H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar
Sermon 3, 2.4-5
“Dan zal je scherp genoeg zien”
Door de stralende dag die U kent,
duw de duistere nacht weg, Heer,
opdat verlichte intelligentie
U dient met nieuwe zuiverheid.
Het begin van de omloop van de zon
markeert voor de stervelingen het begin van het werk;
bereid in onze zielen, Heer,
een woning voor die dag zonder einde.
Maak dat we in onze persoon
het verrezen leven zien
en vervul onze harten met uw eeuwig genot.
Druk in ons Heer, door onze trouw om U te dienen,
het teken van die Dag die niet afhangt
van het opkomen of de omloop van de zon.
Iedere dag omhelzen we U in de sacramenten
en we ontvangen U in ons lichaam:
sta ons toe dat we in onszelf
de verrijzenis waarop we hopen, ervaren.
Wees voor onze gedachten, Heer,
de vleugels die ons optillen in de hoogten
en ons brengen bij onze ware verblijfplaats.
Wij verbergen door de genade van de doop,
een schat in ons lichaam …
Konden we maar begrijpen tot welke schoonheid
wij geroepen zijn door de geestelijke schoonheid
die uw onsterfelijke wil in ons wakker maakt…
Dat uw verrijzenis, Jezus,
in ons de innerlijke mens laat groeien (cf Ef 3,16),
en dat het schouwen van uw mysteriën
de spiegel is, waarin we U van aangezicht tot aangezicht kunnen zien (cf 1Kor 13,12).
Maak dat we ons haasten, Heer, naar ons heilig vaderland,
en om het vanaf nu reeds te bezitten door het te schouwen,
zoals Mozes het heilige land
heeft gezien vanaf de top van de berg (Dt 34,1).
