H. Cyrillus van Alexandrië (380-444)
bisschop en kerkleraar
Commentaar op het Evangelie van Johannes, 4 (vert. Evangelizo)
“Allen, die Hem aanraakten, werden genezen”
Zelfs om doden te laten verrijzen, vindt de Verlosser het niet genoeg om door zijn woord te handelen, die toch drager is van de goddelijke bevelen. Voor dat zo prachtige werk, neemt Hij, als men dat zo kan zeggen, zijn eigen vlees als medewerkster om zo te tonen dat zij de macht heeft om het leven te geven, en om te laten zien dat ze één is met Hem: zij is immers zijn vlees, en niet een vreemd element.
Dat is wat er is gebeurd toen Hij het dochtertje van het hoofd van de synagoge liet verrijzen, door tegen haar te zeggen: “Meisje, sta op!” (Mc 5,41). Hij heeft haar bij de hand genomen, zoals geschreven staat. Hij heeft haar als God door een machtig bevel, het leven teruggegeven, en Hij heeft haar ook opgewekt door het contact met zijn heilig vlees – er zo van getuigend dat eenzelfde goddelijke energie, zowel in zijn lichaam als in zijn woord, aan het werk is. Zo ook op dezelfde wijze als Hij in de stad genaamd Naïn aankomt, waar men de enige zoon van de weduwe begroef, daar heeft Hij de doodskist aangeraakt en gezegd: “Jongen, ik zeg je, sta op!” ( Lc 7,14).
Zo kent Hij niet alleen de macht om de doden te laten verrijzen toe aan zijn woord, maar ook om te tonen dat zijn lichaam levendmakend is, raakt Hij de doden aan, en door zijn vlees laat Hij het leven overgaan naar hun dode lichaam. Als het enige contact met zijn heilig vlees, het leven teruggeeft aan een lichaam dat in staat van ontbinding is, welke genade zullen wij dan niet vinden als door zijn levendmakende eucharistie onze voeding is? Hij zal hen, die eraan hebben deelgenomen, geheel omvormen in zijn eigen zaligheid, welke onsterfelijkheid is.
Dagelijks evangelie.org

