Heilige Gregorios Palamas

Palamas gr

Heiligenleven

De heilige Gregorius Palamas

De heilige Gregorius Palamas, aartsbisschop van Thessalonika. Hij was geboren in Constantinopel in 1296. Zijn vader was senator en het gezin had 7 kinderen, van wie Gregorios de oudste was. Hij deed met groot succes zijn studies in filosofie, en men sprak reeds van een nieuwe Aristoteles. Maar de ernstige Gregorios zocht veel meer naar een geestelijk leven. Reeds tijdens zijn studietijd stelde hij zich onder de leiding van een bekende monnik, Theoleptos van Filadelfia, die hem de begindselen van het innerlijk gebed leerde.
Toen hij 20 jaar oud was, besloot Gregorios de wereldse zorgen te verlaten. Reeds toen bleek de macht van zijn persoonlijkheid, want twee broers, twee zusters, zijn moeder en een aantal bedienden kozen het monastieke leven. Gregorios en zijn broers trokken te voet naar de Athos en vonden onderdak in de omgeving van Watopedi.
Het monastieke leven was eigenlijk slechts een voortzetting en ontwikkeling van het leven dat hij van kinds af had geleid, zodat er geen aanpassingsmoeilijkheden waren, en Gregorios grote voortgang maakte in het geestelijk gebed. Nadat een van zijn broers en zijn geestelijke vader waren gestorven, sloot hij zich, samen met zijn andere broer, aan bij de Grote Laura. Daar werd hij aangewezen als zanger en hij volbracht die dienst met grote ijver. Daarbij leidde hij een uiterst gestreng leven: hij scheen gewichtsloos en leek soms in maanden niet te slapen.
Nadat hij zo drie jaar in de gemeenschap had geleefd, ging hij naar een kleine kellion, waar hij onder leiding van een andere Gregorios het hesychastisch gebed beoefende, het gebed van het hart.

