in ons leven, want God de Verlosser begint dan met Zijn werk om de mens opnieuw vorm te geven.
Wanneer de mens in zonde valt, beweegt zijn geest zich naar buiten en verliest hij zichzelf in geschapen dingen, maar wanneer hij, zich bewust van zijn verderf, tot zichzelf komt om redding te zoeken, gaat hij naar binnen terwijl hij de weg terug naar het hart zoekt. Ten slotte, wanneer zijn hele wezen is verenigd in de eenheid van zijn geest en hart, is er een derde soort beweging waarin hij zijn hele wezen aan God de Vader overgeeft. De geest van de mens moet door deze drievoudige cirkelvormige beweging gaan om perfectie te bereiken.
Tijdens de eerste fase leeft en handelt de mens buiten zijn hart en koestert hij trotse gedachten en overweegt hij ijdele dingen. In feite verkeert hij in een staat van waanvoorstellingen. Zijn hart is verduisterd en zonder begrip. In zijn gevallen toestand vereert en dient hij het liefst ‘het schepsel meer dan de Schepper’. [26] Omdat hij zonder zijn hart leeft, heeft hij geen onderscheidingsvermogen en is hij ‘onwetend van [Satans] listen’. [27] Zoals het Oude Testament wijselijk opmerkt: ‘De dwaas heeft geen hart om wijsheid te verkrijgen’, [28] en omdat zijn hart niet de basis van zijn bestaan ​​is, blijft de mens onervaren en onvruchtbaar, ‘de lucht slaand’. [29] Hij is niet in staat om standvastig de weg van de Heer te bewandelen en wordt gekenmerkt door instabiliteit en dubbelzinnigheid.
In de tweede fase komt de mens ‘tot zichzelf’ en begint hij nederige gedachten te krijgen die genade aantrekken en zijn hart gevoelig maken. Nederige gedachten verlichten ook zijn geest; ze zijn in hemzelf geboren en ze helpen hem alleen die dingen te onderscheiden en te aanvaarden die het hart versterken, zodat het onwankelbaar blijft in zijn besluit om God te behagen, zowel in leven als in dood. Tijdens de eerste fase geeft de mens zich over aan een vicieuze cirkel van destructieve gedachten, terwijl hij in de tweede, geïnspireerd door het woord van Christus, langs een keten van gedachten wordt geleid, elk dieper dan de vorige: vanuit het geloof wordt hij geleid naar een meer volmaakt geloof, van hoop naar vastere hoop, van genade naar grotere genade en van liefde voor God naar een steeds grotere mate van liefde. ‘Wij weten’, zoals de apostel Paulus zegt, ‘dat alle dingen medewerken ten goede voor hen die God liefhebben.'[30] Inderdaad, deze intrede ‘in zichzelf’ en de ontdekking van het hart zijn het werk van goddelijke genade. En wanneer de mens gehoor geeft aan Gods roeping en meewerkt met de genade die hem wordt geschonken, roept deze genade zijn hele wezen op en versterkt het.

Wanneer de genade van de aandacht voor de dood actief wordt, ziet de mens niet alleen dat al zijn dagen in ijdelheid zijn verteerd, dat alles tot nu toe een mislukking is geweest en dat hij God zijn hele leven heeft verraden, maar hij beseft ook dat de dood dreigt wist alles uit wat zijn geweten tot nu toe heeft omarmd, zelfs God. Hij is er nu van overtuigd dat zijn geest de eeuwigheid nodig heeft en dat geen schepsel, noch engel noch mens, hem kan helpen. Dit daagt hem uit om vrijheid te zoeken van elk geschapen ding en elke gepassioneerde gehechtheid. En als hij dan in Christus’ woord gelooft en zich tot Hem wendt, dan is het gemakkelijk voor hem om zijn hart te vinden omdat hij een vrij wezen wordt. Zijn geloof is heilzaam, want hij erkent nu dat Christus de ‘beloner is van hen die Hem ijverig zoeken’, [31] dat wil zeggen, hij gelooft dat Christus de eeuwige en almachtige Heer is die is gekomen om de wereld te redden en zal terugkomen om de hele wereld met gerechtigheid te oordelen. Hij heeft zich toevertrouwd aan ‘de wet van het geloof’, [32] en begint te geloven in hoop tegen hoop, [33] alles op de barmhartigheid van God de Verlosser speldend. Zo’n waar geloof kan worden gezien in de Kanaänitische vrouw, die de instructies van de Heer ontving zoals een hond voedsel van zijn baas krijgt, en ze volgde Hem vrij en standvastig. Wat haar betreft bleef God rechtvaardig en zegende Hij voor altijd, of Hij haar nu berispte of loofde. Een dergelijk geloof krijgt de goedkeuring van adoptie omdat het voortkomt uit liefde en nederigheid en altijd goddelijke genade aantrekt die het hart opent en verlevendigt.

Wanneer de mens gelooft en zijn geest het ware contact vindt met de Geest van ‘Jezus Christus die uit de dood is opgewekt’ [34] en die leeft en regeert voor altijd, wordt hij verlicht zodat hij zijn geestelijke armoede en verlatenheid kan zien. Hij bemerkt ook dat hij nog ver verwijderd is van het eeuwige leven, en dit wekt grote angst in hem op, omdat hij zich nu bewust is dat God afwezig is in zijn leven. Godvruchtige vrees als deze sterkt het hart van de mens om de zonde te weerstaan ​​en brengt een vast besluit voort om hemelse dingen te verkiezen boven aardse dingen. Zijn leven begint de waarheid van de woorden van de Schrift te bewijzen: ‘De vreze des Heren is het begin van wijsheid.’ [35] Terwijl het hart van de mens de genade van God naar zich toe trekt, vernedert deze gave van angst hem en voorkomt dat hij overmoedig wordt; dat hij ‘niet hoger van zichzelf denkt dan hij zou moeten denken’, [36] en dat hij zich voorzichtig binnen de grenzen van het geschapen wezen houdt.
Een ander onfeilbaar middel waarmee de gelovige zijn hart vindt, is het aanvaarden van schaamte voor zijn zonden in het sacrament van de biecht. Christus heeft ons gered door het kruis van schaamte voor ons te dragen. Evenzo, wanneer de gelovige uit het kamp van deze wereld komt [37] , negeert hij zijn goede mening en oordeel, neemt hij de schande van zijn zonden op zich en verwerft daardoor een nederig hart. De Heer ontvangt zijn gevoel van schaamte voor zijn zonden als een offer van dankzegging, en schenkt hem de genade van Zijn grote Offer aan het Kruis. Deze genade reinigt en vernieuwt zijn hart zo dat hij dan voor God kan staan ​​op een manier die Hem behaagt.
Er zijn veel ideeën, theorieën en praktijken die bijdragen aan het ontwaken, de opbouw, het behoud en de verlichting van het hart, en uiteindelijk tot de op Christus gelijkende vergroting, en we zullen er de komende dagen een aantal van ontwikkelen. Voorlopig wil ik er nog twee noemen: gebed en berouw.
In het Jezusgebed trekt het aanroepen van de Naam van de Heer de gelovige in de levende tegenwoordigheid van de Persoonlijke God, Wiens energie aan het hart wordt gegeven en de hele mens verandert. Wanneer gebed nederig is en gepaard gaat met het beoefenen van waakzaamheid, is de geest geconcentreerd in het hart dat de verblijfplaats is van onze geliefde God, en geeft Hij ons een wonderbaarlijk gevoel van Zijn nabijheid dat verder gaat dan woorden.
Wat bekering betreft, deze alomvattende praktijk bouwt en houdt het hart meer dan enige andere onderneming. Bekering heeft een wonderbaarlijk en heilig doel. De persoon die zich bekeert, getuigt van de levende God van onze Vaders als een God Die rechtvaardig en waar is in al Zijn verlangens, al Zijn wegen en oordelen. Maar bekering erkent ook het feit dat de mens een leugenaar is, [38] misleid door de zonde, en daarom beroofd van de eer en heerlijkheid die God hem in het begin gaf. En dit is waar de persoon die zich wil bekeren moet beginnen: hij belijdt zijn zondigheid en neemt zijn zonde op zich in nederigheid en zelfveroordeling. Er is geen spoor van durf in zijn bekering, en hij wordt trouw en trekt de Geest van Waarheid aan, Die hem reinigt van zonde en hem rechtvaardigt. [39] Zoals St Silouan altijd zei, de Heilige Geest getuigt in zijn hart van zijn redding. [40] Maar ook de Heer is gerechtvaardigd, want Hij is waarachtig Die de woorden van Zijn Profeet bevestigt: ‘De offers van God zijn een gebroken geest: een gebroken en verslagen hart, o God, u zult niet verachten.’ [41] Want wanneer de mens tot zichzelf komt en vrijuit vanuit zijn hart zegt: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, en ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden’, dan klinkt de stem van hemelse goedheid in zijn ziel: ‘Alles wat ik heb is van jou.’ [42]
Om te beginnen heeft de mens berouw van zijn zonden. Maar naarmate de genade van bekering toeneemt, wordt zijn vervreemding van het eeuwige leven genezen en gaat de wijsheid van Gods vooreeuwige plan met betrekking tot de mens voor hem open. Het beeld [43] van zijn archetype, Christus, wordt geleidelijk in zijn hart gevormd naarmate hij steeds duidelijker zijn roeping ziet om te worden zoals Hij, ‘naar het beeld van hem die hem heeft geschapen’ [44] en hij vergelijkt zichzelf niet langer met stervelingen, maar met de eeuwige God. Dit visioen leidt hem naar de volheid van berouw, dat wil zeggen berouw op het ontologische niveau, dat volgens vader Sophrony geen einde heeft op aarde.
In de vroege stadia van berouw draagt ​​de gelovige het kleine kruis dat Gods Voorzienigheid, in Zijn onderscheidingsvermogen en liefde voor de mensheid, heeft voorzien in het leven van ieder van ons. Ons persoonlijke kruis is gevormd volgens onze specifieke behoefte om bevrijd te worden van elke vorm van hartstochtelijke gehechtheid, en tenzij we het dragen, zullen we nooit in staat zijn om God onze Schepper en Weldoener met een vrij hart lief te hebben en Zijn weg trouw en gestaag te volgen. Met andere woorden, we nemen ons kruis op als reactie op het gebod om ons te bekeren, en het wordt de sleutel tot onze toegang tot de grote en eeuwige erfenis, die Christus voor ons verwierf door Zijn kruis en opstanding.
Maar er zijn geen grenzen aan het berouw van de mens. De hoogste vorm van berouw waarvoor God een uitzonderlijke mate van genade schenkt, is wanneer de mens een kreet van berouw uitspreekt voor het hele menselijk ras en, net als een andere Adam, de kosmische gevolgen van zijn eigen gevallen staat waarneemt. We zien voorbeelden van dit soort bekering in de drie heilige kinderen in Babylon, in de grote apostel Paulus, in de nederige voorspraak van alle heiligen, en last but not least, in het gebed van de heilige Silouan voor de hele wereld: ‘Ik bid U O barmhartige Heer voor alle volkeren der aarde, dat zij U mogen leren kennen door Uw Heilige Geest.’ [45] De diepte van dit bedrieglijk eenvoudige gebed kan worden onderscheiden in Adam’s jammerklacht, zijn persoonlijke portret van universeel berouw.Hoe wordt berouw dan universeel in zijn inhoud? Als we de grond van ons hart voorbereiden met de ploeg van bekering en deze voortdurend bevloeien met het levende water van genade, zal er een tijd komen dat ‘de dag zal aanbreken en de dagster zal opstaan ​​in ons hart’. [46] Op een gegeven moment zal de energie van de Geest van Waarheid, die zich in het hart heeft opgehoopt, het hart oneindig openen en vergroten, en het zal hemel en aarde omarmen, en alles wat bestaat. Op deze dag zal de mens de Waarheid binnengaan en zo wedergeboren worden als ware mens. Dan, volgens de profetische woorden van de Psalmist, ‘gaat de ware mens voort tot zijn ware werk en arbeid tot de avond van zijn leven.’ [47] Hij zal dan weten hoe hij ‘heiligheid volmaakt in de vreze Gods’, [48] om na te denken over ‘alles wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat zuiver is, al wat lieflijk is, al wat goed is’, [49] alleen die dingen ondernemend die bijdragen aan zijn geestelijke vervolmaking. De vrede van Christus, de Vredevorst [50] zal heersen in zijn hart, en elk woord van hem zal de schat van volmaaktheid weergalmen die hij in zich draagt. Hij zal offeren wat overvloeit uit de goede schat van zijn hart uit liefde voor zijn medemensen en zijn vergrote hart [51]zal niemand uitsluiten. Zijn geest zal eeuwige hoogten beklimmen en de diepten van de oordelen van Gods mededogen overzien. Hij zal zijn gebed opzenden, elke ziel voor de Heer brengend, en bidden dat God het hart van een ieder mag vervullen met de onvergankelijke troost van Zijn Geest.
Wanneer het hart aldus volledig aan de Heer Jezus wordt gegeven, overschaduwt Hij het met Zijn messiaanse macht, want Hij bezit de wonderbaarlijke sleutel van David, die, met een enkele draai naar rechts, ‘elke gedachte in gevangenschap brengt tot de gehoorzaamheid van Christus’. [52] De nederigheid van zijn gedachten wekt intense spirituele energie in hem op, wat de ziel van inspiratie en uithoudingsvermogen voedt in het volgen van de goede Heer ‘waar hij ook gaat’, [53] zelfs naar de hel. Maar nogmaals, een enkele draai naar links van deze sleutel opent de weg voor alle gedachten van de vijand om terug te keren naar de boezem van de mens. Mocht dit gebeuren, dan zal hij geestelijke waakzaamheid verwerven, die met engelenprecisie zal worden uitgevoerd, waardoor de gelovige deelgenoot wordt van de bovenkosmische overwinning van onze God en Heiland. Vanaf dit punt is zijn strijd in wezen positief van karakter en slechts zelden negatief. De asceet werkt nu met een steeds groter verlangen ‘om bekleed te worden met ons huis dat in de hemel is… opdat de sterfelijkheid zou worden verzwolgen door het leven’, [54] en hij is getuige van de krachtige en oneindige ‘toename van God’ [55] in zichzelf.
Het hart is nu gezuiverd door de genade van God, en het intellect kan zich daar gemakkelijk vestigen, door het aanroepen van de Naam van Christus. Waarop het hart, heel natuurlijk, onophoudelijk begint te huilen met ‘onuitsprekelijke zuchten’. [56] Vanaf deze tijd is de Heer altijd aanwezig, wonend in ons hart, en ‘door God geleerd’, [57] leren we te onderscheiden welke gedachten in harmonie zijn met Zijn aanwezigheid en welke Zijn komen en blijven belemmeren in ons. Met andere woorden, we worden ingewijd in het profetische leven. Het hart wordt opgedragen om goede zaken [58] te begrijpen, de taal van God te begrijpen en met heilige vastberadenheid onophoudelijk te roepen: ‘Mijn hart is gereed, o God, mijn hart is gereed: ik zal zingen en loven’ tot mijn Verlosser .[59] Ons wordt geleerd hoe we tekenen van de Geest kunnen worden, getuigend van de waarheid van Hem die is gekomen om ons te redden en die zal terugkomen om de wereld te oordelen met gerechtigheid en goedheid. Met al onze kracht en in al onze inspanningen proberen we aan de verwachtingen van onze Heer te voldoen, wetende dat ‘de Heer de heilige harten liefheeft en dat alle onberispelijke personen bij Hem welgevallig zijn’. [60]
Ik heb niet veel gezegd, maar ik hoop dat het duidelijk is dat het belangrijkste werk van de mens, dat alleen waarde geeft aan zijn leven, de inspanning is om zijn ‘diepe hart’ te ontdekken en te zuiveren, opdat het gezegend mag worden met de onbeschrijfelijke beschouwing van onze God , Wie is Heilig.

