H. Gregorius de Grote (ca. 540-604)
paus en kerkleraar
Overweging over de 7 boetepsalmen. PL 79,581

“Hij zag hem en kreeg medelijden”
O Heer Jezus, heb de goedheid mij uit medelijden te hulp te komen. Van Jeruzalem naar Jericho komt U van uw hoogten omlaag naar onze vlakten, vanuit een oord waar de wezens vervuld zijn van leven, naar een land van gebrekkigen. Zie, ik ben gevallen in de handen van de engel der duisternis, die mij niet alleen mijn genadekleed heeft afgenomen, maar mij, na mij geslagen te hebben, ook nog halfdood heeft achtergelaten. Wil mij de wonden van mijn zonden verbinden en mij hoop op genezing geven, want ik vrees, mocht ik die hoop verliezen, dat de wonden zouden verergeren. Wil mij zalven met de olie van uw vergeving en over mij uitgieten de wijn van berouw. Zo U mij op uw zadel zou laden dan “richtte U de arme op uit het stof”, en “de schamele hief U uit het slijk” (vgl. Ps 113,7).
Want U bent degene die onze zonden heeft gedragen, die voor ons een schuld heeft ingelost die U niet verschuldigd was. Zo U mij naar de herberg van uw Kerk bracht, U zou mij daar voeden met het maal van uw Lichaam en uw Bloed. Zo u zich over mij zou bekommeren, nooit meer zou ik ongehoorzaam zijn aan uw bevelen, noch zou ik aan de razernij van woedende beesten ten offer vallen. Want hoezeer heb ik, zolang ik leef in dit aan zonden onderworpen lichaam, nood aan uw toewijding. Hoor mij toch aan, mij, de beroofde en verwonde Samaritaan, die huilt en jammert, die naar U roept en uitroept met David: “Wees mij, God, in uw goedheid genadig” (Ps 51,3).
dagelijks evangelie .org
