H. Gregorius van Nazianze : “Zie, mijn Dienaar, die Ik heb uitverkoren”

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en kerkleraar
Homilie nr 44 voor Pasen; PG 36, 633 

 

 

 

 

Gregor_von_Nazianz_der_Juengere741.jpg

“Zie, mijn Dienaar, die Ik heb uitverkoren”

 

      Gods Zoon zelf, het Woord, bestond voordat de tijd een aanvang nam, de onzichtbare, de onbegrijpelijke, de onstoffelijke, het begin van het begin, het licht uit het licht, de bron van het leven en de onsterfelijkheid; de afdruk van het goddelijk oerbeeld, het onuitwisbaar zegel, het weergaloos beeld en het laatste Woord van de Vader. (Heb 1,3) Hij treedt nu zijn eigen beeld tegemoet (Gn 1,27) omkleedt zich met een menselijk lichaam omwille van de mens, neemt een geest en ziel aan omwille van mijn ziel om aan ons gelijk te worden en ons te reinigen. In alles wordt Hij mens, behalve in de zonde. …Hij die anderen hun rijkdom schenkt, wordt arm, maar Hij neemt de armoede van mijn lichaam aan om mij met zijn godheid te verrijken. Hij die de volheid is, ontledigt zich, Hij ontdoet zich voor een korte tijd van zijn eigen heerlijkheid om mij te laten delen in zijn overvloed.

      Wat een overstelpende goedheid! Wat een mysterie omwille van mij! Ik droeg het beeld van God, maar ik heb het verloren. Nu neemt Hij mijn mens-zijn aan om dat beeld te redden en aan mijn mens-zijn onsterfelijkheid te verlenen. Hij treedt met ons opnieuw in een gemeenschap, en wel een die de eerste ver overtreft. Zo moest door de menswording van God de mens worden geheiligd en God zelf wilde ons bevrijden door met kracht de tiran te overwinnen. Hij wilde ons tot zich terugbrengen door de bemiddeling van zijn Zoon die dit heeft volbracht tot eer van zijn Vader, aan wie Hij zich in alles gehoorzaam heeft getoond. 

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

 

Gregorius van Nyssa : Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zondar herder

H. Gregorius van Nyssa (ca. 335-395), monnik en bisschop
Homilie over het Hooglied; PG 44, 801

 

Gregorius van Nyssa77.jpg

 

 

“Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder”

 

Waar weidt U uw kudde, goede Herder die heel de kudde op uw schouders draagt? Want heel de menselijke natuur is dat ene schaap, dat U op uw schouders genomen hebt. Toon me de groene wei, laat me het water van de rust kennen, leid me naar het voedzaam gras, roep me bij mijn naam, opdat ik uw stem hoor, ik die uw schaap ben, en geef me door uw stem het eeuwig leven.

“Ja, zeg het mij, mijn Zielsbeminde. Zo noem ik U, omdat uw naam boven alle namen is en door geen enkel redelijk schepsel uitgesproken of begrepen kan worden. Die naam duidt op uw goedheid en getuigt van mijn gevoelens voor U. Hoe zou ik U niet beminnen, die mij zo bemind hebt, – en dat terwijl ik helemaal zwart was -, dat U uw leven gaf voor de schapen die U hoedde? Men kan geen grotere liefde uitdenken dan die waardoor U uw leven gaf voor mijn heil”.

“Maak me dan bekend ‘waar Je je kudde weidt’, zegt de bruid, dan kan ik de weide van het heil vinden en door de hemelse spijs gevoed worden, waarvan gezegd is dat niemand het leven binnen kan gaan als hij er niet van eet. Dan zal ik naar U, die de bron bent, toelopen en met volle teugen drinken van het goddelijk water dat U doet ontspringen voor degenen die dorst hebben. Sinds de lans de ader geopend heeft, vloeit het water voortdurend uit uw zijde, en degene die ervan drinkt, wordt een bron van water dat opborrelt tot eeuwig leven”

(Bijbelse referenties: Hoogl 1,7; Lc 15,5; Ps 23; Joh 10,3; Hoogl 1,7; Fil 2,9; Hoogl. 1,5; Joh 10,11; 15,13; 19,34; 4,14)

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org 

7e zondag na pinksteren : genezing van twee blinden

7e zondag na Pinksteren

 

 De genezing van twee blinden

blinden twee blinden.jpg

Genezing van de twee blinden

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Romeinen 15,1-7 :

Hoofdstuk 15 Wij, die bij de sterken horen, hebben de plicht de gevoeligheid van de zwakken te verdragen, zonder onszelf te zoeken. Laat ieder van ons bedacht zijn op het welzijn en de stichting van zijn naaste. Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht. Er staat immers geschreven: De smaad van hen die U smaden, is op Mij neergekomen. Want alles wat eertijds is opgeschreven, werd opgeschreven tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven. God, die de volharding en de vertroosting schenkt, verlene u ook de eensgezindheid, die u in Christus past, opdat u één van hart en uit één mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.
Samenvatting van de brief Aanvaard daarom elkaar, zoals ook Christus u aanvaard heeft, tot eer van God.