Deze rust duurde echter niet lang, zij werden telkens lastig gevallen en bedreigd door Turkse zeerovers, waardoor ze van de Athos verdreven werden. Op weg naar de Sinaï werd hij vastgehouden in Thessalonika om leiding te geven aan een lekenkring voor geestelijk leven. Toen hij 30 jaar oud was, werd hij daar priester gewijd. Hij stichtte toen een kluizenarij in de buurt van Berea, waar hij gedurende vijf jaar in afzondering leefde gedurende vijf dagen per week. Alleen de zaterdag en zondag kwam hij bij de anderen.
Toen de streek onveilig werd gemaakt door de steeds weer invallende Serven, ging Gregorios naar de Athos terug, nu naar het kellion van de heilige Sabbas, wat hoger dan de Grote Laura. Nadat hij hier tot het mystieke schouwen was gekomen, begon hij geschriften uit te geven over het gebed. Hij celebreerde als priester de heilige Liturgie op zulk een innige wijze, dat alle aanwezigen diep geroerd werden. De monniken van het klooster Esphigmenou vroegen hem in 1335 hun hegoumen te worden, maar zijn levenswijze, en de eisen die hij stelde, waren niet geschikt voor een klooster van 200 man man, zodat hij na een jaar naar zijn kluis terugkeerde.
In die tijd was Barlaam, een monnik uit het byzantijnse Zuid-ltalië, in Griekenland aangekomen. Hij was een briljant geleerde, die zich vooral bezig hield met de theologie van de heilige Dionysios de Areopagiet, en hij werd in intellectuele kringen met open armen ontvangen. Maar de gloed van Dionysios was in zijn uitleg verdwenen, voor hem gold uitsluitend het filosofische aspect. Daardoor ergerde hij zich aan het innerlijk gebed van veel eenvoudige monniken, die hun gedachten slechts onbeholpen onder woorden konden brengen. Hij begon ze zelfs te beschuldigen van ketterij.
Gregorios schreef daarop verschillende verhandelingen waarin hij de monastieke spiritualiteit haar plaats verschafte in een wijdse dogmatische synthese. Hij toonde aan dat de ascese en het gebed het slotakkoord vormen van heel het verlossingsmysterie, en dat daardoor de doopgenade in elke christen pas ten volle tot ontplooiing wordt gebracht.
Daarin verdedigde hij ook de gefundeerdheid van de door de hesychasten gebezigde methoden waardoor het verstand gevestigd wordt in het hart. Want sinds Gods Menswording, zijn wij juist in ons door de sacramenten en de Eucharistie geheiligd lichaam, ingeplant in het Lichaam van Christus, en daar moeten wij de genade zoeken van de Heilige Geest Deze genade is de luisterrijke heerlijkheid van God Zelf, welke van Christus’ Lichaam is uitgestraald op de dag van de verheerlijking, en die nu de van hartstochten gereinigde harten doet stralen, ons werkelijk een maakt met God, ons verlicht, ons vergoddelijkt‚ en het onderpand is van de heerlijkheid die de lichamen van de heiligen zal omstralen bij de algemene opstanding.
Deze nadruk op de volle werkelijkheid van de vergoddelijking betekent bij Gregorios niet een aantasting van het feit dat God op absolute wijze alles te boven gaat en in Zijn Wezen onkenbaar blijft. Maar hij maakt daarom een nauwkeurig onderscheid tussen het onmededeelbare Wezen van God, en de eeuwige, scheppende Energieën, waardoor onze Heer ook de geschapen wezens doet deelhebben aan Zijn goddelijk zijn, Zijn leven en Zijn licht, zonder daardoor nochtans enige scheiding binnen te smokkelen in de eenheid van de goddelijke Natuur. In deze door Gregorios opnieuw onder woorden gebrachte, maar oude christelijke opvatting, is God niet het beredeneerde wezen van de filosofen, maar Hij is Liefde, levende Persoon, verterend Vuur.
Deze stralende theologische gedachten werden erkend door de monnikengemeenschap van de Heilige Berg, en vreugdevol overgenomen door de Kerk in twee Synodes die werden gehouden in de grote Hagia Sofia in 1341. Daar werd Barlaam veroordeeld, evenals het filosofisch humanisme, dat nu alleen in het Westen tot bloei zou komen. De strijd was echter nog niet geheel tot een beslissing gekomen. Er trad een nieuwe tegenstander in het veld, Akindynos, die Gregorios ervan beschuldigde theologische nieuwigheden te hebben ingevoerd met zijn onderscheid tussen Wezen en Energieën. Bij deze strijd mengde zich een burgeroorlog, waarvan de partijen zich ook van deze theologische tegenstellingen meester maakten. Het gevolg was dat Gregorios werd geëxcommuniceerd en gedurende vier jaar gevangen gezet. Hij kon echter nog wel schriftelijk de strijd voortzetten. Nadat Johannes Cantacuzenos de overhand kreeg, werd Gregorios vrijgelaten, en het volgende jaar, in 1347, tot bisschop van Thessalonika gewijd. De stad, die nog in handen van de tegenpartij was, liet hem niet toe en zo kwam Gregorios op Limnos, waar juist een pestepidemie heerste en waar hij op heroïsche wijze deelnam aan de ziekenverzorging.
Maar tenslotte kon hij zijn intrede maken in Thessalonika‚ waar hij door het enthousiaste volk met paashymnen werd ingehaald als een triomferende Christus. Hij werd een weldoener van de stad in velerlei opzicht, door zijn welsprekend woord, door zijn geestelijk onderricht en door zijn barmhartige mensenliefde. Er worden ook veel wonderbare genezingen vermeld die door zijn handen en gebed geschiedden.
Nog waren zijn avonturen niet ten einde. Op reis naar Byzantium viel hij in handen van Turkse soldaten, die hem meenamen naar Klein-Azië en hem daar een jaar gevangen hielden. Hij werd daar niet streng behandeld en kon zelfs vriendschappelijke theologische discussies voeren met islamitische godgeleerden en met de zonen van de Emir. Nadat er vanuit Servië een aanzienlijk losgeld gezonden was, kon Gregorios weer naar zijn zetel terugkeren.
Al deze belevenissen hadden zijn lichaamsreserves opgeteerd en viel ten prooi aan een langdurige ziekte. De 14e november 1359 gaf hij zijn ziel aan God terug, 63 jaar oud, terwijl zijn gelaat straalde van een bovenaards licht. Reeds negen jaar later werd hij heilig verklaard.

Bron : heiligenleven voor elke dag.Orth.klooster Den Haag

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie