H. Cyprianus (ca. 200-258), bisschop van Carthago en martelaar
Over de dood; PL 4, 583v

Cyprianus van Carthago
Ons ware verblijf
Zusters en broeders, verlies nooit uit het oog dat we van de wereld hebben afgezien en dat wij hierbeneden als tijdelijke gasten leven, als vreemdelingen (Heb 11,13). Laten we de dag zegenen die aan ieder zijn ware verblijfplaats aanwijst en die, nadat we uit deze wereld zijn weggenomen en losgemaakt van zijn verbanden, ons het paradijs en het Koninkrijk der hemelen brengt. Wie zou zich niet haasten om naar zijn vaderland terug te gaan na een tijd in het buitenland te hebben verkeerd? Wie zou zich niet een gunstige wind wensen om te varen om zo sneller de zijnen te kunnen omhelzen? Ons vaderland is het paradijs; vanaf het begin hadden wij aartsvaderen als vaders.
Waarom haasten we ons dan niet om ons vaderland te zien, waarom rennen we niet om onze ouders te begroeten? Daarginds wacht een menigte van geliefden op ons, ouders, broers en zusters, kinderen die al zeker zijn van de redding, maar nog bezorgd zijn om het onze; ze verlangen ernaar om ons midden onder hen te zien… Daar bevindt zich het glorieuze koor van apostelen, de menigte die door de profeten is aangezet, het ontelbare leger van martelaren die bekroond zijn met hun overwinning op de vijand en het lijden….; daar stralen de maagden…; daar worden de mensen beloond die vol compassie waren, die hun handelingen van liefde vermeerderd hebben door in de behoeften van de armen te voorzien en die, trouw aan de voorschriften van de Heer, gekomen zijn om de aardse goederen los te laten voor de hemelse schatten.
Laten we ons haasten om ons ongeduld te stillen en ons bij hen voegen, om sneller voor Christus te verschijnen. Dat God in ons deze aspiratie vinden mag…, Hij geeft de hoogste beloning van zijn heerlijkheid aan hen die dit het vurigste hebben verlangt.
