
HEILIGENLEVEN
De heilige Herman van Alaska

De heilige Herman van Alaska werd in de buurt van Moskou geboren in 1756. Zijn vader was winkelier en de jongen mocht naar school zodat hij tenminste leerde lezen. Toen hij 16 jaar oud was trad hij in bij het Sergios-klooster, dat wil zeggen niet in het eigenlijke klooster, maar in een vestiging bij de Finse Golf. Hier had hij te lijden van een etterende zweer aan zijn hals, die steeds erger werd en zijn kracht ondermijnde. Het maakte hem wanhopig en hij bleef een gehele nacht bidden en smeken voor de icoon van de heilige Moeder Gods. Toen hij ten slotte geheel uitgeput was, veegde hij met een doek over de icoon en bond de doek om zijn hals. Daarop viel hij in onmacht en in een droom zag hij de heilige Maagd bij hem staan en hij voelde hoe zij zijn opgezwollen gezicht aanraakte. Hij schrok overeind en was genezen: slechts een klein litteken herinnerde aan het gezwel. Sindsdien voelde hij zich onder de rechtstreekse bescherming van de Moeder Gods.
Herman werd aangetrokken tot een zo verborgen mogelijk leven en na vijf of zes jaar begaf hij zich naar het om zijn vroomheid beroemde Valaam-klooster in het Ladogameer‚ dat gedurende acht maanden van het jaar door het ijs van de wereld is afgesloten, en in de resterende maanden slechts met grote moeite kon worden bereikt Zijn aantrekkelijke persoonlijkheid en vriendelijke karakter wonnen de genegenheid van alle mede-monniken, en Herman geldt als de heiligste monnik die van dit klooster naar elders is vertrokken. Er was een plek, die nog “Hermanova” heet, waar hij vaak heenging om, soms dagenlang, te bidden, tot enkele broeders hem kwamen halen.
Vader Herman had de ziel van een dichter en hij raakte diep ontroerd door de schoonheid die op zo veelvuldige wijze op het eiland aanwezig was: de weiden vol bloemen, de donkere wouden, de vele vogels, de sneeuw op de bomen, de eindeloze vlakte van het bevroren meer, of de opgezweepte golven tijdens de zware stormen. Zijn taak was, naast het werk op het land en in de werkplaatsen, vis te vangen voor de maaltijden van de vele pelgrims die het klooster kwamen bezoeken. Ver op het water genoot hij dan van het uitzicht op zijn geliefd Valaam met zijn witte muren en gouden koepels onder de blauwe hemel, de schilderachtige kerkjes en de hoge rotsen, met daartussen de processies van de pelgrims met wapperende banieren en flikkerende kaarsen, met heilige zang en klokgelui, zoals hij later in zijn brieven met heimwee zal vermelden.
Maar vooral had hij een grote liefde voor zijn medebroeders, hun eenvoud, hun deemoed, hun onschuld, hun kinderlijkheid. Het waren herinneringen die niet konden worden uitgewist door alles wat hem in zijn verdere leven nog zou overkomen.
Toen de Heilige Synode in 1793 besloot een missiepost te organiseren op het Kodiak-eiland in de Behringstraat, was Herman een van de eerste vrijwilligers die aangenomen werden voor de evangelie-prediking aan de Aleoeten van Amerika, de eerste overzeese Russische missie. Daarvoor werden acht monniken aangewezen uit de beste Russische kloosters, en Herman was een van hen. De groep vertrok op 22 januari 1794 uit Moskou en doorkruiste heel Siberië. Zij gingen scheep in Ochotsk naar Kodiak, dat zij bereikten op 24 september van dat jaar.
