Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.


Heiligenleven
De heilige Taïsia

Heilige Taïsia
De heilige Taïsia, een vrouw van buitengewone schoonheid, leefde daarvan in Alexandrië, in de 4e eeuw. Het kwam vaak tot een hevige strijd tussen haar minnaars, en zij was verantwoordelijk voor verschillende doden. De oude kluizenaar Pafnutios hoorde in de woestijn de verhalen hoe zij de jeugd het hoofd op hol bracht, en hij kwam tot de overtuiging dat hij met haar moest spreken. Hij ging naar de stad, trok gewone kleren aan, ging naar haar huis en vroeg haar te spreken. Zij ontving hem in haar schitterend verblijf, uitgestrekt op een kostbare divan. Pafnutios stond voor haar en keek haar aan. Zijn ogen vulden zich met tranen en hij sprak slechts met moeite. Hij zei: “Laat iedereen weggaan”. “Maar er is hier niemand dan God”, antwoordde zij. “Wat,” riep hij, “weet je dan dat God bestaat?” “Ja, ik ben christelijk opgevoed en ik weet dat dit waar is.” “En weet je dan ook dat de hemel er is voor de gerechten maar de hel voor de goddelozen?” En zij stamelde: “Ja.” Toen brak hij in wenen uit en snikte: “O almachtige God, zij kent U en weet wat Gij gereed hebt voor wie U dienen en wat voor wie U beledigen; en toch heeft zij zoveel arme zielen tot val gebracht, die U hadden kunnen aanschouwen en in Uw heerlijkheid hadden kunnen rusten in alle eeuwigheid, en die nu moeten jammeren in eindeloze ellende”.
Dit woord doorbrak de ijskorst van Taïsia’s hart. Zij begon te beven, sprong overeind en viel neer voor de oudvader, omklemde zijn voeten en smeekte: “Vader, vader, laat mij zien hoe ik eraan kan ontkomen. Leer mij hoe ik berouw moet hebben!”
Hij zei dat hij voor haar een plaats ging gereed maken in het vrouwenklooster. Intussen maakte zij een brandstapel van haar rijke gewaden en kwam in oude kleren naar de cel die Pafnutios voor haar had ingericht. Hij verzegelde de deur achter haar en vroeg de zusters haar water en droog brood aan te reiken door het kleine deurvenster. En aan Taïsia verbood hij om zelfs maar haar handen ten hemel te heffen of de naam van God over haar lippen te laten komen, doch zich slechts naar het Oosten te richten en te zeggen: “Gij Die mij geschapen hebt, heb medelijden met mij.”
Drie jaren gingen zo voorbij. Pafnutios had veel over Taïsia nagedacht en voor haar gebeden en hij had medelijden met haar. Hij ging naar Abba Antonios en vroeg hem of hij de gestrengheid van haar boete zou mogen matigen, en of God haar zonden vergeven had. Antonios vroeg toen aan de broeders om een dag te vasten en de nacht door te brengen in gebed om te weten te komen wat Gods wil was. Terwijl zij zo in zwijgend gebed bijeen waren, sloeg de oudste leerling van Abba Antonios, de heilige Paulos de Simpele, plotseling de ogen op en zag in een visioen een plaats vol heerlijkheid in de hemel. En hij zei: “Dat is zeker de plaats voor mijn vader Antonios”. Maar een stem antwoordde hem: “Neen, zo is het niet; die plaats is voor Taïsia, de boetelinge”.
In grote vreugde haastte Pafnutios zich nu naar het klooster. Hij brak de deur van de cel open en zei tot Taïsia: “Kom naar buiten, de Heer heeft uw zonden vergeven”. Zij antwoordde: “Sinds de dag dat ik hier binnentrad, drukten zij mij als een ondraaglijke last, dag en nacht” . Waarop Pafnutios zei: “Juist daarom heeft de Heer u vergiffenis geschonken.” Nadat zij uit haar cel gekomen was, leefde Taïsia nog twee weken en ging toen over naar de Heer.

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar
Commentaar op het overeenkomstig Evangelie, 1, 18-19 ; SC 121

“U doorzoekt de Schriften… welnu, juist die getuigen over Mij”
Het woord van God is een levensboom die je overal gezegende vruchten aanbiedt; ze is als een geopende rots in de woestijn, die voor elke mens overal, een geestelijke drank wordt: “Zij aten allemaal hetzelfde geestelijk voedsel, en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank” (1Kor 10,3; Ex 17,1v)
Dat degene die een deel van deze rijkdommen krijgt, niet gaat geloven dat er in het woord van God slechts dat is, wat hij erin vindt; dat hij er eerder rekening mee houdt dat hij slechts in staat was om er slechts één ding in te ontdekken tussen vele andere. Dat hij verrijkt door het woord niet gelooft dat deze verarmd is; dat ook al is hij niet in staat om haar rijkdom te putten, dat hij dankt voor haar grootheid. Verheug je, want je bent verzadigd, maar wordt niet bedroefd omdat de rijkdom van het woord je te boven gaat.
Degene die dorst heeft verheugt zich om te drinken, maar hij wordt niet bedroefd om zijn onmacht om de bron volledig te kunnen uitputten. Het is meer waard dat de bron je dorst lest, dan dat je dorst de bron uitput. Als je dorst gelest is zonder dat de bron uitgedroogd is, dan kun je, iedere keer dat je dorst zult hebben, opnieuw drinken. Als je daarentegen, door je te verzadigen, de bron uitput, dan zal je overwinning je ongeluk worden. Dank voor wat je hebt ontvangen en mopper niet over wat ongebruikt blijft. Wat je hebt genomen en meegenomen is van jou; maar wat blijft is ook je erfenis.
bron : http://www.dagelijksevangelie.org


Heiligenleven
De heilige Konstantijn XI Paleologos

De heilige martelaar Konstantijn Xl werd in 1405 geboren als 4e zoon van Keizer Manuel ll Paleologos. Zijn moeder was de Servische prinses Helena Dragas. Hij had een nauwe band met haar en gebruikte haar naam later als eretitel. Toen hij 17 jaar oud was probeerden de Turken, na in 1402 door de Mongoolse heerser Tamerlan verslagen te zijn, opnieuw Konstantinopel in te nemen. De stad kon toen nauwelijks verdedigd worden, en keizer Manuel stierf aan een beroerte.
De nieuwe keizer, Joannes Vlll Paleologos, zag in dat er hulp van het Westen moest komen, anders was de situatie hopeloos. De westerse voorwaarde voor hulp was echter gehoorzaamheid aan de paus, en vereniging van de Orthodoxe Kerk met die van Rome. Tijdens zijn afwezigheid had Konstantijn als regent een verdrag met de Turken gesloten, waardoor de stad verder gevrijwaard zou blijven voor aanvallen, tegen betaling van een jaarlijkse som geld. Na de terugkeer van Joannes, kregen Konstantijn en zijn andere broers elk een stuk van de Griekse Peloponnesos toegewezen, dat grotendeels onder het gezag van Byzantium viel. Binnen korte tijd was de gehele Peloponnesos onder controle, maar dit verontrustte de Turken en leidde ook tot strijd tussen de broers. Joannes haalde Konstantijn nu naar Konstantinopel, en gaf daarmee aan dat hij troonopvolger was.
ln 1437 ging Joannes weer naar ltalie voor hulp uit het Westen, en liet zich overhalen tot de Unie van Florence (1439), waardoor velen in Konstantinopel zich verraden voelden. Zij vertrouwden liever op God dan op een unie.
De verhouding met Rome leek echter beter. ln 1443 keerde Konstantijn naar Mistra in de Peloponnesos terug om het bestuur weer op zich te nemen, en hij herbouwde de verdedigingsmuur over de lsthmus bij Korinthe. De paus organiseerde daarop een kruistocht tegen de Turken, maar die werd volledig verslagen. Daarna versloeg Sultan Murad Konstantijn, zodat deze voortaan een jaarlijks tribuut moest betalen.
Op 6 januari 1449 werd Konstantijn tot keizer uitgeroepen in Mistra. ln 1451 werd de overleden Sultan Murad opgevolgd door zijn jonge zoon Mohammed ll. Deze zwoer dat hij Konstantinopel met rust zou laten, maar toch probeerde Konstantijn de paus over te halen zijn beloofde steun te geven. Deze weigerde, omdat de Orthodoxe Kerk de Unie van Florence verwierp.
Konstantijn probeerde van de nieuwe Turkse heerser meer geld los te krijgen voor het gevangen houden van diens voornaamste rivaal, maar zette hem daardoor aan tot beleg van Konstantinopel. Konstantijn verklaarde toen formeel de oorlog aan de sultan en maakte de stad gereed voor de belegering. Hernieuwde verzoeken om hulp uit het Westen hadden alleen de komst van een pauselijk gezantschap tot gevolg, dat van de situatie gebruik maakte de Unie van Florence door te zetten. Toen het Westen eindelijk in beweging kwam, was het te laat.
In 1453 liepen de voorraden in de stad ten einde, het voedsel werd onbetaalbaar. Goud en zilver uit de kerken werd gebruikt om de nood te lenigen.
Konstantijn hield persoonlijk toezicht op de aanleg van versterkingen waarmee de inwoners van de stad, mannen en vrouwen, dag en nacht bezig waren. Op Paasmaandag, 2 april 1453, begon de definitieve Turkse aanval met een niet aflatend bombardement, waartegen de driedubbele muren van Konstantinopel niet bestand waren: ze stortten stuk voor stuk in. Konstantijn vroeg de sultan om vrede, maar was niet bereid diens eis, de stad over te geven, in te wiligen.
De spanning in de stad werd ondraaglijk. De hulp uit het Westen was er niet en Konstantijn voelde zich bedrogen. Op 24 mei was er ook nog een maansverduistering, en viel de ikoon van de heilige Moeder Gods, de beschermster van de stad, op onverklaarbare wijze op de grond.
In afwachting van de bestorming werden de bombardementen plotseling gestopt. In de stad werd een laatste processie gehouden, met Konstantijn aan het hoofd. Daarna sprak hij zijn soldaten toe, en zijn woorden maakten grote indruk.
Tijdens de liturgie die volgde, de eerste die na de proclamatie van de Unie van Florence in de Agia Sofia werd gehouden, ontving hij de Communie, daarna ging hij zijn troepen op de muren inspecteren.
In de ochtend van 29 mei kwam de bestorming. Na zes uur slaagden de aanvallers erin de Turkse vlag te hijsen op een van de torens, waarop er paniek uitbrak in de stad. Konstantijn wierp zijn keizerlijke eretekens af en wierp zich met getrokken zwaard in de strijd.
Hij werd het laatst gezien bij de Poort van de heilige Romanos, waar hij roemrijk sneuvelde, zoals past voor de laatste keizer van het Byzantijnse Rijk.
heiligenlevens voor elke dag : orth.klooster Den Haag


Heiligenleven
De heilige Pelagia

Heilige Pelagia
De heilige boetelinge Pelagia was de eerste actrice en danseres van het theater in Antiochië. De bisschop van de stad hield eens een synode, waarbij ook de oude bisschop Nonnos van Edessa aanwezig was, een oudvader uit de woestijn, die min of meer met geweld bisschop was gewijd, en die de gave van het overtuigende woord bezat. Tijdens de rustpauze zaten de bisschoppen buiten in de schaduw rustig met elkaar te praten. Juist passeerde toen Pelagia in haar stralende schoonheid, met rijke gewaden en kostbare paarlen‚ die haar de bijnaam Margarita hadden bezorgd. De bisschoppen wendden het hoofd af, maar Nonnos zag haar vol in het gezicht en staarde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was.
Hij vroeg toen aan de anderen of zij haar schoonheid hadden gezien, maar zij gaven geen antwoord. Toen boog Nonnos het hoofd over de knieën en toen hij weer opkeek zagen zij dat zijn boek nat was van tranen. En hij zei: “Het was inderdaad een schoon schouwspel, maar ik geloof dat God haar op onze weg heeft gebracht om een oordeel te vellen over ons leven als bisschop. Denk u toch in hoeveel tijd zij besteedt om zich te baden en te zalven en te kleden, en hoeveel inspannende oefeningen zij moet doen om haar beroep als danseres te kunnen uitoefenen. Vergelijken wij dat eens met de moeite die wij opbrengen voor onze taak, en of wij ons ook zo inspannen om onze ziel te reinigen en die behaaglijk te maken voor de ogen van onze rechtvaardige en heilige Heer.” En ‘s avonds, in de hem toegewezen cel, wierp hij zichzelf op de vloer en bad wenend, tot hij in slaap viel met zijn hoofd in zijn handen.
De volgende zondag werd Nonnos verzocht de preek te houden na het Evangelie. Hij was geen geleerde, maar hij was bezield door de Heilige Geest zodat het volk diep ontroerd was. Onder het gehoor bevond zich ook Pelagia, die uit nieuwsgierigheid naar de kerk was gegaan, waarin zij nog nooit een voet had gezet, want zij was een heidense. Haar ziel werd door God geraakt, zodat zij in snikken uitbarstte. Het was geen voorbijgaande ontroering, maar zij deed alles om Nonnos te spreken te krijgen en gedoopt te worden. Na haar doop verdween zij uit het gezicht.
Enkele jaren later kwam de diaken van bisschop Nonnos, die ook deze gebeurtenissen uitvoerig opgeschreven heeft, naar, Jeruzalem, met de opdracht van Nonnos om onderzoek te doen naar een monnik Pelagios. Hij vond deze in een kluis op de Olijfberg, en hoorde overal in Jeruzalem met veel eerbied over hem spreken. Toen hij die monnik de volgende dag opnieuw wilde bezoeken, kreeg hij geen antwoord meer op zijn kloppen: Pelagios was gestorven. Er werd een plechtige begrafenis voorbereid en toen bleek dat de vereerde kluizenaar een vrouw was geweest. Toen kwamen alle monniken en monialen uit de kloosters van Jericho en de Jordaan-streek, en zij begroeven haar met kaarsen en lampen en hymnen, terwijl het lichaam gedragen werd door de heilige Vvaders, in 457. Haar relieken bevinden zich te Jouarre in Frankrijk.
heiligenlevens voor elke dag : uitg.orth.klooster Den Haag


H. Johannes Chrysostomus (ca 345-407), priester te Antiochië, daarna bisschop te Constantinopel, kerkleraar
Homilie over de Tweede brief aan de Korintiërs, 12,4 ; PG 61, 486

“Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel”
Alleen de christenen schatten de dingen op hun juiste waarde in, en ze hebben niet dezelfde redenen om zich te verheugen en bedroefd te zijn als de rest van de mensen. Bij het zien van een gewonde atleet, die op zijn hoofd de overwinningskroon draagt, kan iemand, die nooit ook maar een enkele sport heeft beoefend, alleen de blessures zien die deze mens laten lijden; hij kan zich het geluk van de gewonde atleet, dat zijn beloning hem verschaft, niet inbeelden. Zo doen de mensen waarover wij spreken. Ze weten dat wij beproevingen ondergaan, maar niet waarom wij ze verdragen. Ze zien slechts het lijden. Ze zien de strijd die we aanvaarden en de gevaren die ons bedreigen. Maar de beloningen en de bekroningen blijven voor hen verborgen, evenals de reden van onze strijd. Zoals Paulus bevestigt: “Wij lijken berooid van alles, maar we bezitten alles” (2Kor 6,10)…
Wat ons betreft, wanneer we onderworpen zijn aan een beproeving om Christus, verdragen we het dan onverschrokken, meer nog, met vreugde. Als we vasten, laten we dan huppelen van vreugde alsof we gelukzalig zijn. Als men ons beledigt, laten we dan blij dansen alsof we vervuld waren met lofzang. Als we pech hebben, beschouwen we het dan als winst. Als we aan de arme geven, overtuigen we ons er dan van dat wij ontvangen… Herinner je voor alles dat je strijd voor Jezus Christus. Dan zul je met plezier de strijd aangaan en je zult altijd in vreugde leven, want niets maakt ons zo gelukkig als een goed geweten.

1
De hymne Akathistos is gemeenschappelijk aan alle christenen van de Byzantijnse ritus, of zij nu katholiek of orthodox zijn. Zo vormt ze een oude en plechtige brug naar de volledige gemeenschap van de Kerk in het Oosten en het Westen.
Hymne Akathistos, eerste deel, strofe 1-12
1. A prince of the angels
was sent from heaven,
to say to the Mother of God, ‘Hail!’ [Three times]
And as, at his bodiless voice,
he saw you, Lord, embodied,
he was astounded and stood still,
crying out to her like this:
Hail, you through whom — joy — will shine out,
Hail, you through whom — the curse — will cease.

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar
Hymne over de Drie-eenheid

Efraïm de Syriër
“Een enige God, een enige Heer, in de drieëenheid van de Personen en de eenheid van hun natuur”
Refrein:
Gezegend Hij die u zond.
Laten we, als symbool voor de Vader, de zon nemen,
voor de Zoon, het licht,
en voor de Heilige Geest, de warmte.
Hoewel Hij één wezen is, neemt men in Hem
een drieëenheid waar.
Het onverklaarbare begrijpen, wie is dat gegeven?
Deze eenheid is meervoudig: één is gevormd uit drie,
en drie vormen slechts één,
groot mysterie en manifest wonder.
De zon is te onderscheiden van zijn straling
hoewel zij verenigd zijn;
zijn straal is immers ook de zon.
Toch spreekt niemand van twee zonnen,
zelfs als de straal
hier beneden ook de zon is.
We zeggen net zo min dat er twee Goden zijn
God, dat is Onze Heer;
maar ook Hij, die boven al het geschapene is.
Wie kan aanwijzen hoe en waar
de straal met de zon verbonden is,
en zijn warmte, ook al is die vrij?
Zij zijn niet gescheiden noch verward,
verenigd en toch te onderscheiden
vrij maar verbonden, o wonder.
Wie kan, ook al kijkt hij nog zo goed, greep op hen krijgen?
Terwijl ze op het oog
toch zo simpel, zo eenvoudig lijken.
Terwijl de zon hoog in de lucht verblijft,
zijn zijn helderheid en zijn gloed,
voor hen hier beneden, een duidelijk symbool.
Ja, zijn straling is neergedaald op aarde
en bewoont onze ogen
zoals hij ons lichaam bekleedde.
Wanneer de ogen, zoals van de doden, zich sluiten bij de slaap,
verlaat hij hen,
zij die vervolgens weer zullen ontwaken.
En hoe het licht bij het oog naar binnen komt,
niemand kan dat begrijpen,
zo ook komt de Heer bij ons in het hart.
Zo heeft onze Redder een lichaam bekleed,
om, in al zijn kwetsbaarheid,
het heelal te komen heiligen.
Maar, wanneer de straal weer terugkeert tot zijn bron,
is hij nooit gescheiden geweest,
van diegene die hem verwekte.
Hij laat zijn warmte achter voor hen hier beneden
zoals onze Heer,
de Heilige Geest aan zijn leerlingen heeft nagelaten.
Kijk naar deze beelden in de geschapen wereld
en twijfel niet aan de Drie,
want anders zul je je verliezen.
Dat wat duister was heb ik voor je verhelderd:
Hoe de drie één zijn,
drieëenheid die slechts één wezen vormt!
Refrein:
Gezegend Hij die u zond.


Heiligenleven
De heilige Flavianos Patriarch van Constantinopel

Flavianos van Constantinopel
De heilige Flavianos, hiëromartelaar, patriarch van Constantinopel, was eerst schatbewaarder en priester van de Grote Kerk (Agia Sofia) in Constantinopel in de tijd van Johannes Chrysostomos, door wie hij geestelijk was gevormd, in 449 werd hij tot patriarch gekozen, maar zijn bestuur duurde niet lang, ten gevolge van een warnet van oosterse intriges. Keizer Theodosios was een zwakke figuur, die geheel onder invloed stond van Chrysapios, de opperste hofbeambte. Deze had zelf een andere kandidaat en begon nu systematisch de positie van Flavianos te ondermijnen. Hij liet de keizer aan de patriarch een geschenk vragen voor de wijding. Deze zond hem een ‘eulogion’ toe, een van de prosfora’s die gebruikt waren bij de heilige Liturgie. Chrysapios liet zeggen dat er een ander soort geschenk bedoeld werd. Flavianos, die altijd gestreden had tegen het euvel van de simonie (het verkopen van kerkelijke diensten en ambten voor geld) en daarvan zelfs de schijn wilde vermijden, antwoordde dat alle bezittingen van de kerk uitsluitend gebruikt mochten worden voor de luister van de dienst en om de armen bij te staan.
Vervolgens bewerkte hij de keizerin, Eudoxia, die het niet goed kon vinden met de zuster van de keizer, Pulcheria, om deze tot diakones te laten wijden, zodat ze van het hof verwijderd zou zijn. Ook bij deze aanvraag weigerde Flavianos pertinent om zich te lenen voor hofintriges. in die tijd was Eutyches abt van een klooster van driehonderd monniken, bij Constantinopel. Hij was een bekrompen geest, en in zijn fanatieke ijver tegen de dwaling van Nestorios, die de eenheid van de Persoon in Jezus Christus ontkende, was hij monofysiet geworden. Hij erkende in Christus alleen maar de goddelijke natuur, die zich min of meer met een schijnlichaam had bekleed. Ondertussen had Flavianos een concilie bijeengeroepen in Constantinopel, waar Eutyches werd gevraagd om rekenschap te geven van zijn prediking. Op herhaalde oproepen liet hij niets horen, maar tenslotte verscheen hij in gezelschap van een afdeling soldaten. Hij verklaarde dat hij slechts één natuur erkende in Christus en dat hij niet gekomen was om te disputeren, maar alleen om getuigenis af te leggen van zijn geloof. Daarop werd hij door de vaders van het concilie veroordeeld. Eutyches wendde zich toen tot Rome, maar van paus Leo de Grote kreeg hij een uitvoerige brief waarin deze duidelijk de orthodoxe leer uiteenzette. Deze brief is ook opgenomen in de akten van het concilie van Chalcedon, waar de dwalingen van Eutyches plechtig werden veroordeeld.
Intussen had Chrysapios de keizer bewerkt om een nieuw concilie bijeen te roepen, nu onder voorzitterschap van een andere bisschop, omdat Flavianos partijdigheid verweten werd, maar het resultaat was hetzelfde. Nu wendde Chrysapios zich tot de patriarch van Alexandrië, Dioskoros, een omkoopbaar man met een heftig karakter. Keizer Theodosios werd overgehaald tot hun ideeën die de schijn van wereldse logica bezitten, zodat hij te Efese een synode bijeenriep onder voorzitterschap van Dioskoros, om er een vaste grond aan te geven. Het verloop van deze synode werd beheerst door gewapende terreurgroepen, die een schrikbewind uitoefenden over ieder die orthodoxe meningen durfde te uiten. Daarom heeft deze synode in de geschiedenis de naam gekregen van ‘Roverssynode’. Flavianos werd veroordeeld en terstond als een misdadiger geboeid en zwaar mishandeld. De anderen lieten zich intimideren en ondertekenden het bevel tot zijn afzetting en verbanning. Daar zou het echter niet van komen, want na drie dagen was Flavianos reeds aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden, in 449. Een jaar later stierf keizer Theodosios en hij werd opgevolgd door keizer Markianos. Er waren intussen zoveel protesten binnengekomen tegen de wijze waarop de uitspraak in Efese tot stand was gekomen, dat hij een nieuwe synode bijeenriep in Chalcedon, die nu bekend is als het vierde oecumenische concilie. Daar werd het monofysitisme als ketterij gebrandmerkt, omdat daardoor het heilswerk van Christus van zijn wezenlijke waarde beroofd wordt. Flavianos werd erkend als martelaar voor de orthodoxie en zijn relieken werden plechtig overgebracht naar Constantinopel en bijgezet in de kerk van de heilige apostelen.


H. Ireneus van Lyon (ca130-ca 208), bisschop, theoloog en martelaar
Tegen de ketterij, IV, 14

“Om het eeuwige leven te schenken aan allen, die U Hem gegeven hebt”
In den beginne heeft God Adam niet gevormd omdat Hij behoefte had aan de mens, maar om iemand te hebben in wie Hij zijn weldaden kon leggen. Want niet alleen om Adam, maar zelfs om de schepping, verheerlijkte het Woord de Vader, door in Hem te blijven, en Hij werd verheerlijkt door de Vader, zoals Hij zelf zegt: “Vader, verheerlijk Mij met de glorie die Ik bij U had voor het begin van de wereld”. Het was niet omdat Hij onze dienst nodig had dat Hij ons heeft gevraagd om Hem te volgen, maar om ons redding te verschaffen. Want de Redder volgen is aandeel hebben aan de redding, zoals het licht volgen, aandeel aan het licht hebben is.
Wanneer mensen in het licht zijn, zijn zij het niet die het licht aansteken en het laten stralen, maar worden zij verlicht en daardoor stralend gemaakt; zonder er zelf iets aan toe te voegen, genieten zij van het licht en worden zij erdoor verlicht. Zo gaat het ook met de dienst aan God; onze dienst brengt God niets, want God heeft geen behoefte aan de dienst van de mensen; maar aan hen die Hem dienen en die Hem volgen, geeft God het leven, de onvergankelijkheid en de eeuwige glorie…
Als God die goed en barmhartig is, de dienst van de mensen vraagt, is het om zijn weldaden te kunnen toekennen aan degenen die in de dienst aan Hem blijven volharden. Want aangezien God niets nodig heeft, heeft de mens behoefte aan eenheid met God. De glorie van de mens is het volharden in de dienst aan God. Daarom zei de Heer tegen zijn leerlingen: “Niet u hebt Mij gekozen, maar Ik heb u gekozen” (Joh 15,16). Hij deelde daarbij mee dat zij het niet waren die Hem verheerlijkten door Hem te volgen, maar dat zij door Hem werden verheerlijkt, doordat ze de Zoon van God volgden. “Vader, Ik wil dat daar waar Ik ben ook zij met Mij zijn, opdat zij mijn glorie aanschouwen” (Joh 17,24).
http://www.dagelijksevangelie.org


Oecumene en spiritualiteit
Gods Oproep aan Zijn Kerk
Vassiliki Rydén
Heer, ik bid zoals U hebt gebeden : mogen wij allen één zijn zoals de Vader in U en U in Hem, opdat de wereld gelove dat het de Vader was die U heeft gezonden. Daarom bidden wij ook voor de schapen die niet van Uw schaapstal zijn, opdat ook zij zullen luisteren naar Uw Stem. Wij bidden dat de wereld U vanaf vandaag gaat beminnen. Amen

Heiligenleven
De heilige Gudula (Goedele)

Heilige Goedele
De heilige Gudula werd in de 7e eeuw( ± 650) in Ham (België) geboren als dochter van graaf Witger en zijn vrouw, de heilige Amalberga. Haar moeder vertrouwde haar voor haar opleiding toe aan de heilige Gertrudis, Gudula’s peettante en abdis van een klooster in Nijvel. Het was voor die tijd heel bijzonder dat een meisje zo’n gedegen opleiding kreeg. Nadat haar opleiding voltooid was, keerde ze terug naar het huis van haar ouders en wijdde haar dagen aan gebed en werken van naastenliefde onder de zieken en armen. Ze had de gelofte van zuiverheid afgelegd en was heel vroom. Elke morgen, bij het kraaien van de haan, ging ze op weg naar de kerk in Moorsel. Daarmee hangt ook de volgende legende samen:
Toen ze zo weer eens op weg was naar de kerk, woei haar lantaarn uit. Vuur maken was een tijdrovende zaak. Zij bad tot God, en de lamp ging vanzelf weer branden.
Er worden vele wonderen aan haar toegeschreven. Zo trof ze eens, op weg naar de kerk, een arme bedelares aan met een kind dat helemaal onder de zweren zat. De heilige Gudula begon te bidden en het kind werd genezen. Ook een melaatse vrouw werd door haar gebeden genezen.
Het gezin van Witger en Amalberga was zeer gelovig.
Beide ouders traden op latere leeftijd elk in een klooster, de zus van Gudula was de heilige Reinhildis van Kontich, martelares, haar broer Emebertus van Cambrai was bisschop van Arras.
Het is niet duidelijk hoe Gudula is gestorven. Rond 680 zou er in Halle een overval zijn geweest waarbij zij om het leven zou zijn gekomen, maar een andere overlevering zegt dat zij aan de overvallers wist te ontkomen en tot 712 een teruggetrokken leven leidde als kluizenares.
Na haar dood wilde men haar overblijfselen bijzetten in Nijvel, maar de heilige gaf door een wonder te kennen dat ze liever in Moorsel begraven wilde worden. Men heeft haar begraven op een plaats in Moorsel waar midden in de winter een boom begon te bloeien.
Ook op het graf van de heilige hebben vele wonderen plaats gevonden.
Haar relieken zijn tenslotte, in 1047, overgebracht naar de Sint Michaelskerk in Brussel.
Gudula is de patroonheilige van Brussel. Haar feestdag is 8 januari.
Heiligenlevens voor elke dag – Orth . Klooster Den Haag


