Paas wensen met oude postkaarten
Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.
H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar
2e Homilie voor de Heilige Nacht; PLS 2, 549-552 ; Sermon Morin Guelferbytanus 5
Laten wij waken, geliefden, want de herdenking aan Christus’ graflegging heeft geduurd tot deze nacht, om nog in deze nacht zelf tot de bekroning van de verrijzenis te komen naar het lichaam, dat toen, hangend aan het kruishout, werd bespot, maar dat nu in de hemel en op aarde wordt aanbeden. Die nacht behoort, zoals bekend, bij de volgende dag, de zondag, die wij beschouwen als de dag van de Heer. Hij moest vanzelfsprekend ’s nachts verrijzen, omdat Hij door zijn verrijzenis onze duisternis heeft verlicht… Zoals ons geloof, gesterkt door de verrijzenis van Christus, alle slaap verjaagt, evenals de nacht, verlicht door ons waken vervult zich met helderheid. Ze laat ons hopen, met de Kerk verspreid over de hele aarde, om niet meer door de nacht verrast te worden (Mc 13,33).
Bij veel volken waar dit feest, overal zo plechtig, verzamelt in de naam van Christus, is de zon ondergegaan – maar de dag is niet gevallen; de helderheid van de hemel heeft plaats gemaakt voor de helderheid van de aarde… Degene die ons zijn Naam heeft gegeven (Ps 29,2) heeft ook deze nacht verlicht. Degene tegen wie we zeggen “U verlicht mijn duisternis” (Ps 19,29) verspreidt zijn helderheid in onze harten. Zoals de verblinde ogen deze stralende toortsen schouwen, zo liet onze verlichte geest ons zien hoe lichtend de nacht is – deze heilige nacht waarin de Heer in zijn eigen vlees is begonnen aan het leven dat geen slaap en geen dood kent!
bron : dagelijksevangelie.org
Goede vrijdag
Goede Vrijdag
Zet mij even stil bij Goede Vrijdag
Zet mij even stil op Golgotha
Eerlijk gezegd vind ik het moeilijk
Iemand die moest sterven in mijn plaats
Maar toch, toch wil ik me Uw lijden beseffen
Toch, toch dank ik U dat U mij kwam redden! U liep de extra mijl
En stierf aan het kruis U ging door de hel
En ik mag naar huis U streed de zwaarste strijd En toch hield U stand
Mijn leven ligt bevrijd
In Uw doorboorde hand Kom me tegemoet Heer in mijn denken
Kom me tegemoet in al mijn trots
Ik red het liefst mezelf
En daarom denk ik dat Uw dood vaak met mijn leven botst
Maar toch, toch wil ik me Uw lijden beseffen
Toch, toch dank ik U dat U mij kwam redden!
Het is Goede Vrijdag en ik mag naar huis
Het is Goede Vrijdag en nu ben ik thuis
Matthijn Buwalda
De Ed’le Jozef
De ed’le Jozef heeft u van het kruis genomen
U o Heer
In smetteloos welriekend linnen heeft hij U gehuld.
Toen Gij in ’t dodenrijk zijt afgedaald
O onsterfelijk leven
Hebt Gij hades vernietigd door uw God’lijk licht
De Myrondraagsters kwamen aan Uw graf
O Heer en God
Maar de engel aan het graf sprak hun toe
Zie deze myronbalsem is passend
voor wie gestorven zijn
Maar Christus is de onvergankelijke Heer
Verraden door een vriend, onteerd, bespot, veroordeeld om eerloos te sterven. Gij antwoordt niet en wacht omdat gij weet dat waarheid overwinnen zal op duisternis en haat. Gij neemt op U het kruis van smaad en schande. Uw handen dragen hout dat weegt onder de last van liefdeloosheid, kwade wil. Verloochend door een vriend, terwijl de haan driemaal zal kraaien gaat gij, gebukt, de stad uit naar de berg, gehoorzaam als een lam. Uw liefde wint het op de haat Gij gaat de weg van kruis en zelfverloochening. Verminkt, vertrapt, draagt Gij de lasten van ontelbaar velen. Gij valt en weet wat het betekent ont-kracht, ont-luisterd en ont-eerd te zijn. Toch staat Gij op, gesteund, gedragen door het woord van Hem, de Ene die in U gelooft. Eén ogenblik een zee van pijn een druppel eeuwigheid van mateloze liefde. De woorden blijven steken in een onmachtig handgebaar. Wat kan haar nog bewegen dit dodenpad mét U te gaan? Gij kijkt haar aan en zij heeft het begrepen. Haar ogen zeggen ‘ja’ – zij laat U verder gaan Gij hebt aanvaard dat iemand hulp aanbood. De vreemdeling wordt vriend en deelgenoot in dit onmenselijk lijden. Ontmoeting wordt vertroosting wederzijds en Simon is sindsdien een ander mens. Zij durft het aan, baant zich een weg doorheen het kluwen van een wilde menigte, trotserend onbegrip en hoon. Ofschoon zij nauwelijks U kennen kan reikt zij haar hart en handen aan bewogen door de macht die mede-lijden heet. En Gij blijft staan – heel even – genoeg om haar erbarmen dankbaar te ondergaan. Zij zal dit nooit vergeten want uw gelaat, de afdruk, donker op het witte lijnwaad, draagt zij voor altijd met zich mee. Kostbaar geschenk, tastbaar nalatenschap voor eeuwen Gij valt een tweede maal. Wat weegt het zwaarst? Doodsangst of onverschilligheid van hen die U omringen? De pijn die in het lichaam snijdt of alles wat uw ziel, uw hart bezwaart? Geweld heeft veel gezichten. Maar Gij staat recht, gaat verder op de weg en draagt met liefde onze smart. Gij wordt geraakt, staat stil bij het verdriet van anderen. Nog vindt Gij woorden en gebaren die zegen en vertroosting zijn. Ween niet, althans niet over Mij, zegt Gij, maar heb verdriet om alles wat niet liefde is, om wat haar kwetst, verminkt en ondermijnt. En midden uw oneindig leiden zegt Gij: vrees niet en blijf in Mij. De wijnstok zal weer bloeien en vruchten dragen, honderdvoud. Gij valt een derde maal en voelt weerom de harde grond, de hardheid van uw mensen. Maar sterker dan de zwakheid van uw gefolterd lichaam spreekt uw wil, uw liefdedrang om één te zijn met wat uw Vader wil. Gij staat weer recht vóór ons, om onzentwil gehoorzaam tot de dood. Gij strompelt voort, gebroken, tot aan het altaar op de heuvel. Weerloos en beroofd van alles wat U toebehoorde, zelfs het kleed wordt weggenomen en niets geeft nog beschutting. En om uw naadloos kleed wordt grimmig hard gedobbeld. Toch blijft Gij voor God zelf de welbeminde Zoon. Gij zegt: bekleed u met gerechtigheid en tooi u met barmhartigheid want alles wat gij doet aan wie de minsten zijn, dat hebt gij ook aan Mij gedaan. Het is het derde uur als zij U kruisigen. Onzinnig is dit hout waarmee Gij één wordt nu en hoe uit-zinnig moet de liefde zijn die God zijn mensen toedraagt. Nog steeds wordt Gij gekruisigd in wie verdrukt, vervolgd, gepijnigd wordt. Nog steeds spreidt Gij uw handen uit in dit gebaar van geven en vergeven, van liefdevol ontvangen. Dit is het negende, het zwaarste uur, het uur van duisternis en eenzaamheid ten dode toe, verlatenheid en angst gekruid met bitterheid. Maar ook het uur dat Gij de geest, uw eigen leven hebt gegeven aan wie het dierbaarst bleven: de Moeder krijgt een Zoon, de Zoon ziet plots zijn Moeder! Uur van de dood maar meer nog: uur van leven!
Grote Donderdag
Herdenking van het Laatste Avondmaal
Prokimen – ps 2
De vorsten zijn samengeschoold tegen de Heer en tegen Zijn Christus.
Waarom woeden de heidenen, en zinnen de volken op ijdelheid ?
Ik ben door Hem als Koning gesteld over Sion, Zijn heilige berg. (1 Kor 11,23-32)
ALLELUIA Ps 40
Zalig hij die zorg draagt voor behoeftig
en en armen : ten dage van onheil zal de Heer hem bevrijden.
Mijn vijanden spreken kwaad over Mij : wanneer zal Hij sterven en zal Zijn Naam vergeten zijn ?
Zelfs Mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die Mijn brood met Mij at, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven.
Evangelielezing van grote Donderdag :
21] Tijdens de maaltijd zei Hij: ‘Ik verzeker jullie, een van jullie zal Mij overleveren.’ [22] Buitengewoon bedroefd als ze waren, begonnen ze Hem één voor één te vragen: ‘Ik ben het toch niet, Heer?’ [23] Hij gaf hun ten antwoord: ‘Wie met Mij zijn hand in de schaal doopt, die zal Mij overleveren. [24] De Mensenzoon gaat wel heen zoals over Hem geschreven staat, maar wee die mens door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt. Het zou beter zijn voor die mens, als hij niet geboren was.’ [25] Judas, die Hem wilde overleveren, reageerde: ‘Ik ben het toch niet, rabbi*?’ Hij zei tegen hem: ‘Jij hebt het gez
egd.’ [26] Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood*, sprak de zegenbede uit, brak het, gaf het aan zijn leerlingen en zei: ‘Neem en eet, dit is mijn lichaam.’ [27] Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die met de woorden: ‘Drink er allen uit, [28] want dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden. [29] Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok, tot de dag waarop Ik met
jullie de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’ [30] Na het zingen van de psalmen* gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg. Ze zullen allemaal ten val komen [31] Toen zei Jezus tegen hen: ‘Deze nacht nog zullen jullie allemaal ten val komen vanwege Mij, want er staat geschreven: Ik zal de herder treffen, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. [32] Maar na mijn opwekking zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’ [33] Petrus reageerde daarop en zei: ‘Al komen ze allemaal ten val vanwege U, ik zal nooit ten val komen.’ [34] Jezus zei Hem: ‘Ik verzeker je, in deze nacht,
nog voordat de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’ [35] Petrus zei Hem: ‘Ook al moet ik samen met U sterven, ik zal U niet verloochenen.’ In deze trant spraken alle leerlingen. In Getsemane [36] Toen ging Jezus met hen naar een plek die Getsemane* genoemd wordt, en Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Ga hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.’ [37] Hij nam Petrus* en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee en begon bedrukt en onrustig te worden. [38] Toen zei Hij tegen hen: ‘Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier, en blijf wakker met Mij.’ [39] Hij ging een eindje verder, wierp zich voorover en bad: ‘Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.’
1
Palmzondag
Loof en groen in onze handen
opgaan naar Jeruzalem.
Verwachting in ons hart
misschien zien we Hem.
We roepen mee of kijken uit
daar komt Jezus!
Hij lijkt moe.
Hosanna klinkt het luid
wachtend op respons.
Maar dat gezicht
is niet van een koning.
Meer een van ons!

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar Sermon 124

doop van Augustinus
“Wilt u genezen worden?”
De wonderen van Christus zijn symbolen van verschillende omstandigheden van ons eeuwige heil…; de badinrichting is symbool van een kostbare gave die het Woord van God ons geeft. Kort gezegd is het water het Joodse volk; de vijf zuilengalerijen zijn de Wetten van Mozes die in vijf boeken zijn opgeschreven. Dat water was omgeven door vijf zuilengalerijen, zoals het volk door de Wet die het beteugelde. Het water dat in beroering was, is de Passie van de Verlosser temidden van dat volk. Degene die dat water inging was genezen, maar één per keer om de eenheid te verbeelden. Zij die niet kunnen verdragen, dat men spreekt over de Passie van Christus, zijn trots; ze willen niet neerdalen en worden niet genezen. “Wat nou, zegt de hoogmoedige man, geloven dat God mens geworden is, dat God uit een vrouw geboren is, dat God werd gekruisigd, gemarteld en dat Hij met wonden overdekt was, dat Hij dood is en in doeken werd gewikkeld? Nee, nooit zal ik in deze vernederingen van een God geloven, ze zijn Hem onwaardig.”
Laat hier liever uw hart spreken dan uw hoofd. De vernederingen van een God lijken onwaardig voor arrogante mensen, daarom zijn ze ver verwijderd van de genezing. Pas dus op voor deze trots; als u uw genezing wenst, aanvaard het dan om neer te dalen. Men zou zich over veel dingen ongerust kunnen maken, als men zei dat Christus enige verandering heeft ondergaan toen Hij mens werd. Maar nee… uw God blijft wie Hij was, wees dus absoluut niet bang; Hij sterft niet en Hij zal ervoor zorgen dat u niet sterft. Ja, Hij blijft wie Hij is, Hij wordt uit een vrouw geboren, maar naar het vlees… Als mens werd Hij gegrepen, vastgebonden, gegeseld, bedekt met spot, uiteindelijk gekruisigd en ter dood gebracht. Waarom bent u bang? Het Woord van de Heer blijft eeuwig. Wie deze vernederingen van een God wegduwt, wil niet genezen worden van de dodelijke zwelling van zijn trots.
Door zijn menswording heeft de Heer Jezus Christus dus hoop gegeven aan ons vlees. Hij heeft de zeer bekende en zo gemeenschappelijke vruchten van deze aarde aangenomen, de geboorte en de dood. De geboorte en de dood, dat zijn immers de goederen die de aarde in overvloed bezat; maar men vond er geen verrijzenis, noch eeuwig leven. Hij vond hierbeneden ongelukkige vruchten van deze pijnlijke aarde, en Hij gaf ons in ruil daarvoor de goederen van zijn hemels koninkrijk.
bron : http://www.dagelijksevangelie.org
HEILIGENLEVEN
Martinus van Tours / Sint Maarten

Martinus van Tours
“Gallië is niet van Christus verstoken, Gallië waaraan Hij heeft gegeven Martinus te bezitten.” Met deze woorden besluit Sulpicius Severus omstreeks 400 zijn geschriften over Martinus, bisschop van Tours. Als was hij de gelijke van de apostelen, zo groeide Martinus uit tot een van de geliefdste heiligen van Frankrijk en tot een van de bekendste in West-Europa. Patroonheilige van de Franken en het latere Frankrijk werd hij, en beschermer van talloze kerken en kloosters in Frankrijk en daarbuiten. Ook in Nederland, waar bisschop Willibord (gestorven in 739) in de stad Utrecht een kerk aan Sint Maarten wijdde.
Het geboortejaar van Martinus is onzeker: 316 of 336? In 397 werd hij begraven in Tours, waar hij vanaf omstreeks 370 bisschop was geweest. Wat wij van het leven van Martinus weten is vrijwel alleen te danken aan Sulpicius Severus (ca. 363-ca. 420/25), die Martinus persoonlijk gekend heeft. Nog voor de dood van Martinus beschreef hij diens leven, zijn idealen en daden in de Vita Sancti Martini. Nadat de bisschop gestorven was, vulde hij dit heiligenleven aan met drie brieven en enkele gesprekken (dialogen).
Het leven van Sint Maarten volgens Sulpicius Severus
Het leven van Martinus, zoals beschreven door Sulpicius Severus, begon in Sabaria, nu Szombathely geheten, een stad in het huidige Hongarije, dicht bij de Oostenrijkse grens. Destijds was het een Romeinse garnizoensstad waar zijn vader, in dienst van de Romeinen, gelegerd was. Zijn jeugd bracht Martinus voornamelijk door in het Italiaanse Pavia, waarheen zijn vader was overgeplaatst.
Hoewel zijn ouders heidens waren, wilde Martinus als tienjarige doopleerling (catechumeen) worden. Vooral het voorbeeld van de woestijnvaders trok hem aan. Als zoon van een Romeins officier was hij echter verplicht het leger in te gaan. Op vijftienjarige leeftijd werd hij min of meer met geweld gedwongen deel te gaan uitmaken van de ruiterij van de keizerlijke garde. Hij diende onder meer in Gallië onder de latere keizer Julianus. In die tijd al toonde Martinus bescheidenheid: hij had bijvoorbeeld slechts één knecht, die hij als gelijke behandelde, en voor zijn medemensen had hij alle aandacht. Dat bleek toen hij bij de poort van de stad Amiens een naakte bedelaar trof. Niemand schonk aandacht aan de man, maar Martinus deelde met het zwaard zijn mantel en gaf hem de helft. De nacht daarop kreeg hij een droom waarin Christus verscheen, gekleed met het mantelstuk. Sulpicius Severus haalt dan Jezus’ woorden uit Matteüs 25:40 aan: “Alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.“
Nog tijdens de militaire dienst liet Martinus zich dopen. Twee jaar later verlaat hij de dienst en voegt zich bij Hilarius, bisschop van Poitiers. Deze wilde hem graag tot diaken benoemen, maar Martinus weigerde. Toen Hilarius hem de functie van exorcist aanbood, durfde Martinus dit niet af te slaan om niet de schijn te wekken dat hij neerkeek op deze wat lager aangeslagen taak van duiveluitdrijver.
Omdat hij in een droom de opdracht kreeg zijn ouders te gaan bezoeken om hen tot het christendom te bekeren, trok Martinus naar zijn geboortestreek. Zijn moeder wist hij te bekeren, zijn vader volhardde in het heidense geloof. Tijdens deze reis werd Martinus geconfronteerd met een heftige richtingenstrijd onder de christenen, eerst in Illyrië, later in Milaan. Op dat moment voerden de Arianen die onderscheid maakten tussen Vader en Zoon, de boventoon. Martinus behoorde, evenals Hilarius van Poitiers, tot de orthodoxen, die de opvatting verdedigden dat Vader en Zoon gelijk waren. Martinus werd verdreven uit Milaan, waar hij een monasterium had gesticht, een gemeenschap van eremieten. Hij trok zich terug op het eiland Gallinaria, vlak voor de kust bij Genua. Toen het tij voor de orthodoxen keerde, voegde Martinus zich weer bij Hilarius, die na een ballingschap in Poitiers was teruggekeerd. Martinus vestigde zich niet in de stad, maar nam zijn toevlucht tot een plek iets daarbuiten en stichtte daar een gemeenschap van eremieten en bouwde er een kerk. Sulpicius Severus duidt het opnieuw aan als monasterium, maar noemt de naam ervan niet. Latere bronnen geven die wel: Ligugé.
Toen de bisschopszetel van Tours vacant kwam wilden de burgers van die stad Martinus, wiens faam als machtig en waarlijk apostolisch man groeiend was, als bisschop. Anderen, onder wie enkele bisschoppen, waren tegen zijn benoeming vanwege zijn “verachtelijke optreden, vuile kleren en onverzorgde haren“. Het volk kreeg echter zijn zin. Ondanks zijn nieuwe ambt bleef Martinus zijn monachale levenswijze trouw. Niet ver van Tours stichtte hij het klooster Marmoutier, vanwaaruit hij zijn missiewerk ondernam. Net als in Ligugé leefden de broeders – Sulpicius Severus noemt het getal van 80 – apart, ieder in een eigen hut, zonder bezit en zonder handwerk te verrichten. Alleen het schrijven, kopiëren, was toegestaan, zij het dat dat aan jongeren was voorbehouden. Allen, onder wie aanzienlijken, volgden het voorbeeld van Martinus en wijdden zich met hem aan het gebed.
In de jaren ’80 van de vierde eeuw raakte Martinus opnieuw verzeild in twisten tussen christenen onderling. Nu ging de strijd om Priscillianus. Diens leer van het dualisme tussen geest en vlees kreeg meer en meer aanhang, raakte omstreden en werd ten slotte als ketterij veroordeeld. Dat was zijn tegenstanders echter niet genoeg en zij benaderden keizer Maximus, die zich net meester had gemaakt van de keizerlijke macht en zich in Trier bevond. Martinus was het oneens met degenen die een kerkelijke aangelegenheid voor het wereldlijk gezag wilden brengen. Hij ontlokte Maximus enkele beloften, die na Martinus’ vertrek uit Trier werden geschonden. Priscillianus en enkele van zijn medestanders werden door een wereldlijke rechtbank ter dood veroordeeld. Vanaf dat moment onthield Martinus zich van elke bisschoppelijke bijeenkomst.
Hoewel hij zijn einde voelde naderen, besloot Martinus naar Candes te gaan waar een twist was uitgebroken onder de geestelijken. Hij wist de partijen te verzoenen, maar daarna begaven zijn krachten het. Van heinde en verre kwamen de mensen om hem naar het graf in Tours te begeleiden onder het zingen van psalmen. Sulpicius Severus maakt een vergelijking met een wereldlijke triomftocht. Maar werden die triomfators in de hel geworpen, Martinus “de arme en bescheidene” kwam als heilige in de hemel.
Martinus als man van God
De geschriften van Sulpicius Severus vormen een pleidooi voor de wijze waarop Martinus zijn bisschopsambt invulde: hij bleef zijn ascetische levenswijze trouw zonder zijn bisschopsambt te verwaarlozen. Hij verbond zijn apostolische taak met zijn leven in eenzaamheid in Marmoutier.
Martinus komt naar voren als een man die niet geletterd is, zoals Sulpicius Severus wel was, maar als iemand die gezag uitstraalt: – virtus, auctoritas of dignitas zijn de woorden die Sulpicius Severus daarvoor gebruikt –, maar die ook nederigheid – humilitas – kent. Die eigenschappen maken Martinus tot een man van God, als brenger van het christelijk geloof, als iemand die zijn leven lang streed tegen de duivel en die ook beschikte over genezende krachten.
Martinus had allereerst een missie. Om het christelijk geloof te verbreiden stichtte hij vele kerken en visiteerde ze, waarbij hij regelmatig ook buiten zijn bisdom optrad. Op zijn sterfbed noemde hij zich ‘miles christi’, spiritueel strijder in dienst van Christus. Daarbij moest hij strijd voeren met het nog alom aanwezige heidense geloof. Zo wist Martinus een plek te ontmaskeren waar zogenaamde martelaren voor het christelijk geloof begraven zouden zijn. Op die manier kon hij de bevolking van bijgeloof bevrijden.
Talloze heiligdommen van heidenen verwoestte hij, niet zonder verzet van de bevolking. Na een vernietiging van een heidense tempel bijvoorbeeld, wilde hij ook de naastgelegen pijnboom omhakken, omdat die aan een demon was gewijd. Dat ging de omstanders te ver. Zij eisten dat Martinus zelf de boom zou opvangen. Zij plaatsten hem aan de kant waarheen de boom, die al sterk naar één kant overhelde, zou vallen. Toen de boom bijna op Martinus neerstortte hief deze zijn hand op in de richting van de boom en maakte een kruisteken. Alsof er een wervelwind opkwam boog de boom de andere kant op. Zo bleek in de woorden van Sulpicius Severus dat op die dag het heil naar die streek was gekomen. Niet altijd was er een wonder voor nodig – zijn prediking kon voldoende zijn om de heidenen zelf hun tempels te doen vernietigen.
Martinus had de duivel “zo klaar en duidelijk voor ogen, dat hij hem, of hij zich nu in zijn eigen wezen hield, hetzij zich veranderde in allerlei gestalten van geestelijke boosheid, toch altijd weer zag in welke gedaante dan ook“, zo lezen we bij Sulpicius Severus. De duivel trad hem tegemoet als Christus, als een Romeinse god of godin, of in mensengedaante. Toen de duivel hem in die laatste hoedanigheid toesprak met de woorden: “Waarheen gij ook gaat, en wat gij ook doet, u zult altijd de duivel tegenover u vinden” antwoordde Martinus met de woorden van de profeet: “De Heer is mijn Helper. Ik zal niet vrezen wat een mens mij doet.” Hij verloste ook velen van de duivel; zelfs een koe op wiens rug de duivel zich had genesteld, wist hij te bevrijden. Gebed of een kruisteken waren Martinus’ wapens. Nog vlak voor zijn dood riep Martinus het beeld op van roerdompen, die zonder ophouden jacht maakten op vissen. “Dit is een beeld van de duivels, zij belagen onvoorzichtigen, vangen onwetenden, verslinden gevangenen en zijn onverzadigbaar..” Met zijn machtig woord verdreef Martinus de vogels.
Niet alleen de duivel, de natuur, de heidenen, ook hooggeplaatsten trad Martinus met gezag tegemoet. Toen vele bisschoppen bijvoorbeeld in het gevlei trachtten te komen bij keizer Maximus, onthield Martinus zich daarvan met ”apostolisch gezag” omdat hij vond dat deze de troon op onwaardige wijze had verkregen.
Ook de genezingen of opwekkingen uit de dood die Martinus verrichtte, illustreren zijn kracht als man van God. Zo sterk was de gave van de genezing in hem, dat vrijwel elke zieke die bij hem kwam, genezen werd, zo memoreert Sulpicius Severus. Nog voor hij bisschop werd, wekte hij een catechumeen op uit de dood door op de dode te gaan liggen en vurig te bidden. Hetzelfde deed hij bij een knecht die zich verhangen had. Ook tijdens een van zijn vele predikingen onder de heidenen gaf hij een moeder haar gestorven kind weer levend terug. Hij kuste een melaatse, die daarop genezen werd en hem de volgende dag met een gave huid tegemoet trad. Niet alleen de heilige zelf was tot dergelijke wonderen in staat: ook vezels van Martinus’ gewaad brachten vele wonderen tot stand.
Sulpicius Severus schetst Martinus als iemand die eenvoudig gekleed ging. Dat was een van de argumenten om hem niet geschikt te vinden als bisschop. Hij gebruikte nooit de bisschopstroon, maar hij zat op een boerenkrukje. Slapen deed hij op de kale grond, met slechts een geitenharen kleed over zich heen.
Sulpicius Severus en zijn heilige
De sterke nadruk die Sulpicius Severus legt op Martinus’ ascetische levenswijze, ook tijdens zijn bisschopsjaren, dringt een vergelijking met de “woestijnvader” Antonius op. Maar terwijl deze zich terugtrok in de eenzaamheid, bleef Martinus de omgang met mensen zoeken en met hen in debat gaan, ook al wordt aan Marmoutier “de eenzaamheid der wildernis” toegekend. Niet voor niets laat Sulpicius Severus in de eerste dialoog zijn medebroeder Postumianus uitvoerig vertellen over zijn ervaringen onder oosterse eremieten. Zijn conclusie was dat Martinus het moeilijker had dan de oosterse eremieten en anachoreten omdat hij “levend midden in de gemeenschap en de omgang der mensen, onder twistende geestelijken, onder bisschoppen, die als wilden te keer gingen, gebukt onder bijna dagelijkse schandalen” standhield.
Sulpicius Severus’ bewondering voor Martinus was enorm. Het verhaal over zijn eigen ontmoeting met Martinus besluit hij aldus: “Nooit [heb ik] uit iemands mond zoveel wetenschap, zoveel goed begrip, zo zuivere taal gehoord.” En in een van de laatste hoofdstukken van de Vita luidt het: “Op zijn lippen lag alleen Christus, in zijn hart was slechts liefde, vrede en barmhartigheid.” Het leidde ertoe dat Sulpicius Severus besloot zijn carrière als advocaat op te geven en zijn verdere leven in dienst van Christus te stellen. Op zijn landgoed Primuliacum stichtte hij een gemeenschap als Marmoutier.
Invloed van de hagiografische geschriften is zeker aantoonbaar, met name van de Vita Antonii door Athanasius, maar ook van de antieke biografieën. Sulpicius Severus laat in zijn prachtig geschreven werk blijken een uitstekende klassieke opleiding te hebben genoten. De bewondering en de ontleningen aan ander werk zullen het verhaal zeker gekleurd hebben, maar het biedt voldoende ‘historische’ aanknopingspunten. Het is bovendien rijk aan details over de samenleving in het Gallië van de vierde eeuw, waar het christendom nog allerminst in alle geledingen was doorgedrongen. Vooral op het platteland was nog veel missiewerk te verrichten. Ook binnen de kerk bestond er nog veel onduidelijkheid over de leer, terwijl de hiërarchie onder de geestelijkheid evenmin vaststond.
Maar Sulpicius Severus had ook een eigen agenda. Bij zijn verdediging van Martinus tegen degenen die hem belasterden – dat waren vooral enkele bisschoppen – wordt dat duidelijk. Dat hij zo nadrukkelijk Martinus’ ascetische levenswijze prijst had ook te maken met het wantrouwen ten aanzien van het ascetisme van vele bisschoppen in Sulpicius Severus’ eigen tijd. Zijn uitval tegen de bisschoppen krijgt een vervolg in zijn mildheid ten aanzien van hen die afwijkende meningen hadden ten aanzien van het geloof. Hij spreekt dan liever van dwalingen dan van ketterij; onderdrukking door strafpredikaties en strijd doen eerder het tegendeel bereiken. Waarschijnlijk klinkt hier een echo van de strijd om de leer van Priscillianus.
Mogelijk wilde Sulpicius Severus ook Martinus’ militaire loopbaan verdedigen tegen de opvatting destijds dat iemand die in het leger was geweest geen geestelijke functie kon bekleden. Om die reden zouden de chronologische tegenstrijdigheden in het werk verklaard kunnen worden. De geboortedatum 316 vloeit voort uit het feit dat de bisschop als man van in de zeventig bij een maaltijd bij keizer Maximus aanzat. Dat moet tussen 383 en 388 zijn geweest. Zijn ontslag uit militaire dienst kan uit de historische context geplaatst worden in 356. Als Martinus op achttienjarige leeftijd gedoopt werd dan zou hij na deze gebeurtenis niet twee jaar maar veel langer nog gediend hebben. En dat zou Sulpicius Severus verhuld hebben (Fontaine). Anderen daarentegen hechten niet zo veel waarde aan de kenschets van een ‘man van zeventig’ en blijven dicht bij de doop op achttien jaar en zijn ontslag uit het leger twee jaar later, waardoor zijn geboortedatum op 336 gesteld wordt. (Stanford).
De erfenis van Martinus
De erfenis van Martinus is groot. Ligugé en Marmoutier (later Majus monasterium, moederklooster genoemd) vormen het vertrekpunt van de monastieke beweging in Gallië, sterk beïnvloed door het oosterse eremietendom. In de tijd van Martinus werd met het woord monasterium nog vooral de gemeenschap van samenlevende kluizenaars aangeduid.
De Martinus die Sulpicius Severus ons heeft nagelaten is van grote invloed geweest op de verbintenis tussen ascetisme en pastoraal werk, kenmerkend voor de West-Europese kerk. Ook de Vita heeft model gestaan voor latere hagiografische geschriften.
Dat Martinus uitgroeide tot de belangrijkste heilige van het Frankische Rijk, later Frankrijk, en tot een van de bekendste heiligen in West-Europa is in eerste instantie te danken aan het werk van Sulpicius Severus, dat algauw een ruime verspreiding kreeg. De auteur laat zijn medebroeder Postumianus met enige overdrijving vertellen dat “er bijna geen plek ter wereld is, waar niet de stof van een zo heerlijke geschiedenis algemeen verbreed is en de gemoederen bezighoudt“. Hij ziet in Rome juichende boekhandelaren voor zich, gelukkig met de winst op het vlot verkochte boek. Ook in Carthago, in Egypte kent men het. Maar dat het werk van Sulpicius Severus gelezen en nagevolgd werden, staat vast.
In Tours zat men ondertussen ook niet stil. Brictus, de opvolger van Martinus, liet boven diens graf een kapel bouwen. Zeker in 461, maar wellicht daarvoor al, is er sprake van een jaarlijkse feestdag voor de heilige op 11 november.. Het was bisschop Perpetuus (458/59-488) die de kapel verving door een basiliek en van Tours een geliefde pelgrimsstad maakte. Tijdens zijn episcopaat schreef Paulinus van Perigueux zijn De vita Martini, waarin ook wonderen die na de dood van de heilige hebben plaatsgevonden, zijn opgenomen.
Gregorius, bisschop van Tours (538/39-594) was de volgende die bijdroeg aan de roem van Martinus. Zowel in zijn Historiae als in zijn Libri iv de virtutibus sancti Martini episcopi wordt vooral de wonderkracht van de heilige na diens dood beschreven. Gregorius verhaalt ook over de strijd die na de dood van Martinus oplaaide tussen Poitiers en Tours. Poitiers liet zich onder meer voorstaan op het feit dat Martinus bij hen meer wonderen had verricht dan tijdens zijn episcopaat. Dat is juist, was het antwoord van Tours: maar hij moet bij ons voltooien wat hij tijdens zijn leven bij ons niet heeft afgemaakt. Deze strijd bleef onbetwist, maar Tours won doordat de bewakers van het lichaam uit Poitiers in slaap vielen en die uit Tours er met Martinus’ lichaam vandoor gingen. Zo groeide Tours verder uit als pelgrimsstad.
Ook voor Gregorius, die het werk van Sulpicius Severus moet hebben gekend, deed Martinus niet onder voor de apostelen. Hij noemt hem zelfs “peculiaris patronus toto orbi” – beschermer van de gehele wereld (Proloog Liber IV de virtutibus sancti Martini episcopi). Gregorius’ Historiën is een belangrijke bron voor de verering die Martinus van de Merovingsche machthebbers ten deel viel. Na op het slagveld bij Vouillé (508) de koning der Goten Alarik te hebben verslagen, keerde Clovis als overwinnaar terug naar Tours en schonk vele geschenken aan de kerk van de heilige Martinus. Dit als dank voor de voorspelde overwinning die voorafgaand aan de slag in de kerk van Sint Martinus was gedaan. Het was waarschijnlijk na deze gebeurtenis dat Clovis zich liet dopen. In tegenstelling tot andere Germaanse machthebbers koos hij voor de orthodoxe leer, waarvan Martinus een groot pleitbezorger was geweest. Na Clovis’ dood trok zijn vrouw Clotilde zich terug in Tours en stelde zich in dienst van de kerk van Martinus.
Een nog groter gehoor onder de gelovigen kreeg Martinus doordat Jacobus de Voragine (omstreeks 1228-1298) de heilige opnam in zijn Legenda aurea, dat dankzij de onderwijs- en predikactiviteiten van de dominicanen is uitgegroeid tot een van de populairste werken uit de middeleeuwen, vooral ook omdat het in vele landstalen werd vertaald. Jacobus maakte ruimschoots gebruik van het werk van Sulpicius Severus. Hij ordende de wonderen over vuur en water, over bomen en planten en over de dieren en maakte er een soort deugdencatalogus van.
Tot de nalatenschap van Martinus behoort ook het woord ‘kapel’ (Frans: chapelle), afgeleid van de capella sancti Martini, de mantel van de heilige die bewaard werd in de koninklijke schatkamer van de Merovingers en Karolingers. Sulpicius Severus gebruikt voor de mantel die Martinus aan de bedelaar in Amiens afstaat het woord chlamys – typisch een soldatendracht. In teksten vanaf de tweede helft van de zevende eeuw spreekt men liefkozend met een verkleinwoord van cappa: capella. Vanaf de achtste eeuw ging capella over op het gebouw waar de mantel bewaard werd, om vervolgens meer algemeen te worden gebruikt voor de plaats waar relieken bewaard worden en tot slot voor het voor de cultus bestemd gebouw.
Sint Maarten in Nederland
Ook in het bisdom Utrecht is Sint Maarten een geliefde heilige geworden. Nadat bisschop Willibrord in de stad Utrecht een kerk aan Sint Maarten had gewijd, volgden er vele. Ruim honderd moeten Sint Maarten als patroon hebben gehad, waarvan de meeste van vóór 1200 zullen dateren.
Bisschop Radboud (900-917) schreef over een wonder dat in Tours had plaatsgevonden, waarbij een aanval van Noormannen in 903 mislukte doordat Martinus de bewoners tot krachtig verzet inspireerde. Radboud sprak met deze preek zijn eigen gehoor, dat eveneens door de Noormannen belaagd werd, moed in.