De volgende winter trokken zij rond van dorp tot dorp om de mensen te vertellen over de Verlosser. De bevolking luisterde met open oor naar deze belangeloze mannen, zij wierpen hun afgoden in het vuur en lieten zich bij duizenden dopen. Er was een grote wederzijdse genegenheid tussen de monniken en de bevolking. Doch deze ontwikkeling mocht niet zo blijven. De Russische handelaren, onder leiding van een misdadige Baranov, voelden zich gehinderd door de aanwezigheid van de monniken, die hun bandeloze levenswijze en hun meedogenloosheid tegenover de inlanders veroordeelden. Alles werd in het werk gesteld om hen te verdrijven, en dit gelukte op den duur. Sommige missionarissen stierven, enkelen werden vermoord of verdronken. De anderen waren door ziekte verzwakt en keerden naar Rusland terug. Alleen Vader Herman hield stand, maar het leek hem toch verstandiger niet op Kodiak te blijven. Hij opende een missiepost op het onbewoonde eiland Spruce (Elevoi), onder de naam Nieuw-Valamo.
Op dit eilandje bouwde vader Herman een cel voor zichzelf, een kerkje en een tehuis voor autochtone weeskinderen. Later kwamen ook enkele Aleoetische families op het eiland wonen. Toen een van hen vader Herman vroeg of hij zich niet eenzaam voelde. gaf deze ten antwoord: “Ik ben helemaal niet alleen! God is overal en dus ook hier. Zijn engelen evenzeer. Hoe kan ik dan eenzaam zijn met zulk een gezelschap? Kunnen we niet beter bij hen zijn dan bij de mensen?”
Hij zag er zacht en breekbaar uit, bleek, maar onverzettelijk. Als hemd droeg hij een hertenhuid, met een zware ketting, en daaroverheen een verstelde en versleten habijt. Aan zijn voeten sandalen van een stuk ruw leer, soms ging hij barrevoets. In deze ontoereikende kleding trok hij over heuvel en dal, door regen en sneeuw, door hitte en koude. Een houten bank met een zeehondenvel was zijn bed, een paar bakstenen vormden zijn hoofdkussen, een stuk karton diende als deken. Zijn persoonlijke gewoontes waren uiterst eenvoudig: karig eten, weinig slapen, langdurig bidden en hard werken. Verdraagzaam tegenover de zwakheid van anderen, vroeg hij niemand om mee te doen met zijn ascetische levenswijze. Hij had vriendschap met wilde dieren, vogels en eekhoorns hielden hem gezelschap, de woeste beer at uit zijn hand.
Zijn afgeslotenheid was niet een vlucht uit de wereld: wanneer ergens iets nuttigs te doen viel, kwam hij direct tevoorschijn. Zijn voornaamste levensdoel was de eilandbewoners te helpen en vooruit te brengen. Hij beschouwde ze als kinderen die bescherming en leiding nodig hadden. Altijd sprong hij voor hen in de bres bij de handelscompagnie. Hij verzorgde hen, zowel letterlijk als figuurlijk. Toen er een epidemie op Kodiak uitbrak, die veel slachtoffers eiste, kwam hij het dorp niet meer uit maar trok van hut naar hut, om de zieken te verplegen, de wenenden te troosten, met de stervenden te bidden.
Het is geen wonder dat hij zo geliefd was bij de autochtone bevolking. Zij kwamen van heinde en ver om hem te horen vertellen over Christus en hoezeer Deze hen liefhad. Zo bracht hij saamhorigheid waar twist was geweest, en de moedelozen kwamen bij hem en kregen weer Gods vrede in hun hart. De weeskinderen vonden bij hem een thuis, hij leerde ze lezen en schrijven, en samen met hen werkte hij voor hun levensonderhoud. Er was een moestuin, er werd vis gevangen, er werden bessen en paddenstoelen gezocht
De mensen gingen hem steeds beter begrijpen. Toen hij weer eens erover sprak hoe Jezus Zijn leven had gegeven om de mensen te redden, en dat het ook onze plicht was Hem daarbij te helpen, kwam er een jonge vrouw naar hem toe en bood zichzelf aan voor de dienst van God. Vol vreugde aanvaardde Vader Herman haar als moeder voor zijn weeskinderen.
Maar hij vergat ook de blanken niet die daar werkten, en verschillenden wist hij te bekeren van hun bandeloosheid en tot Christus te brengen. Een van zijn bekeerlingen was de opvolger van Baranov, een zee-officier die er zich op beroemde godloos te zijn en verachtelijk sprak over het christendom. Hij hoorde spreken over de vrome monnik en nodigde hem bij zich thuis op Kodiak, waar ze nachtenlang met elkaar discussieerden over geloof, onsterfelijkheid en verlossing. Het scheen niet tot iets te leiden, maar jaren later schonken hij en zijn kinderen alles weg wat ze bezaten, en traden in verschillende kloosters.
Eens werd hij uitgenodigd aan boord van een Russisch oorlogsschip, om de maaltijd te gebruiken met de kapitein en zijn officieren. Na het diner kwam het gesprek op ernstiger zaken, en de vraag werd gesteld wat nu het eigenlijke levensdoel was, waar iemands liefde naar uitging en wat men wensen moest om gelukkig te zijn. Er kwamen natuurlijk verschillende antwoorden, als: veel geld, roem in de oorlog, een mooie vrouw, het beheer over een fijne schuit. Vader Herman ging hierop in en gaf als samenvatting: “Wil iedereen niet datgene wat hem het meest beminnenswaardig toeschijnt?” Zij moesten hem gelijk geven. Maar hij ging verder: “Als dit waar is, wat is er dan beter, hoger, edeler en beminnenswaardiger dan onze Heer Jezus Christus, de Schepper van hemel en aarde, de Oorsprong van al wat leeft, Die voor alles zorgt, Die allen liefheeft‚ Die de vleesgeworden liefde is? Zouden we niet boven alles God moeten beminnen en Hem moeten zoeken en naar Hem verlangen?” Een beetje in de war antwoordden de officieren dat dat natuurlijk vanzelfsprekend was. Toen vroeg hij of ze dan God beminden. “Natuurlijk houden we van God”, was hun antwoord, “hoe zou iemand Hem niet kunnen beminnen?” Toen boog de oude man het hoofd en zei: “lk, arme zondaar, al veertig jaar span ik mij in om God lief te hebben, en nog steeds kan ik niet zeggen dat ik Hem zo liefheb als ik zou moeten. Want God liefhebben wil toch zeggen: altijd aan Hem denken, Hem dag en nacht dienen, en in alles Zijn wil te doen. Hebt u dat wel bereikt?” En toen zij beschaamd moesten toegeven dat ze dit toch niet konden zeggen, zei hij weer: “Mijn vrienden, ik smeek jullie, dat je dan toch van deze dag af, neen, vanaf dit uur, vanaf deze minuut, God gaat beminnen boven alles”. De officieren dachten stil na, het bleef in hun hoofd hangen, en ze hebben het later beschreven.
De laatste zeven jaren van zijn leven was vader Herman blind, maar zo oud en zwak als hij was, hij stond toch steeds klaar om de employés van de maatschappij te verdedigen tegen de hardheid van de leiders. Tegen sommigen die hardnekkig bleven, wist hij de nauwkeurige omstandigheden en de tijd te voorspellen waarop zij zelf in nood zouden verkeren. Ook mocht hij op wonderbare wijze verschillende grote ongelukken tegenhouden waaraan de bevolking ten prooi viel.
Toen zijn dagen ten einde liepen, gaf hij instructies hoe hij begraven moest worden. Het was nutteloos een priester daarvoor te vragen, want die zou toch niet komen. Hij liet de handelingen der apostelen lezen, en in het midden van het boek werd de cel vervuld van licht, terwijl zijn gelaat licht uitstraalde. Zo stierf vader Herman op de 15e november van het jaar 1836. Hij werd begraven zoals hij wenste, want nadat een priester gevraagd was te komen, stak een storm op die de overtocht onmogelijk maakte, en deze hield een maand lang aan, totdat zijn eigen helper en weeskinderen hem hadden begraven. Het gras op zijn graf bleef altijd groen, zomer en winter, en het kruis op zijn graf toonde na 30 jaar geen teken van verwering. Zijn gedachtenis wordt ook gevierd op 12 december.
