Opwekking van de jongeling uit  Naim

2 Korintiërs : 11,31-12,9

 

zoon van de weduwe van Naïm

73 1God, de Vader van onze Heer Jezus gezegend is Hij in eeuwigheid! weet dat ik niet lieg. 32Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad bewaken om mij te vangen; 33en om aan zijn greep te ontsnappen moest ik in een mand worden neergelaten door een venster in de stadsmuur.
1 Moet er geroemd worden? Het dient wel nergens toe, maar dan kom ik nu tot visioenen van openbaringen van de Heer. 2Ik ken een mens in Christus, die veertien jaar geleden, in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het… die mens werd weggerukt naar de derde hemel. 3Van die mens weet ik dat hij met het lichaam of zonder het lichaam, ik weet het niet, God weet het, 4dat hij werd weggerukt naar het paradijs en onzegbare woorden vernam, die geen mens mag uitspreken. 5Op zo iemand

wil ik roemen. Voor mijzelf wil ik alleen roemen op mijn zwakheden. 6Zou ik werkelijk willen roemen, dan was ik geen dwaas; ik zou immers de waarheid zeggen. Maar daar zie ik van af; ik wil niet dat iemand mij meer toeschrijft dan wat hij van mij kan zien of horen. 7Ook is er want anders zouden de buitengewone openbaringen mij verwaand kunnen maken ook is er een doren in mijn vlees gestoken, als een bode van de satan die mij moet afranselen. 8Tot driemaal toe heb ik de Heer aangeroepen, dat hij van mij zou weggaan. 9Maar Hij antwoordde mij: “Je hebt genoeg aan mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden. Dan zal de kracht van Christus in mij wonen

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie