H. Gregorius de Grote (ca. 540-604)
paus en kerkleraar
Overwegingen over het Evangilie, nr 6 (vert. © Evangelizo.org)

Gregorius de Grote
Johannes de Doper, voorloper van Christus in de dood als wel in het leven

Johannes de Doper
Waarom stuurde Johannes de Doper toen hij in de gevangenis zat, zijn leerlingen naar Jezus om te vragen: “Bent U het, die komen moet, of moeten we een ander verwachten?”, alsof hij Degene die hij had aangewezen, niet kende? … Die vraag krijgt al snel een antwoord als men de tijd en de volgorde waarin de feiten ontrold zijn, bestudeert. Op de oevers van de Jordaan heeft Johannes verkondigd dat Jezus de Verlosser van de wereld was (Joh 1,29); nu in de gevangenis, vraagt hij toch of Hij het wel was die moest komen. Dat is niet omdat hij er aan twijfelt dat Jezus de Verlosser van de wereld is, maar hij probeert te weten komen of Degene die als persoon naar de wereld afgedaald is, ook als persoon in de gevangenissen in het dodenrijk zal afdalen. Want Degene die Johannes als boodschapper in de wereld had verkondigd, gaat hij door zijn dood ook vóór in de hel… Het is alsof hij duidelijk zei: “Evenals het U behaagd heeft om voor de mensen geboren te worden, laat U ons ook weten of U zult sterven voor hen, opdat ik als voorloper van Uw geboorte, het ook worden zal van Uw sterven en dat ik in het dodenrijk zal aankondigen dat U zult komen, zoals ik reeds in de wereld heb aangekondigd dat U bent gekomen”.
Daarom gaat het antwoord van de Heer al snel -na de wonderen opgenoemd te hebben- over zijn macht: “Blinden zien en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden verrijzen en aan armen wordt het evangelie verkondigd. Zalig is hij, die zich niet ergert aan Mij”. Bij het zien van zoveel tekenen en zoveel wonderen, had niemand de opzet om zich te ergeren, maar eerder om te bewonderen. Toch zal er weldra een ernstig schandaal opkomen in de geest van de ongelovigen, toen ze Hem zagen sterven, zelfs na zoveel wonderen te hebben gedaan. Vandaar het woord van de apostel Paulus: “Wij verkondigen een gekruisigde Christus, een schandaal voor de Joden en een dwaasheid voor de heidenen” (1Kor 1,23)… Als de Heer dus zegt: “Zalig is hij, die zich niet ergert aan Mij”, zou Hij daarmee niet de eerloosheid en vernedering van zijn dood willen aangeven? Het is alsof Hij openlijk zegt: “Het is waar dat Ik wonderlijke dingen doe, maar Ik weiger niet om te lijden voor schandelijke dingen. Aangezien Ik Johannes de Doper zal volgen door te sterven, dat de mensen, die de wonderen in Mij vereren, oppassen dat ze niet de dood in Mij verachten”.
