
Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.


H. Colombanus (563-615), monnik en stichter van kloosters
Geestelijke instructies 1, Het geloof, 3-5

“Door de zee heen voerde uw weg, door oneindige wateren uw pad. Uw voetsporen bleven onkenbaar” (Ps 77,20)
God is overal, volledig en onbegrensd. En overal is Hij nabij, Hij die zelf zegt: “Ben Ik alleen een God die in de nabijheid is; ben ik ook niet een God die ver weg is?” (Jer 23,23) De God die wij zoeken bevindt zich niet ver van ons verwijderd. Hij is onder ons. Hij woont binnen in ons, zoals de ziel in het lichaam, zolang wij zijn levende ledematen zijn, niet gestorven aan onze zonden (vgl. 1Kor 6,15)… Onder deze voorwaarden leeft Hij waarachtig in ons, Hij die gezegd heeft: “Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan” (Lev 26,11; 2Kor 6,16). Zoals Hij ons de genade schenkt in ons te wonen, zo zijn wij waarachtig bezield door Hem, als zijn levende ledematen. “Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn” (Hand 17,28).
Maar wie zal Hem kunnen volgen naar de hoogste hoogten van zijn onuitsprekelijke en onvatbare Zijn? Wie zal de diepten van God kunnen peilen? Wie zal het aandurven de eeuwige bron van het heelal te zoeken? Wie zal zich erop beroemen de oneindige God te kennen, die alles vervult en alles omvat, alles doordringt en aan alles voorbij gaat, alles omhelst en aan alles ontsnapt, “Hij, die niemand ooit gezien heeft” (Joh 1,18) zoals Hij is? Dat niemand denke door te kunnen dringen tot de ondoordringbare diepten van God, tot het wat, hoe en waarom van zijn wezen, dat benoemd, onderzocht, noch onthuld kan worden. Geloof in alle eenvoud maar met kracht, dat God is en dat Hij altijd zijn zal zoals Hij altijd al was, want God is immer onveranderlijk.



Heiligenleven
De heilige Eudokia

de heilige Eudokia
De heilige Eudokia (Eudoxia) was een Samaritaanse van grote schoonheid, die in Heliopolis van Fenicië een succesvolle carrière had opgebouwd als courtisane en daarmee grote rijkdommen had verworven. Toch moet er iets in haar geweest zijn dat onbevredigd bleef in dit leven van lust en weelde.

Heiligenleven
De heilige Suitbertus, bisschop van de Friezen

Suitbertus
De heilige Suitbertus de Oudere, bisschop van de Friezen. Hij was een monnik uit Northumbrië, een leerling van de heilige Egbertus, met wie hij naar Ierland trok. Maar Egbertus was bijna bezeten van de Friezen die bekeerd moesten worden, en omdat die mogelijkheid voor hemzelf afgesloten bleef, wist hij dit verlangen over te dragen op Suitbertus, en hij gaf hem mee toen Willibrord in 690 naar de Friezen overstak. Zij gingen aan land bij Katwijk, aan de mond van de Rijn, en Willibrord vestigde zijn hoofdkwartier in Utrecht.
Twee jaar eerder had Pepijn van Herstal een grote overwinning behaald op Radboud, de koning van Friesland. Hij had hem tot vrede gedwongen en het land tussen Maas en Rijn in bezit genomen, de streek rond Leiden, Delft, Gouda, Den Briel, Dordrecht en Utrecht. Willibrord deed een beroep op de hulp van Pepijn en deze zond hem naar Rome voor een officiële missie-opdracht. Zijn werk had succes en vier jaar later zond Pepijn hem opnieuw naar Rome, nu met het verzoek Willibrord tot bisschop te wijden voor het nieuw-bekeerde volk. De wijding geschiedde in 696, en Willibrord vestigde zijn zetel in Utrecht, waarvan hij de eerste bisschop werd.
Intussen had Suitbertus in Neder-Friesland, dat wil zeggen in Zuid-Holland en Noord-Brabant, Gelderland en Cleve, met veel succes het missiewerk voortgezet. Nu wilde hij doordringen in het onbekende gebied aan de andere kant van de Rijn. Willibrord voelde eigenlijk niet zoveel voor de wat wilde plannen van de jonge, enthousiaste Suitbertus, maar terwijl Willibrord naar Rome was, zag Suitbertus zijn kans. Hij ging in 697 naar Engeland, om zich tot missiebisschop te laten wijden, zonder vaste standplaats, en trok toen de Rijn over naar het land der Brukten, tussen de Lippe en de Roer. Hij werd eerst vijandig afgewezen, maar hij wist het hart van de mensen te winnen door hun te laten zien hoe land vruchtbaar gemaakt kon worden, hoe graan kon worden verbouwd en hoe paardenteelt bedreven moest worden. Zo werd hij op den duur hun vertrouwde raadsman in alle praktische kwesties. Daarna begon hij hun over Christus te spreken en het Evangelie te verkondigen, en ook hierin werd hij toen vertrouwd, zodat zijn missiewerk vrucht begon te dragen.
Dit wekte echter de argwaan van het buurvolk, de Saksen, die dit zagen als een samenzwering met hun erfvijand, de Franken. Zij vielen Westfalen binnen en richtten een gruwelijke slachting aan. Suitbertus werd gevangen genomen en zo zwaar mishandeld dat hij bijna stervend was. Met behulp van enkele vrienden slaagde hij er echter in te ontsnappen, en met zijn monniken bereikte hij de Romeinse burcht op het Rijn-eiland Kaiserswerth bij Düsseldorf. Daar stichtte hij in 710 een klooster met het doel jonge monniken op te leiden om het werk onder de Germaanse stammen voort te zetten. Onophoudelijk hield ook hij zich met dit zware werk in de ontoegankelijke wouden en moerassen bezig, totdat hij stierf in 713.
uit : heiligenleven voor elke dag : uitg Orth.klooster Den Haag