Bron: Archimandrite Zacharias (Zacharou), De verborgen man van het hart , uitgave Stavropegic Monastery of St John the Baptist, Essex 2007, pp. 11-26.
Nederlandse vertaling : Kris Biesbroeck

IMG_5879-kopie-1140x855

Vader Bernard Pechstadt (Brugge) met echtgenote en in het midden archimandriet Zacharias Zacharou.

OPMERKINGEN

1. Zie Ps. 64:6.
2. Zie Lukas 17:21.
3. Prov. 4:23.
4. Prov. 15:14.
5. Exodus. 34:14.
6. Prov. 23:26.
7. Mat. 12:30.
8. 1 Johannes 3:20.
9. Zie. Johannes 5:37; Handelingen 9:15.
10. 1 Huisdier. 4:14.
11. Gal. 4:19.
12. Rom. 3:23.
13. Lukas 9:15.
14. Job 7:17-18, 20.
15. Openb. 3:20.
16. Lukas 11:9-10.
17. Jer. 48:10.
18. 2 Kor. 9:7.
19. Zie. 2 Kor. 9:6.
20. Lukas 15:17.
21. Lukas 15:31.
22. Lukas 15:18-19.
23. Zie. Ps. 78:33.
24. Zie. Baan 17:13.
25. Wijsheid van Salomo 16:13.
26. Rom. 1:25.
27. 2 Kor. 2:11.
28. Zie. Prov. 17:16.
29. Zie. 1 Kor. 9:26.
30. Rom. 8:28.
31. Hebr. 11:6.
32. Rom. 3:27.
33. Zie. Rom. 4:18.
34. 2 Tim. 2:8
35. Prov. 1:7 LXX.
36. Rom. 12:3.
37. Zie. Hebr. 13:11-12.
38. Zie. Rom. 3:4.
39. Zie. 1 Johannes 1:8-10.
40. Archimandriet Sophrony (Sacharov), Heilige Silouan de Athonite , vert . Rosemary Edmonds (Tolleshunt Knights, Essex: Patriarchaal Stavropegic klooster van Johannes de Doper, 1991), p. 304.
41. Ps. 51:17.
42. Lukas 15:18-19, 31.
43. Zie. Johannes 5:37.
44. Kol. 3:10.
45. Zie. Sint Silouan, op. 274.
46. ​​Zie. 2 Huisdier. 1:19.
47. Zie. Ps. 104:23.
48. 2 Kor. 7:1.
49. Fil. 4:8.
50. Jes. 9:6.
51. 2 Kor. 6:13.
52. 2 Kor. 10:5.
53. Openb. 14:4.
54. 2 Kor. 5:2-4.
55. Kol. 2:19.
56. Rom. 8:26.
57. Zie. Johannes 6:45.
58. Zie. Ps. 45:1.
59. Ps. 56:7 LXX.
60. Prov. 22:11 LXX.

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie