EfraIm de Syriër : God dichtbij en veraf

EFRAÏM DE SYRIËR (ca. 306 – 373):

Efraim_syyrialainen02.jpg

GOD DICHTBIJ ÉN VERAF

 

Op wonderlijke wijze bent U overal dicht bij ons;

U werkt in ons, Heer, en U blijft verborgen.

U bent daar in de hoogte en de hoogte voelt U niet;

U bent daar in de diepte en de diepte kan U niet omvatten.

  U bent ongrijpbaar als wij U zoeken.

   U bent dichtbij én veraf.

Wie kan U bereiken?

Ons denken en onze zintuigen    raken U niet:

alleen in geloof, liefde en gebed

komen wij U nader.

Gregorius van Nazianze : O Gij , alles voorbij

GREGORIUS VAN NAZIANZE (329/30 – 390):

O GIJ, ALLES VOORBIJ

 

 

Gregorios van Nazianze.jpgO Gij, alles voorbij, hoe u anders noemen? Hoe kunnen woorden u prijzen:

Gij die door geen woord te zeggen zijt. Hoe kunnen gedachten u bereiken,

Gij die door geen denken te grijpen zijt.

Gij, Enige, Onuitsprekelijke, alwat gezegd wordt komt van U.

Gij, Enige, Onkenbare, alwat gekend wordt komt van U.

Alwat spreekt en alwat niet spreekt, prijst u.

Alwat denkt en alwat niet denkt, eert u.

Hunkeringen overal, barensweeën overal, alles reikhalst naar U,

alles bidt tot U, terwijl al wat uw geheim doorgrondt een lied vol stilte zingt.

Bij U alleen blijft alles bewaard, op U hoopt alles,

Gij zijt het doel van alles

Gij zijt één Gij zijt alles Gij zijt niemand

Gij zijt geen een Gij zijt niet alles.

O Gij die alle namen draagt Hoe zal ik U noemen?

Gij Enige Onnoembare

Welke hemelgeest dringt door tot het bovenste wolkendek?

Wees mij genadig,

O Gij alles voorbij.

Hoe U anders bezingen?

 

Gevonden in: J. Streng, Voorbij het denken. Verkenningen in de westerse mystiek, Baarn 19822, pag.62-63.

heilige Lucia

Heiligenleven

De heilige Lucia

 

Lucia heilige.jpg

 

 

 

Lucia van Syracuse (volgens traditie 283-304) is een christelijke martelares, die vereerd wordt als heilige door katholieke en orthodoxe christenen. Ze is de patroonheilige van de blinden. Ze is de enige katholieke heilige die ook vereerd wordt door de lutheranen in Scandinavië, in vieringen die veel voorchristelijke elementen van een joelfeest voor de zonnewende hebben behouden.

De bekendste versie van de legende van Sint Lucia is afkomstig uit de Legenda Aurea, een verzameling heiligenlevens van de 13e-eeuwse schrijver Jacobus de Voragine. De oudst bekende versie van de legende stamt echter uit de 5e eeuw, en er mag worden aangenomen dat de legende in de 6e eeuw al wijdverspreid was. Zo wordt ze genoemd in het sacramentarium van de 6e-eeuwse paus Gregorius I. In de daaropvolgende eeuwen is haar legende onder andere opgetekend door de Britse christelijke schrijvers Adelmus en Beda.

De heiligenlevens van Sint Lucia vertonen gelijkenissen met die van Sint Agatha en staan vol met aan haar toegeschreven wonderen. De mogelijkheid dat de heiligenlevens berusten op een historisch personage wordt groot geacht. Sint Lucia komt namelijk in vrijwel alle middeleeuwse verzamelingen van heiligenlevens voor. Ook is er in de catacomben van Syracuse een graftekst van rond het jaar 400 ontdekt, die waarschijnlijk werd aangebracht als herkenningspunt voor pelgrims. Rond het jaar 600 waren er al kloosters in Syracuse en Rome aan haar gewijd.

   

Volgens de legende leefde Sint Lucia in de tijd van de christenvervolgingen door keizer Diocletianus (regeerde 284-305). Ze was de dochter van een Romeins burger in Syracuse, die haar vader op jonge leeftijd had verloren. Haar moeder, Eutychia, leed al vier jaar aan dysenterie. Beide vrouwen brachten een nacht biddend bij de tombe van de christelijke heilige Sint Agatha door, de beschermheilige van Catania. Aan het einde van de nacht verscheen de heilige voor Lucia in een visioen. De heilige voorspelde Lucia daarin dat zij de glorie van Syracuse zou worden, zoals Agatha dat van Catania was. Ook was haar moeder terstond op wonderbaarlijke wijze genezen.