H. Ignatius van Antiochië (?- ca. 110) bisschop en martelaar
Brief aan de Efeziërs

Ignatius van Alexandrië
“Opdat allen één mogen zijn zoals U, Vader, in Mij
en Ik in U”
U zou Jezus Christus op alle mogelijke manieren moeten verheerlijken. Hij heeft u verheerlijkt opdat u verenigd in dezelfde gehoorzaamheid, onder het gezag van de bisschop en zijn priesters, volledig zou worden geheiligd. Ik geef u geen bevelen. Ik ben wel, en dat is waar, belast met ketenen om de christelijke naam, maar ik heb de volmaaktheid nog niet bereikt in Jezus Christus. Ik begin pas met zijn scholing, en als ik me richt tot u, dan is dat aan medeleerlingen. Het is eerder zo dat ik een voorbereiding op de strijd nodig zou hebben gehad door uw geloof, uw aansporingen, uw geduld en uw mildheid. Maar aangezien de naastenliefde me niet toestaat om te zwijgen, neem ik het voortouw, en ik roep u op om in overeenstemming met de Geest van God voort te gaan. Want Jezus Christus, de onafscheidbare Grond van ons leven, is zelf de gedachte van de Vader, zoals de bisschoppen, die gevestigd tot aan de uiteinden van de wereld, slechts één zijn met de geest van Jezus Christus.
U moet dus samen met uw bisschop slecht één en dezelfde gedachte hebben; dat is overigens wat u reeds doet. U, priesters, die God werkelijk waardig zijn, zijn verenigd met de bisschop als de snaren op een lier; zo, vanuit een volmaakt akkoord van uw gevoelens en uw naastenliefde, verheft zich een concert van lofgezangen naar Jezus Christus. Dat ieder van u dat koor binnengaat; en dan in de harmonie van de samenklank, zult u door de eenheid zelf, de toon van God pakken en u zult allen de lofzangen aan de Vader met één stem zingen, door de mond van Jezus Christus… Het is dus in uw voordeel om u in een onberispelijke eenheid te houden; daardoor zult u genieten van een voortdurende vereniging met God zelf.
bron : http://www.dagelijksevangelie.org


Heiligenleven
De heilige profeet Jeremias

De heilige profeet Jeremia, een van de vier Grote Profeten. Hij was de zoon van de priester Chelkia uit Anatoth, geboren rond 650 vóór Christus, en profeteerde tijdens de regering van koning Josia en zijn opvolgers.
Tegen koning Jojakim profeteerde hij dat deze na zijn dood zou worden weggeworpen als een ezelsbegrafenis; daarom werd hij in de gevangenis geworpen, opdat het hem onmogelijk zou zijn om nog te schrijven. Maar toen dicteerde Jeremia zijn profetieën door de tralies heen aan Baruch, die ze optekende.
Naast het Boek der Profetieën schreef hij een bundel Klaagzangen. Ook schreef hij brieven naar de Joden die in slavernij verkeerden in Babylon‚ waarbij hij voorzegde dat het volk eerst na zeventig jaar zou terugkeren naar Jeruzalem.
Het leven van Jeremia toont op huiveringwekkende wijze het profetenlot: wat een mens die innerlijk verbonden is met God, op deze aarde moet ondergaan. Van nature was hij schuchter en teruggetrokken, maar door zijn goddelijke opdracht moest hij optreden tegen koningen, edellieden en opperpriesters. Terwijl er een oorlogssituatie bestond tussen lsraël en Babylon, moest Jeremia, in opdracht van God, onderwerping aan de vijand prediken, en aanvaarding van de nederlaag als straf van God voor de ontrouw waartoe het volk telkens opnieuw vervallen was. Het is niet verwonderlijk dat dit door zijn landgenoten werd gezien als defaitisme en verraad, en hij heeft daar dan ook telkens weer de gevolgen van moeten ondergaan: tegenwerking, mishandeling, gevangenschap en uiteindelijk de marteldood.
Maar tegelijk met zijn onheilsprofetieën heeft Jeremia ook het heil en de komst van de Messias verkondigd, waardoor de hoop levend bleef, óver het bittere lot van de ballingschap heen. Want het Verbond met de Gezalfde zal onverbrekelijk zijn, zoals de dag altijd weer volgt op de nacht.
Volgens een oude overlevering heeft hij, voordat de Tempel door koning Nabuchodonosor werd verwoest, de Ark van het Verbond verborgen in een spelonk van de berg Nabath‚ en deze is sindsdien onvindbaar gebleven. Jeremia werd gestenigd te Tafnis in Egypte, na de val van Jeruzalem in 587.