BIJBELTEKSTEN




1

Heiligenleven
De heilige Simplicius Paus van het oude Rome

Simplicius, Paus van het oude Rome
De heilige Simplicius, paus van het oude Rome, was afkomstig uit Tibur, het huidige Tivoli. Nadat hij gediend had in de geestelijkheid van de twee voorafgaande pausen, werd hij in 467 zelf tot dit zware ambt geroepen, in een tijd dat het land zwaar te lijden had van de invallende barbaren. Zelfs Rome werd ingenomen en geplunderd in het achtste jaar van zijn pontificaat.
Dit was mogelijk omdat het land zelf verdeeld was geraakt. Het werd bestuurd door Romeinse gouverneurs die zich een tiranniek gezag hadden aangematigd over de bevolking die geheel rechteloos was. Zij heersten als kleine tirannen met volstrekte willekeur, en elk verzet werd met grote wreedheid onderdrukt. Zo werden de invallende barbaren min of meer als bevrijders geduld, en hele legergroepen kwamen in opstand tegen het rijk. Dit alles bevorderde het arianisme, omdat de orthodoxie vereenzelvigd werd met het tiranniek bewind.
De taak van Simplicius werd hierdoor onnoemlijk zwaar, en nadat hij bijna 16 jaar de kerk, voor zover hij dat kon, bestuurd had, is hij gestorven in 483.


Heiligenleven
De heilige Theodoros van Sykeon

De heilige Theodoros van Sykeon, bisschop van Anastasiopolis. Hij was geboren in Sykeon (Galatië) als onwettig kind van een koerier van keizer Justinianus, bij de dochter van een herbergierster, een prostituee. Hij woonde in de buurt van de grote kerk, gewijd aan de groot-martelaar Georgios. Diens geschiedenis maakte een geweldige indruk op de kleine jongen en hij wilde ook grote daden verrichten. Zo kwam hij ertoe des nachts stil op te staan als iedereen sliep, het huis uit te sluipen om dan in de kerk te gaan bidden. Deze gewoonte wekte in hem een vroege zelfstandigheid. Toen hij 14 jaar oud was, nam hij zijn leven in eigen handen. Hij vond in de omgeving van de stad een grot, waar hij zich als kluizenaar terugtrok. En deze jongen bezat reeds zulk een overwicht dat hij een deel van zijn omgeving tot de noodzakelijke medewerking daartoe wist te bewegen. Een van zijn bewonderaars was blijkbaar de bisschop, want toen hij 18 jaar was werd hij diaken gewijd, en enige tijd later priester.
Theodoros trok nu de wereld in, hij ging op pelgrimstocht naar het Heilig Land. Hij zocht onderdak in het klooster Choseba, en werd daar monnik gewijd. We weten niet hoelang hij er gebleven is, maar als rijpe volwassene keerde hij naar Sykeon terug en hij stichtte een klooster bij de kerk van zijn jeugd, want andere jonge mensen voelden zich tot hem aangetrokken en wilden onder zijn leiding leven.
Zijn bekendheid in de omtrek nam sterk toe en niet zo heel veel later koos de bevolking van Anastasiopolis hem tot bisschop, hoezeer hij zich daar ook tegen verzette. Theodoros aanvaardde toen deze dienst als een opdracht van God, en bestuurde gedurende 40 jaar zijn diocees. Wel bezocht hij in die tijd herhaaldelijk de monastieke centra van Palestina en het nabije Oosten. Toen vond hij een geschikte opvolger en hij trad af om zijn laatste levensjaren geheel aan het gebed te wijden in het door hem gestichte klooster. De gewone ascese van weinig eten, slapen en comfort was hem nog niet streng genoeg, en daarom liet hij zich in de tijd tussen Theofanie en Pascha als een misdadiger zwaar geboeid opsluiten in een ijzeren kooi.
Veel wonderen geschiedden door zijn krachtdadig gebed. Zieken werden genezen, regen kwam in een tijd van hardnekkige droogte, er kwam een einde aan een vernietigende sprinkhaan-plaag. Hij bezat ook de gave om in de toekomst te zien en voorzegde zijn eigen dood, die hem aangekondigd werd door een verschijning van de door hem zo vereerde heilige Georgios, op de 22e april van het jaar 613.