 

EVANGELIE : Mathheüs 9,27-35

 

Twee blinden zien Toen Jezus vandaar verderging, volgden Hem twee blinden, die schreeuwden: ‘Zoon van David, heb medelijden met ons.’ Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u er vertrouwen in dat Ik dit kan doen?’ Ze zeiden: ‘Ja, Heer.’ Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: ‘Het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.’ [En hun ogen gingen open. En bars zei Jezus tegen hen: ‘Zorg dat niemand het te weten komt.’ Maar eenmaal buiten, maakten ze zijn faam bekend in heel die streek.
Een stomme begint te praten Terwijl zij weggingen, kijk, daar bracht men iemand bij Hem die niet kon spreken, omdat hij in de macht van een demon was. Toen de demon uitgedreven was, begon de stomme te praten. De menigte zei vol verbazing: ‘Zoiets is in Israël nog nooit vertoond.’ Maar de farizeeën zeiden: ‘Het is de opperdemon waardoor Hij de demonen uitdrijft.’
Aanstelling van de twaalf ] Jezus trok alle steden en dorpen rond, terwijl Hij in hun synagogen onderricht gaf, de goede boodschap van het koninkrijk verkondigde, en elke ziekte en elke kwaal genas.

Augustinus : Jezus als de Weg

Augustinus :

Jezus als de Weg

 

Augustine_Hippo_small.jpg

Het is onze opgave te lopen, maar dan op de weg te lopen. Wie de goede weg niet heeft, mist zijn doel; of erger nog, hij mat zich nutteloos af. Want hoe meer iemand zich inspant zonder de goede weg te hebben, des te verder dwaalt hij af. Welk is de weg die wij gaan ? Christus heeft gezegd : ‘Ik ben de Weg’. Wat is het vaderland waarnaar wij op weg zijn ? Christus heeft gezegd : ‘Ik ban de Waarheid’ . Ga langs Christus, ga naar Christus en vind uw rust in Hem. Om langs Hem te kunnen gaan, is Hij tot ons gekomen. Wij waren ver van Hem aan het ronddolen. Dat we ver van Hem aan het ronddolen waren, is eigenlijk nog te weinig gezegd : we konden ons van uitputting nauwelijks nog bewegen. Daarom kwam de geneesheer tot de zieken, kwam de weg tot de dolenden. Laten we ons door Hem redden, laten we langs Christus gaan.

Dat is geloven dat Jezus de Christus is. Zo geloven christenen die niet alleen in naam christen zijn, maar het ook zijn door hun daden en leven. Zo geloven de demonen niet, want volgens de schrift geloven de demonen ook dat God bestaat en ze beven van angst. Het geloof van de demonen kon niet verder komen dan de vaststelling ‘We weten wie gij zijt : de Zoon van God’. Wat de demonen zeiden, zei Petrus eveneens. Toen Jezus zijn leerlingen vroeg, wie Hij was en wat de mensen van Hem dachten, antwoordden ze : ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten’ Toen vroeg Jezus : ‘En gij, wie zegt gij dat Ik ben ?’ En Petrus antwoordde : ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. Toen mocht Petrus van de Heer horen : ‘Gelukkig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”. Zie wat een lof dit geloof bewezen wordt : ‘Gij zijt Petrus en op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen’. Wat betekenen de woorden ‘op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen ?’ ‘Op deze rots’ betekent : op het geloof, dat zojuist beleden werd met de woorden ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. ‘Op deze rots’ zegt Jezus, ‘zal ik mijn Kerk bouwen’ Wat een eer.

Uit : ‘Eenheid en liefde’ : Augustinus preken over de eerste brief van Johannes pp.163-164 .Vertaald door dr. TJ van Bavel

6e zpondag na Pinksteren : ‘de verlamde’ en de heilige Profeet Elia’

6e zondag na Pinksteren

“Van de verlamde en de vergiffenis” en de “heilige profeet Elias”

 

elija.jpg

De heilige Profeet Elia

 

 

 Lezingen van de zondag

Romeinen 12,6-14

 We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken.  Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen.  Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn.  Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan.  Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf.  Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de Geest en dien de Heer.  Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk.  Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij.  Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet.

 Evangelie :

Mattheüs 9,1-8

Hij stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad.  Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Wees gerust, uw zonden worden u vergeven.’  Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke taal!  Jezus doorzag hun gedachten en zei: ‘Waarom hebt u zulke boosaardige gedachten?  Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op en loop”?  Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: ‘Sta op, pak uw bed en ga naar huis.’  En hij stond op en ging naar huis.  Bij het zien hiervan werden de mensen van ontzag vervuld en ze loofden God, om de macht die hij aan mensen heeft verleend.

Verlamde15.jpg

De verlamde

Cyrillus van Jeruzalem : Ik ben het brood des levens

H. Cyrillus van Jeruzalem (313-350) bisschop van Jeruzalem en kerkleraar Doopcatechese 22

cyril-of-jerusalem 2.png

 

“Ik ben het brood des levens”

 

      Als Christus zelf over het brood zegt: “Dit is mijn lichaam”, wie zou daarover dan nog kunnen aarzelen? En als Hij bevestigt: “Dit is mijn bloed”, wie zou er dan nog over twijfelen? Eerder in Cana in Galilea had Jezus water in wijn veranderd – de wijn is verwant aan het bloed. Wie zou nu nog weigeren om te geloven dat Hij wijn in bloed verandert? Hij was op een bruiloft hierbeneden uitgenodigd en Hij deed een verbazingwekkend wonder; hoe kan men dan nog weigeren wat Hij geeft aan “de vrienden van de bruidegom” (Mt 9,15), namelijk de vreugde van zijn Lichaam en zijn Bloed?       Want zijn lichaam wordt gegeven in de verschijning van brood, en zijn bloed in de verschijning van wijn; als je hebt deelgenomen aan het lichaam en bloed van Christus, dan ben je met Hem één en hetzelfde lichaam en één en hetzelfde bloed. Zo worden wij “dragers van Christus” (Christoffel). Zijn lichaam en zijn bloed verspreiden zich in onze ledematen; zo worden we deelgenoot aan de goddelijke natuur. Eerder toen Hij zich met de joden onderhield zei Christus: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal Ik op de laatste dag uit de dood opwekken” (Joh 6,54). Als het brood en de wijn je alleen maar natuurlijk lijken, eindig daar dan niet … Als je zintuigen je op een dwaalspoor brengen, dan stelt het geloof je gerust.       Wanneer je dus naderbij komt om Hem te ontvangen, kom dan niet respectloos naar voren, door je handen uit te spreiden, de vingers uit elkaar. Maar daar de Koning op je rechterhand gaat rusten, maak daarom voor Hem een troon met je linkerhand, en ontvang in de holte van je hand het Lichaam van Christus en antwoordt: Amen!

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Augustinus : Hij moet groter worden en ik kleiner (Joh 3,30)

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar Overweging over de geboorte van Johannes de Doper

“Hij moet groter worden en ik kleiner” (Joh 3,30)

 

      De geboorte van Johannes en van Jezus en vervolgens hun Lijden, laten het verschil tussen hen zien. Want Johannes wordt geboren als de dagen beginnen te korten. Christus als de dagen beginnen te lengen. Het korten van de dag is voor de één een symbool van zijn gewelddadige dood; het lengen van de dagen is voor de ander, de verheffing van het kruis.    De Heer openbaart ook een geheime betekenis … in verband met het woord van Johannes over Jezus Christus: “Hij moet groter worden en ik Augustine_Hippo_small.jpgkleiner”. De gehele menselijke gerechtigheid werd in Johannes opgebruikt. Over hem zei de Waarheid: “Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper” (Mt.11,11). Geen mens zou hem dus voorbij kunnen streven; maar hij was slechts een mens. Welnu, in onze christelijke genade wordt ons gevraagd om “de mens niet te roemen, maar de Heer” (2 Kor.10,17): de mens in zijn God, de dienaar in zijn meester. Daarom riep Johannes uit: “Hij moet groter worden en ik kleiner”. Natuurlijk is God niet verminderd of vermeerderd in zichzelf, maar bij de mensen groeit beetje bij beetje de ware ijver. De goddelijke genade groeit en de menselijke kracht vermindert tot de voltooiing die volgt in het verblijf van God, die in alle leden van Christus aanwezig is en waar alle tirannie, alle autoriteit, alle macht dood is en waar God alles in allen is (Kol.3,11).       Johannes de Evangelist zegt: “Het ware licht, dat elke mens verlicht en dat in de wereld moest komen, was er” (1,9). Johannes de Doper zegt: “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen”. (Joh.1,16) Als het licht, dat in zichzelf altijd volkomen is, groeit in degene die erdoor verlicht is, vermindert deze mens in zichzelf door vernietiging van dat wat in hem zonder God was. Want de mens zonder God kan niets zonder te zondigen, en zijn menselijke kracht vermindert als de goddelijke genade welke de vernietiger is van de zonde, overwint. De zwakte van het schepsel eindigt in de kracht van de Schepper en de ijdelheden van onze egoïstische genegenheden smelten door de universele liefde. Terwijl Johannes de Doper ons, uit de diepte van onze ontreddering, de barmhartigheid van Jezus Christus toeroept: “Hij moet groter worden en ik kleiner”.

bron : www.dagelijksevangelie.org