In bovenstaande tekst is gebruikgemaakt van de vertaling van C.W. Mönnich van het werk van Sulpicius Severus.
Marijke Carasso-Kok (uit Lucipedia)
H. Andreas van Kreta (660-740), monnik en bisschop
Homilie voor Palmzondag PG 97, 989-993
“Zie je koning komt naar je toe” (Za 9,9 ; Mt 21,5)

Kom, laten we samen de Olijfberg bestijgen en Christus tegemoet gaan, die vandaag uit Betanië terugkeert en zich vrijwillig begeeft naar het eerbiedwaardige en zalige lijden, om het mysterie van ons heil te voltooien. Hij gaat inderdaad vrijwillig de weg naar Jeruzalem, Hij die omwille van ons uit de hemel is neergedaald, om ons, die in de diepten neerlagen, tegelijk met zich te verheffen, “hoog boven alle heerschappijen, machten en krachten, en boven elke naam die genoemd wordt”, zoals de Schrift ons openbaart (Ef. 1, 21). Hij komt echter niet als iemand die uit is op eer en roem. “Hij roept niet, Hij schreeuwt niet, in de straten verheft Hij zijn stem niet” (Jes. 42, 2), maar Hij zal “zachtmoedig zijn en nederig” en bij zijn intrede in Jeruzalem stelt Hij zich bescheiden op.
Welaan dan, laten we samen optrekken met Hem die zich spoedt naar zijn lijden, en hen navolgen die Hem tegemoet trokken. Niet zo dat we olijftakken, mantels of palmtakken voor Hem op de weg uitspreiden, maar dat we onszelf; zoveel we kunnen, met een nederig gemoed en een zuivere intentie ter aarde werpen, om het Woord bij zijn komst te ontvangen (Joh 1,9). Zo wordt God die door niets omvat kan worden, door ons opgenomen.
Want Hij die zich jegens ons zo zachtmoedig getoond heeft, is de Zachtmoedige die de ellende ophief waarin wij, zoals de ondergaande zon in het westen, dreigden te verzinken (Ps 57,12), Hij verheugt zich erover tot ons te komen en met ons omgang te hebben, ons tot zich te verheffen en ons terug te voeren door zijn vereniging met ons.
bron : http://www.dagelijksevangelie.org
De Didachè (ca. 120)
Overlevering en tekstgetuigen
(Een nederlandse vertaling van de tekst is op de blog te vinden)
De Didachè heeft in de vroege kerk een grote populariteit genoten. De vroegste verwijzing naar de Didachè vinden we mogelijk bij Clemens van Alexandrië (Strom. I.20), alhoewel hij alleen citeert en geen bron vermeldt. Bij zijn inventarisatie van het kerkelijk schriftgebruik noemt Eusebius (H.E. 3.25.4) de Didachè onder de orthodoxe, maar ‘onechte geschriften’. Athanasius merkt in het jaar 367 in zijn Paasbrief (Ep. Fest. 39) nog op dat de Didachè weliswaar niet onder de gecanoniseerde boeken valt, maar wel nuttig is voor catechese. Van groot gewicht is de invloed van de Didachè op allerlei latere kerkorden, waarin het geschrift geheel of gedeeltelijk is opgenomen (zie onder).
“Dit is het werk van God: dat u gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft”

U, kinderen van het echte licht, ontvlucht de twisten en de slechte leer. Volg uw herder overal als schapen. Want vaak misleiden ogenschijnlijk betrouwbare wolven degenen die de weg naar God lopen, maar als u verenigd blijft, zullen zij geen plaats onder u vinden. Heb dus zorg om slechts aan één eucharistie deel te nemen; er is, immers, slechts één lichaam van onze Heer, één beker om ons te verenigen in zijn bloed, één altaar, zoals er slechts één bisschop omgeven door priesters en diakens is. Dan zult u alles wat u doet, doen volgens God… Mijn schuilplaats is het Evangelie, die voor mij de mensgeworden Jezus zelf is, en de apostelen, die de pastorie van de Kerk voorstellen. Laten we ook van de profeten houden, want zij hebben eveneens het Evangelie verkondigd, zij hebben op Christus gehoopt en op Hem gewacht. Doordat ze in Hem geloofden, werden zij gered en, in de eenheid met Jezus Christus blijvend, werden zij heiligen, die liefde en bewondering waardig zijn, zij hebben het verdiend om de getuigenis van Jezus Christus te ontvangen en om aandeel aan het Evangelie te hebben, onze gemeenschappelijke hoop… God woont niet daar waar verdeling en woede heerst. Maar de Heer vergeeft al degenen die berouw hebben, als het berouw hen brengt tot de eenheid met God en tot de eenheid met de bisschop. Ik geloof in de genade van Jezus Christus die ons van elke keten zal bevrijden. Ik smeek u, handel nooit uit geest van twist, maar volgens de leer van Christus. Ik heb horen zeggen: “Wat ik niet in de archieven vind, dat geloof ik niet in het Evangelie“… Mijn archief is Christus; mijn onschendbare archief, het bestaat uit zijn kruis, zijn dood en zijn opstanding en het geloof dat van Hem komt. Van daaruit wacht ik, met de hulp van uw gebeden, op heel mijn rechtvaardiging.