H. Germanus van Constantinopel (?-733), bisschop
Homilie voor het ontslapen van de Moeder Gods ; PG 98, 346

Germanus van Constantinopel
“Met ziel en lichaam naar de heerlijkheid van de hemel opgestegen” (Feestgebed)
Levende Tempel van de goddelijke heilige eniggeboren Zoon, Moeder van God, werkelijk, ik zeg het opnieuw, uw hemelopneming heeft u op geen enkele wijze verwijderd van de christenen. U leeft in onvergankelijkheid en toch blijft u niet ver van de vergankelijke wereld; integendeel, u bent hen nabij die u aanroepen en zij die u met geloof zoeken, vinden u. Zo blijft ook uw geest altijd sterk en levend en is uw lichaam onsterfelijk. Hoe zou immers de ontbinding van uw vlees u kunnen verminderen tot as en stof, u hebt de mens van de ondergang door de dood gered door de menswording van uw Zoon?…
Een kind zoekt en verlangt naar zijn moeder, en de moeder houdt ervan om met haar kind te leven: zo had u ook in uw hart een moederlijke liefde voor uw Zoon en voor uw God, u zou normaliter moeten kunnen terugkeren naar Hem, en God – door zijn liefde voor zijn kinderen tot u- moest u wel toestaan om in zijn staat te kunnen delen. Zo bent u, dood voor de eindige dingen, geëmigreerd naar de onvergankelijke verblijven van de eeuwigheid, waar God verblijft met wie u voortaan het leven deelt…
U bent lichamelijk zijn verblijfplaats geweest; en nu is Hij voor u de rustplaats geworden. “Dit is mijn rustplaats voor immer”, zei Hij (Ps 132,14). Deze rustplaats is het vlees waarmee Hij bekleed werd in u, Moeder van God, het vlees aangenomen te hebben, waarin, zo geloven wij, Hij zich aan de huidige wereld heeft getoond en zich in de komende wereld zal tonen, als Hij de levenden en de doden zal komen oordelen. Aangezien u het verblijf bent van zijn eeuwige rust, heeft Hij de vergankelijkheid weggehaald en het met zich meegenomen, omdat Hij u in zijn tegenwoordigheid en in zijn affectie wilde bewaren. Daarom schenkt Hij u alles wat u Hem vraagt, als een moeder die zorgzaam voor haar kinderen is; alles wat u wenst, zal Hij vervullen met zijn goddelijke kracht, Hij is voor eeuwig gezegend.


LEZINGEN
Epistel : Fil.2,5-11
Die gezindheid moet onder heersen die ook in Christus Jezus was:
Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
gelijk aan God te zijn.
Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan een kruis.

Heiligenleven
Heilige Job eerste Patriarch van Moscou

Job van Moscou
De heilige Job, de eerste patriarch van Moskou en Rusland. Hij was geboren in een winkeliersgezin in Staritsa aan de Twer. Zijn moeder werd later de bekende moniale Pelagia, maar over Jobs jeugd is verder niets bekend. De familie wilde hem uithuwelijken maar Job werd monnik in het Ontslapingsklooster van Staritsa en bleef daar vele jaren.
Lees verder “Heiligenleven: Job eerste patriarch van Moscou”

10e zondag na Pinksteren
‘Genezing van een bezeten jongen’

tafereel uit een oud handschrift uit Duitsland

Christus geneest een bezeten man
LEZINGEN
1 korintiërs 4,9-16
9 Want ons, apostelen, heeft God, dunkt mij, de minste plaats aangewezen, die van ter dood veroordeelden. Wij zijn een schouwspel geworden voor heel de wereld, voor engelen en voor mensen: 10wij zijn dwaas ter wille van Christus, gij zijt zo verstandig in Christus: wij zijn zwak, gij sterk; gij geëerd, wij geminacht. 11Tot op dit eigen ogenblik lijden wij honger en dorst, zijn wij naakt en krijgen wij slagen, zijn wij dakloos 12en matten ons af met handenarbeid. Worden wij beschimpt, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij dulden het; 13smaad beantwoorden wij met minzaamheid. Tot nu toe worden wij behandeld als het schuim der aarde, als het uitvaagsel van de maatschappij. 14Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u terecht te wijzen als mijn dierbare kinderen. 15Want al hadt gij in Christus duizend opvoeders, gij hebt maar een vader. Ik ben het die u door het evangelie in Christus Jezus heb verwekt. 16Ik mag u dus aansporen: volgt mij na.
Matteüs 17,14-23 :
GENEZING VAN EEN BEZETEN JONGEN
14Toen zij bij het volk gekomen waren, kwam een man naar Hem toe, wierp zich op de knieën voor Hem neer 15en sprak: “Heer, ontferm U over mijn zoon, want hij lijdt aan vallende ziekte en is er slecht aan toe. Dikwijls valt hij in het vuur en in het water. 16Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar die waren niet bij machte hem te genezen.” 17Jezus gaf ten antwoord: “O, ongelovig en verworden geslacht, hoelang nog moet Ik bij u zijn, hoelang nog u verdragen? Brengt hem hier bij Mij.” 18En onder de dwang van Jezus’ woord ging de boze geest uit hem weg; op datzelfde ogenblik was de jongen genezen. 19Toen de leerlingen met Jezus alleen waren, vroegen zij Hem: “Waarom hebben wij hem niet uit kunnen drijven?” 20Jezus zei hun: “Om uw gebrek aan geloof. Voorwaar, Ik zeg u: wanneer gij een geloof bezit, ook al is dit klein als een mosterdzaadje, dan kunt ge tot deze berg zeggen: verplaats u van hier naar daar, en hij zal zich verplaatsen. Niets zal u onmogelijk zijn.” 21(Maar dit soort wordt alleen uitgedreven door gebed en vasten.)
TWEEDE LIJDENSVOORSPELLING
22Terwijl zij nog in Galilea bijeen waren, sprak Jezus tot hen: “De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen, 23en ze zullen Hem doden, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.” Zij werden zeer bedroefd.






