HEILIGENLEVEN
De heilige Jakobus de Pers

De heilige Jakobos de Pers, was afkomstig uit Beth-Lapetha, een koningsstad in Perzië, en van hoge geboorte. Hij bekleedde een belangrijke regeringspost, en toen bisschop Abdias een heidense tempel in brand had gestoken en daardoor een christenvervolging had ontketend, beschouwde hij zich niet langer als christen. Hij wilde zijn positie behouden bij koning Yasdager (399-425), zijn persoonlijke vriend.
Zowel zijn vrouw als zijn moeder waren hierover verontwaardigd en gingen niet langer met hem om. Na de dood van de koning schreven zij hem een brief om toch eens te letten op wat er gebeurde met de koning, voor wie hij aan de eeuwige God had verzaakt. En dat hij, wanneer hij in zijn afvalligheid volhardde, ook deel zou hebben aan diens eeuwige dood.
Deze brief maakte in deze omstandigheden grote indruk op Jakobos. Hij begon na te denken over het lot dat hij zich door zijn ontrouw zou verwerven op de dag van het oordeel. Hij ging niet meer naar het hof, vermeed het gezelschap van wie hem kon overhalen, en beweende zijn val.
De nieuwe koning, aan wie dit was overgebracht, ontbood hem. Jakobos beleed nu openlijk christen te zijn. De vorst verweet hem zijn ondankbaarheid tegenover de weldaden die hij van de vorige koning ontvangen had. Jakobos vroeg toen: “Waar is die koning nu? Wat is er van hem geworden?” En toen hij met de dood werd bedreigd zei hij: “Laat mij maar de dood van de rechtvaardigen sterven; de dood is niet meer dan een slaap”.
Door deze discussies werd de koning steeds woedender en hij besliste dat Jakobos op de pijnbank gespannen moest worden en dat stuk voor stuk al zijn ledematen moesten worden afgesneden, te beginnen met zijn duim. Zodra dit wrede vonnis bekend werd, stroomde een menigte nieuwsgierigen bijeen om het schouwspel mee te maken. Jakobos vroeg een kort respijt, viel op de knieën, zag opwaarts naar de hemel en bad met grote vurigheid. Daarna verklaarde hij zich gereed om alles te ondergaan.
En hij zei: “Deze dood, die jullie zo verschrikkelijk vinden, is slechts een kleine prijs voor de heerlijkheid van het eeuwige leven”. En tot de beulen: “Aarzel niet, begin uw werk”. ‘
Toen zijn duim werd afgesneden, riep Jakobos: “Verlosser der christenen, ontvang een twijg van Uw boom. Ik zal ten onder gaan, zoals de wijnstok sterft in de winter, maar ik zal weer uitlopen en bekleed worden met heerlijkheid”.
Bij elke volgende vinger en teen die werd afgesneden, bad hij met dergelijke woorden, en de vreugde die in zijn hart brandde, straalde van zijn gelaat. Bij de grote verwondingen werd hij steeds zwakker door bloedverlies, maar hij bleef vol blijdschap God verheerlijken met steeds zachtere stem, totdat zijn hoofd van de totaal verminkte romp werd gescheiden. Zo stierf hij, in het jaar 421.
Bron : heiligenlevens voor elke dag : orth.klooster Den Haag
