
Sermon toegekend aan H. Efraïm (ca. 306-373)
diaken in Syrië
OVER HET BEROUW

Efraïm de Syriër
“De Mensenzoon moet worden verheven: opdat ieder die in Hem gelooft, het eeuwige leven zou hebben”
Toen het volk gezondigd had in de woestijn (Nm 21,9v), beval Mozes, die profeet was, aan de Israëlieten om een slang op een kruis te plaatsen, dat wil zeggen de zonde te doden. (…) Men moest naar een slang kijken, omdat de kinderen van Israël als straf door de slangen getroffen waren. En waarom door slangen? Omdat ze het gedrag van onze eerste ouders hadden herhaald. Adam en Eva hadden beiden gezondigd door de vrucht van de boom te eten; de Israëlieten hadden gemopperd over het voedsel. Klagen omdat men groente mist, is het toppunt van gemopper. Daarom verklaard de psalm: “Ze waren in de wildernis weerspannig tegen God” (Ps 78,17). Welnu, ook in het Paradijs is de slang de oorsprong van gemor. (…)
De kinderen van Israël moesten ook leren dat diezelfde slang die de dood van Adam had beraamd, ook hun dood had veroorzaakt. Mozes had dus de slang op het hout geplaatst, opdat zij die het zagen, door de gelijkenis herinnerd zouden worden aan de levensboom. Zij die er immers naar keken, waren gered, zeker niet dankzij de slang, maar door hun bekering. Ze keken naar de slang en ze herinnerden zich hun zonde. Omdat ze gebeten waren, hadden ze berouw, en nogmaals werden ze gered. Hun bekering transformeerde de woestijn in een woonplaats voor God; het zondige volk werd door het berouw een kerkelijke gemeenschap en nog beter, ondanks zichzelf aanbad het volk het kruis.
Evangelizo.org