André Louf: HEER, leer ons bidden

EERSTE HOOFDSTUK
BIDDEN VANDAAG?
Over bidden weten we zo weinig. Het is een geheim waarvan we vermoeden dat het verborgen ligt, ergens diepweg bij de bronnen van het hart. Zoals andere mysteries van het mensenleven : de geboorte van een nieuw wezen, de liefde die ontluikt en opbloeit, de beproeving die haar hoogtepunt vindt in de dood, en dat wat op de dood volgt. Dit alles roept bij de mens gemengde gevoelens op. Verlangen en vrees, liefde en ontzag wisselen elkaar af. Zolang die waarden niet tot een persoonlijke waarde geworden zijn, zolang zij nog niet als een verworvenheid geassimileerd werden, blijft de mens verdeeld. Hij voelt tegelijkertijd een drang en een weerstand. Hij is aangetrokken en afgestoten. Over gebed schrijven was wel altijd moeilijk. Vandaag is het dat meer dan ooit. Zolang de mens het gebed niet ontvangen heeft als zijn geheime maar diepste kern, blijft het voor hem zeer moeilijk een oordeel over het gebed uit te spreken. Hij zal misschien dwepen met gebed, maar zijn woorden klinken vals en leeg. Of hij zal scherpe kritiek afgeven op het gebed, maar zijn heftige reactie verraadt vooral de verborgen behoefte waaraan zijn hart lijdt als aan een ongeneeslijke wonde. Deze dialectiek is typerend voor de Kerk van onze tijd.
Hoe meer het gebed door de een wordt afgebroken, hoe meer er door de ander over het gebed gevraagd wordt. Dit alles is onvermijdelijk en zelfs gezond. Het betekent vooral twee dingen : ten eerste, dat wij nog niet kunnen bidden. Ten tweede, dat wij ons dit eindelijk bewust zijn! Een oudvader – dit is een monnik uit de eerste eeuwen – legde eens aan zijn leerlingen een moeilijke kwestie voor. Allemaal probeerden ze de vraag te beantwoorden. Toen de laatste aan het woord kwam, zei hij : “Ik weet het niet”. De oudvader prees deze leerling, hij had het ware antwoord gegeven. 1 Want hoe vaak probeen we niet een gemakkelijk antwoord te vinden op de vragen, die het leven ons soms stelt. Om ons gezicht te redden of om ons geweten te sussen wordt iets geuit, zonder het ware antwoord te zijn. Te vlug zijn we tevreden. De leerling van de oudvader sprak de waarheid uit, hij wist het niet en nederig bekende hij zijn onwetendheid. het ware antwoord was het deemoedige ontzag voor het mysterie. Zo ook voor ons : de eerste en meest fundamentele waarheid over het gebed is te weten dat wij niet kunnen bidden. “Heer, leer ons bidden“ (Lc. 11,1).

Heiligenleven
De heilige Chad (Ceadda)

De heilige Chad
De heilige Chad (Ceadda), bisschop van Lichfield, was de jongste van vier broers die allen beroemde priesters waren. Rond 620 is hij geboren in Northumbrië: hij was dus geen Schotse, noch Ierse, maar een Engelse heilige. Hij was een van de leerlingen van Aidan, die veel tijd besteedde aan het gezamenlijk lezen van de Heilige Schrift, en hen de psalmen uit het hoofd deed leren. Bij de dood van Aidan in 651 vertrok Chad naar Ierland, in die jaren een stralend middelpunt van geestelijk leven. De Germaanse invallen op het vasteland hadden vele eminente geesten verdreven die zich in Ierland verzamelden, dat daardoor een verbinding vormde tussen de Latijnse en de Germaanse beschaving. Chad kwam daar in contact met Egbert, de latere abt van Iona. Intussen had zijn broer Cedd, op aanvraag van koning Ethelwald van Deira, een abdij gesticht aan de rand van het grote moeras, dat zich vijftig kilometer ver uitstrekte vanaf de kust het binnenland in. Toen hij daar jaren later weer eens op bezoek was vanuit zijn bisdom in Londen, werd hij slachtoffer van een besmettelijke ziekte die er heerste, en hij stierf. Op zijn sterfbed droeg hij de zorg voor het klooster over aan Chad die nog in Ierland was. Deze kwam over en bestuurde het klooster met grote zorgzaamheid, wat de aandacht trok in een nogal ruwe tijd, en het duurde niet heel lang of hij werd tot bisschop gekozen van Northumbrië. Daar wijdde hij zich met hart en ziel aan zijn taak. Hij leefde in reinheid en zelfverloochening, was nederig en altijd bezig met studie. Hij trok door zijn diocees niet te paard, maar zoals de apostelen te voet, om het Evangelie te prediken overal waar hij maar mensen aantrof: in steden of op het land, in hutjes of kastelen. Hij bleef echter niet lang bisschop, want de zetel viel toe aan Wilfried, die op de Romeinse wijze was gewijd. De vanuit Rome gezonden bisschoppen brachten veel onrust in de Engelse kerk, maar wonnen op den duur steeds meer terrein door het morele gezag van de zetel van Petros.
Chad werd daarop naar Mercië geroepen. Hij verplaatste daar de zetel naar Lichfield, dat toen Licetfield heette, het dodenveld. Daar waren namelijk eens meer dan duizend Britse christenen ter dood gebracht en zo wilde Chad deze historische plek in ere houden. Ook dit uitgestrekte diocees, dat zeventien graafschappen omvatte, werd door Chad met bovenmenselijk uithoudingsvermogen bestuurd. Hij bouwde een klooster en voor zichzelf een woning bij de kathedraal, waar hij, wanneer dat maar mogelijk was, de getijden bad met zeven of acht broeders.
Twee en half jaar hield hij dit uitputtende leven vol, toen werd hij ziek. Een van de broeders hoorde lieflijk gezang dat vanuit de hemel neerdaalde tot het woonvertrek waar Chad verbleef, en deze verklaarde, toen men hem erom vroeg, dat zij hadden aangekondigd hem over een week te komen afhalen. Hij gaf nu zijn laatste onderrichtingen aan de broeders en stierf op de voorzegde dag in 672.
bron : heiligenlevens voor elke dag – orth.klooster Den Haag

De heilige Chad


Homilie toegekend aan H. Macarius van Egypte (? – 390), monnik
Geestelijke Homiliën, n° 51
“De vijand heeft dit gedaan”
Ik schrijf u, geliefde broeders en zusters, opdat u weet dat sinds de dag dat Adam geschapen is tot aan het einde der wereld, het Kwaad, zonder rust te nemen, oorlog zal voeren tegen de heiligen. (Ap 13,7)… Zij die er rekening mee houden, dat de vernietiger van de zielen samen met hen in hun lichaam woont, heel dicht bij hun ziel, zijn toch niet zo talrijk. Ze worden beproefd, en er is niemand op aarde die hen kan troosten. Daarom kijken ze naar de hemel, en hebben daar hun verwachting om daarvandaan iets in hun innerlijk te ontvangen. Door die kracht zullen ze, dankzij de wapenrusting van de Heilige Geest (Ef 6,13), overwinnen. Ze ontvangen inderdaad uit de hemel een kracht, die verborgen blijft voor hun lichamelijke ogen. Zovele malen als ze God met heel hun hart zoeken, komt ook de kracht van God hun in het geheim te hulp, op elk moment … Juist omdat ze van hun zwakte overtuigd zijn, omdat ze niet in staat zijn te winnen en omdat ze vurig om de wapenrusting van God vragen en zo bekleed worden voor de strijd met de uitrusting van de Heilige Geest (Ef 6,13), worden ze overwinnaars.
Weet dus, geliefde broeders en zusters, dat in allen die hun ziel voorbereid hebben om een goede aarde te worden voor het hemelse zaad, de vijand zich haast om er zijn onkruid in te zaaien… Weet ook dat zij die de Heer niet met geheel hun hart zoeken, niet op zo’n duidelijke wijze beproefd worden door Satan; dan probeert hij meer in het verborgene door listigheden om hen ver van God te brengen.
Maar nu, broeders en zusters, weest moedig en vreest niets. Laat u niet bang maken door verbeeldingen, die door de vijand worden opgeroepen. Lever u in gebed niet uit aan een verwarrende onrust door misplaatste uitroepen te vermeerderen, maar ontvang de genade van God door diep berouw… Weest moedig, troost u, houdt vol, zorgt voor uw zielen, volhardt met ijver in het gebed… Want allen die werkelijk God zoeken, ontvangen een goddelijke kracht in hun ziel, en door die hemelse zalving te ontvangen, zullen zij allen in zichzelf de smaak en de zoetheid van de komende wereld voelen. Dat de vrede van de Heer, die met alle heilige vaders was en hen heeft behoed tegen elke verleiding, ook bij u blijft.
http://www.dagelijksevangelie.org



Heiligenleven
De heilige Benedictus
Grondlegger van het monnikenwezen in het Westen

Heilige Benedictus
De heilige Benedictus, de grondlegger van het monnikswezen in het Westen en de vader van de Europese cultuur. Hij werd rond 480 geboren in Nursia (Umbrië) als zoon van een lid van de landadel. De rampspoed van Europa had een hoogtepunt bereikt, de samenleving was vrijwel geheel uiteengevallen. De kerk was geïnfecteerd met ketterijen en scheuringen, en de opvolgers van Leo de Grote waren te zwakke figuren om daar met succes tegen op te treden. Het monnikendom‚ dat zoveel heiligen aan de kerk geschonken had, bewoog zich in neergaande lijn. Er was geen vorst die enige werkelijke macht bezat. Noord-Europa was nog heidens; Zuid-Europa en het christelijk Afrika werden geteisterd door de volksverhuizing die een vervolging meebracht, nog wreder en meedogenlozer dan indertijd onder de Romeinse keizers.
Temidden van deze duisternis verschijnt er één enkele kluizenaar, die tot een geestelijk krachtcentrum werd en die het licht onstak dat de volgende eeuwen zou gaan schijnen over heel Europa. Hij begon als een uiterst serieuze jongeman die uitging van het principe dat onze daden in overeenstemming moeten zijn met onze ideeën. Toch sloot hij zich niet af van anderen; we zien dat hij zelfs een bijzonder innige verhouding had met zijn zuster (misschien waren ze tweelingen), en met zijn voedster (zijn moeder was wellicht overleden). Deze vergezelde hem toen hij naar Rome werd gezonden om zijn studie te voltooien, maar het frivole milieu dat hij daar aantrof, stootte hem dermate af dat hij de stad zo snel mogelijk ontvluchtte.
Misschien is het niet eens zozeer de algemene toestand die hem afschrikt als wel de toestand in de kerk, want hij wendt zich niet tot een van de verschillende kloosters die er toen reeds in Rome bestonden. Het was de tijd dat de hoge plaatsen in de kerk voor geld werden verkocht. Er was geen hoogachting meer voor de priesters, de bisschop zelf werd beschuldigd van onzedelijke levenswandel. De kloosters waren verdeeld volgens de verschillende partijen en hielden er zelfs gewapende benden op na, zoals de edelen.
Toch gaat Benedictus niet naar zijn geboortestad terug, hij wilde ook breken met het oude leven. Maar hij is ook nog niet gereed voor het leven in de eenzaamheid; hij trekt naar Effida, een 50-tal kilometers ten oosten van Rome, waar een religieuze gemeenschap gevestigd is, zoals er vele in die tijd bestonden. Elk gezin leeft zelfstandig, maar men zoekt steun bij elkaar voor gemeenschappelijk gebed in een eigen kerkje. Daar vestigde hij zich met zijn verzorgster en daar kwam hij voor het eerst in de openbaarheid. Op zijn gebed gebeurde namelijk een wonder, op een heel simpele, huiselijke manier. Zijn huishoudster had namelijk van de buurvrouw een stenen zeef geleend en die door onachtzaamheid gebroken. Zij wist zich geen raad, het was dus blijkbaar een vrij kostbaar apparaat. En Benedictus toont de warme liefde die hij deze vrouw toedraagt: hij wordt zo door medelijden bewogen dat hij vanzelf zijn toevlucht neemt tot Diegene Die hem het naast staat, met het resultaat dat de zeef weer ongebroken is, zonder een spoor van beschadiging. Hoe innig moet hij reeds toen met God geleefd hebben, hoe diep moet zijn geloof geweest zijn en hoe grenzeloos zijn vertrouwen!
Het nieuwtje ging natuurlijk als een lopend vuurtje door deze kleine gemeenschap en de teruggetrokken jongen merkt met schrik dat hij wordt aangegaapt. Dit moet voor hem de doorslag gegeven hebben om de laatste banden te verbreken en het voorbeeld te volgen van de grote woestijnvaders. Hij verliet heimelijk Effida en trok enkele dagen naar het Noorden tot aan Subiaco. De Anio-rivier heeft daar een diep ravijn door de berg gesneden en halverwege in de bijna loodrechte bergwand vond Benedictus een grot die tenminste enige beschutting bood. Misschien was die hem gewezen door de monnik Romanos die hij in deze buurt ontmoette, en die beloofde hem van de allernoodzakelijkste voeding te voorzien. Deze monnik woonde in een klooster op de hoge oever, hij spaarde van het brood dat dagelijks verstrekt werd door zelf minder te eten, en die resten, waarschijnlijk eerst op de keukenoven gedroogd, zoals het nu nog onder andere op de Athos gebeurt, liet hij aan een touw naar beneden zakken, tot voor de ingang van de grot.
Hier leefde Benedictus ruim drie jaar een leven van grote ontberingen, in een bergklimaat dat veel ruwer was dan het warme Egypte, in een nauwe kloof waar zelden de zon in doordrong. Daarbij pakte hij zichzelf hard aan; hij heeft zelf aan zijn latere leerlingen verhaald hoe hij, toen hij door zijn herinneringen in verzoeking werd gebracht om weg te gaan naar een jonge vrouw die hij had gekend, zich in de doornen en brandnetels wentelde om door een uiterlijke brand het inwendige vuur te blussen.
Zijn dagen waren verder geheel gewijd aan gebed en meditatie en daar gaf hij zichzelf zo volkomen aan over dat hij alle besef van tijd verloor. Eens was Romanos geruime tijd verhinderd om het broodrantsoen te brengen naar de grot zodat Benedictus geheel verzwakte door gebrek aan voedsel. Toen kreeg een alleenwonende priester, die juist voor zichzelf een goed maal had bereid ter ere van Pasen, de ingeving dat er in de bergen een monnik woonde die honger leed. Ook hij moet een bijzonder mens geweest zijn, want zonder aarzelen pakte hij het feestmaal en ging op zoek tot hij Benedictus vond in zijn grot. Deze ontving hem met vreugde, ze baden samen en zegenden God en spraken lang over het ware leven. Tenslotte herinnerde de priester zich waarvoor hij eigenlijk gekomen was en hij nodigde de ander uit: ‘Kom, laten we gaan eten, want het is vandaag Pasen’. En Benedictus antwoordde: ‘Ja, het is inderdaad een paasdag om zulk bezoek te mogen ontvangen’. En toen moest de priester hem uitleggen dat het inderdaad het feest van de Opstanding was.
Dit was de aankondiging van een nieuwe fase in het leven van Benedictus. Nadat hij jarenlang niemand had gezien, werd hij nu ontdekt door herders, die hem in zijn vacht aanzagen voor een wild dier dat zij wilden doden, tot zij ontdekten dat het een man Gods was. Nu begonnen er ook anderen te komen, die hem voedsel brachten en met graagte luisterden naar de zo diep doorleefde woorden uit zijn mond. Ook de monniken uit een ander klooster van die streek kwamen bij hem om geestelijk voedsel, en toen hun abt gestorven was, baden zij Benedictus met de grootste aandrang om de leiding van hun gemeenschap op zich te nemen. Deze zei hun dat hun levenswandel en de zijne te zeer van elkaar verschilden om een goed samengaan mogelijk te maken, maar toen de anderen toch bleven aandringen gaf hij toe. Hij stelde orde op zaken, maar nog sneller dan hij voorzien had, liep het spaak en er werd zelfs een moordaanslag op hem gepleegd. Toen keerde hij weer naar zijn geliefde eenzaamheid terug.
Maar, zoals we telkens weer zien bij vele kloosterstichters, nadat een ziel in de eenzaamheid tot een zekere volmaaktheid is gekomen, gebruikt God die persoon om in anderen het geestelijk leven te doen ontvlammen. Er gaat van zulk een mens een onzichtbare energie uit, die onweerstaanbaar anderen tot zich trekt, die op weg zijn naar God. Ook rond Benedictus verzamelde zich een groep volgelingen die in zijn uitstraling wilden leven en hij zag zich genoodzaakt om voor hen onderkomens te bouwen. Zijn roem verspreidde zich snel in deze geestelijk uitgehongerde tijd. Priesters en leken, Romeinen en barbaren, overwinnaars en slachtoffers kwamen hem opzoeken.
Het leven dat hij met hen ging leiden was nog geheel in een experimenteel stadium; hij probeerde een tussenvorm van gemeenschappelijk en kluizenaarsleven uit, door een aantal kleine kloostertjes te bouwen, elk met een dozijn monniken onder een eigen overste, maar onder zijn supervisie.
Er volgde nu een idyllische periode van vurig geloof en frisse ondernemingslust waar de latere paus Gregorius de Grote met welbehagen over vertelt. De gemeenschap bloeide en groeide, maar gaf daardoor ook aanleiding tot jaloezie, zodat er niet alleen aanslagen op het leven van Benedictus zelf, maar ook op het moreel van zijn leerlingen werden gepleegd, omdat hij juist daardoor het smartelijkst zou worden getroffen. Voor Benedictus, die zelf ook al de beperktheid van deze levensvorm had ingezien, gaf dit de doorslag om nogmaals van richting te veranderen. Langzamerhand was in zijn geest de idee gerijpt om het gemeenschap-zijn op de meest consequente wijze te beleven, zoals hij dat geleerd had uit de Regels van de heilige Basilios de Grote. Met een groepje van zijn leerlingen die het meest volgens zijn ideeën gevormd waren, ging hij op zoek naar een geschikte plaats om een werkelijk gemeenschappelijk leven tot stand te brengen.
Deze plaats vond hij op de Monte Cassino, een bergknie op een strategische plaats aan de rand van de Italiaanse vlakte, waar ook inderdaad een Romeins fort gevestigd was geweest, evenals een tempel van Apollo, die bij de boeren nog heimelijk in gebruik was. Daardoor ontplooit zich in Benedictus een missiedrang en hij trekt door de boerendorpen om de mensen te onderrichten en tot het geloof te brengen. Tegelijk verzekert hij zich daardoor van hun hulp voor zijn grootse bouwplannen.
Er ontstaat nu een groot geheel van kerk, werkruimten, eetruimte, slaapzalen en boerderij. De ijzeren strengheid van het kluizenaarsleven wordt niet meer nagestreefd. Het wordt meer een soort ideaal gezin op grondslag van de liefde tot Christus en tot elkander. Het is nu rond 530, Benedictus is ongeveer 50 jaar oud, een man van buitengewone begaafdheid, op het hoogtepunt van zijn leven waar hij ongehinderd vorm kan geven aan het ideaal dat hem bezielt. Onder zijn leiding werkten onontwikkelde Gothen en verfijnde Romeinen eendrachtig samen. Geplaagde boeren vonden bij hem een toevlucht die hen daadkrachtig tegen de terreur van hun verdrukkers beschermde. Toen er hongersnood was, deelde hij de laatste voorraden van het klooster uit; maar de volgende morgen vonden de verontruste monniken 200 zakken meel voor de poort van het klooster, die daar door een onbekende waren neergezet.
En al zijn geestelijke ervaringen en zijn rijpe wijsheid bundelt hij nu in zijn ‘regel’, een boekje van 120 kleine pagina’s, verdeeld over 73 onderwerpen, maar zo evenwichtig van samenstelling en zo diep doordacht dat het gedurende vele honderden jaren de enige monniksregel is gebleven in heel West-Europa, en die ook grote invloed heeft uitgeoefend op heel het staatkundig leven in de middeleeuwen. Die regel werd als het ware de grondwet van de nieuwe Europese beschaving die de Romeinse civilisatie welke nu vrijwel geheel vernietigd was, zou opvolgen. Op de grondslag van Christus’ woorden bouwde hij een sterk georganiseerde gemeenschap, die op eigen benen kon staan, afgeschermd tegen slechte invloeden van buiten; en van allerlei reddingsmiddelen voorzien wanneer er ergens iets verkeerd zou gaan. In allerlei toonaarden zijnde wijsheid, de menselijkheid, de gematigdheid en de juridische opbouw van deze regel geroemd.
Toch was dit eigenlijk maar een bijwerking, veroorzaakt door de goed doordachte organisatievorm die Benedictus aan zijn monniken schenkt. Dat deze vorm zulk een indruk heeft kunnen maken is te danken aan de geestelijke inhoud van de regel die tot elk goedwillend hart sprak. Het leidmotto van de regel is dit woord uit het 4e hoofdstuk: ‘Niets boven de liefde van Christus stellen’, en dit ‘niets’ bepaalt alle andere geboden en verboden die hij opnoemt. Deze zichzelf in niets ontziende liefde tot de Heer, is de vaste grondslag van het ware monniksleven, ja, van elk christelijk leven. En in heel het zo wisselende leven van Benedictus is dit de duidelijk herkenbare draad die al zijn daden tot meeslepende eenheid verbindt.
Die liefde wordt verwerkelijkt door spontane gehoorzaamheid, omdat we in de ander Christus achten. En ook wat gevraagd wordt, moet gericht zijn op die liefde. Dan is er geen onderscheid meer, want wie we ook zijn
, we zijn allen één in Christus. Wie meer gaven heeft, zal ook meer moeten geven. Om die liefde wordt ook de zucht naar eigendom scherp bestreden. Om haar vragen wij vergeving als ook maar de mogelijkheid bestaat dat wij iets verkeerds hebben gedaan. Gastvrijheid staat in hoog aanzien, want in de gast wordt Christus Zelf opgenomen, zoals Hij ons dat geleerd heeft. Iets voor de gemeenschap mogen doen is geen recht maar een voorrecht. Taak van de overste is niet: heersen, maar: helpen.
Kort voor zijn sterven horen we het verhaal hoe deze imponerende persoonlijkheid, die bijna automatisch gehoorzaamheid afdwong van ieder die met hem in aanraking kwam, nog altijd de tedere liefde van zijn kindsheid bewaarde die hem verbond met zijn zuster Scholastica, die evenals haar broer het monastieke leven had gekozen. Zoals ieder jaar, kwam zij bij hem op bezoek, en zij ontmoetten elkaar dan in het gastenverblijf dat aan de voet van de steile kloosterberg gelegen was. Tegen de avond wilde Benedictus plichtsgetrouw naar het klooster terugkeren voor de nacht, ondanks haar dringend verzoek deze keer bij haar te blijven. Op haar gebed brak toen zulk een wolkbreuk los dat het onmogelijk was om de glibberige bergpaden te beklimmen, en zij brachten een laatste nacht met elkander door. Nauwelijks in haar klooster teruggekeerd, stierf eerst Scholastica. Daarop werd Benedictus ziek. Hij verzamelde zijn laatste krachten, liet zich naar de kapel brengen, waar hij de communie ontving. Hij liet zich door zijn broeders overeind houden en gaf toen onder gebed, staande met opgeheven handen, de geest, in 547.


Het gemeenschapsleven: “U bent allen broeders”
Wat ze ook doen, de broeders en zusters moeten zich liefdevol en vreugdevol naar elkaar betonen. Degene die werkt zal zo spreken over degene die bidt: “De schatten die mijn broer bezit, heb ik ook, want we hebben ze gemeenschappelijk”. Van zijn kant zal degene die bidt over degene die leest zeggen: “Het profijt dat hij uit zijn lezen haalt, verrijkt ook mij”. En degene die werkt zal zeggen: “Het is in het belang van de gemeenschap dat ik deze dienst vervul”. De veelheid aan lichaamsdelen vormen slechts één lichaam en ze ondersteunen elkaar stilzwijgend doordat een ieder zijn taak vervult. Het oog ziet voor heel het lichaam; de hand werkt voor de andere ledematen; de voet draagt allen in het lopen; één ledemaat lijdt zo gauw een ander lijdt. Zo moeten broeders en zusters zich naar elkaar gedragen (Cf Rm 12, 4-5). Degene die bidt, veroordeelt niet degene die werkt, omdat hij niet bidt. Degene die werkt veroordeelt niet degene die bidt… Wie dient, zal anderen niet veroordelen. Daarentegen zal iedereen wat hij ook doet, handelen tot meerdere eer en glorie van God (cf. 1Kor 10,31 ; 2Kor 4,15)… Zo zullen een grote samenhang en een oprechte harmonie “banden van vrede” vormen (Ef 4,3), die hen zal verenigen en ze met transparantie en eenvoud onder de welwillende blik van God laat leven. Het belangrijkste is vanzelfsprekend de volharding in het gebed. Overigens wordt één ding behaald: ieder moet in zijn hart die schat bezitten die de levende en geestelijke aanwezigheid van de Heer is. Of hij nu werkt, bidt of leest, een ieder moet kunnen zeggen dat hij dat onvergankelijke goede bezit en dat is de heilige Geest.
(Benedictus)