
12e zondag na Pinksteren
“DE RIJKE JONGEMAN”

LEZINGEN
1Korintiers 15, 1- 11
DE VERRIJZENIS VAN CHRISTUS
1Broeders, ik vestig uw aandacht op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat gij hebt ontvangen, waarop gij gegrondvest zijt 2en waardoor gij ook gered wordt: in welke bewoordingen heb ik het u verkondigd? Ik neem aan dat gij die onthouden hebt; anders zoudt gij het geloof zonder nadenken hebben aanvaard. 3In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, 4en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, 5en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf. 6Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. 7Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. 8En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte. 9Ja, ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd. 10Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen, niet ik, maar de genade van God met mij. 11Maar of zij het nu zijn of ik, dat verkondigen wij en dat hebt gij geloofd.
Evangelie :
Mattheus 19,16-26 :
DE RIJKE JONGEMAN
16Eens kwam iemand naar Hem toe om te vragen: “Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?” 17Hij zeide hem: “Waarom wilt ge van Mij weten wat goed is? Een slechts is er goed. Als gij het Leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden.” 18“Welke?” vroeg hij. Jezus antwoordde: “De bekende: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, 19eer uw vader en uw moeder en gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” 20“Dat heb ik allemaal onderhouden”, verklaarde de jongeman,“waar schiet ik nog tekort?” 21Jezus sprak tot hem: “Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen.” 22Maar toen de jongeman deze raad hoorde, ging hij ontdaan heen, omdat hij vele goederen bezat. 23Nu sprak Jezus tot zijn leerlingen: “Voorwaar, Ik zeg u: voor een rijke is het moeilijk het Rijk der hemelen binnen te gaan. 24Nog sterker: voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.” 25Toen de leerlingen dit hoorden, stonden zij verbijsterd en vroegen: “Wie kan er nu eigenlijk gered worden?” 26Jezus keek hen aan en zei: “Dit ligt niet in de macht der mensen, maar voor God is alles mogelijk.”