 

Eutychia regelde een heidense echtgenoot voor haar dochter, maar Lucia haalde haar moeder over het huwelijk niet door te laten gaan de bruidsschat als aalmoezen onder de armen te verdelen. Lucia had echter Christus als bruidegom gekozen en wilde eeuwig maagd blijven. De beoogde echtgenoot kwam op de hoogte van het uitdelen van de bruidsschat. Hij gaf Lucia daarop als christen aan bij de magistraat Paschasius. Deze verzocht haar een offer aan de keizer te brengen, wat ze weigerde. Daarop werd ze veroordeeld tot tewerkstelling in een bordeel, maar op wonderbaarlijke wijze bleken de wachters haar niet te kunnen afvoeren, ook nadat men een ossenspan had ingezet. Daarop werd ze met zwaardsteken om het leven gebracht. De fatale wond zou zijn toegebracht door met een zwaard door haar hals te steken.

 

Een andere legende verhaalt hoe Lucia haar ogen verloor. Eén versie van dit verhaal is dat een heidense minnaar naar haar hand dong. Hij maakte haar een compliment over haar mooie ogen, waarna ze haar ogen uitstak en hem deze toezond op een schaal, met de boodschap haar verder met rust te laten. Op wonderbaarlijke wijze bleef ze echter in staat te zien. In andere versies van de legende worden haar ogen uitgestoken bij haar marteldood. Beide versies komen in heiligenlevens ouder dan de 14e eeuw niet voor en zijn daarom waarschijnlijk een latere toevoeging.

 

Relieken die aan Sint Lucia worden toegeschreven zijn over heel Europa te vinden. De 11e-eeuwse schrijver Sigebert van Gembloux meldde dat het lichaam in zijn tijd in de Saint Vincent in Metz rustte, en dat een arm naar Speyer werd overgebracht. Oorspronkelijk zou ze in Syracuse begraven zijn, de laat 4e-eeuwse grafinscriptie vormt daarvoor extra bewijs. Volgens Sigebert zou het stoffelijk overschot van Sint Lucia vier eeuwen in Syracuse gelegen hebben toen hertog Faroald II van Spoleto Sicilië veroverde en de resten van de heilige overbracht naar Corfinium (in de Abruzzen). In 972 liet keizer Otto I het lichaam overbrengen naar Metz. Tegenwoordig zijn diverse relieken verspreid over Europa te vinden, die mogelijk afkomstig zijn van dit lichaam.

 

Een alternatief verhaal, in tegenspraak dat van Sigebert, is dat het lichaam in 878, toen de islamitische Saracenen Syracuse dreigden in te nemen, naar een geheime locatie gebracht werd. In 1039 werd het door de Byzantijnse generaal Maniakes gestolen en meegenomen naar Constantinopel. Bij de inname van de stad door de kruisvaarders in 1204 werd het lichaam, samen met vele andere relieken, naar Venetië overgebracht. Daar werd het oorspronkelijk in de kerk op het eiland San Giorgio Maggiore bijgezet.

 

In 1313 werd dit gebeente overgebracht naar de aan haar gewijde kerk Santa Lucia. Toen de Santa Lucia in 1860 werd afgebroken om plaats te maken voor het gelijknamige station werd het lichaam overgebracht naar de nabijgelegen San Geremia, waar het eeuwenlang in een glazen kist lag. In 1935 liet paus Pius XI het lichaam, dat zich in opmerkelijk goede staat bevond, bedekken met een zilveren dodenmasker. In 1981 werden alle beenderen behalve het hoofd gestolen, maar kort daarna door de politie teruggevonden. In 2004 werd het lichaam kortstondig vanuit Venetië overgebracht naar Syracuse, de stad waar de heilige oorspronkelijk bijgezet zou zijn. De stad Syracuse voert een lobby om het gebeente definitief terug te krijgen.

 

In het Franse Bourges bevindt zich een hoofd dat ook aan Sint Lucia wordt toegeschreven. De Venetianen zouden het hoofd in 1513 aan De Franse koning Lodewijk XII hebben geschonken, terwijl de rest van het lichaam in Venetië achterbleef. Lodewijk XII liet het hoofd bijzetten in de kathedraal van Bourges. Volgens een ander verhaal is het hoofd in Bourges echter uit Rome overgebracht, waar het werd ondergebracht in de tijd dat het lichaam in Corfinium rustte. Ook in Metz bevindt zich echter een hoofd waarvan beweerd wordt dat het van Lucia van Syracuse is.

 

De naam Lucia is afgeleid het Latijnse lux, dat licht betekent. Dit komt terug in de naamdag 13 december, die in de oude, juliaanse kalender de kortste dag van het jaar was. Vanwege de legende over de uitgestoken ogen is Sint Lucia de beschermheilige van blinden en opticiens. Daarnaast is ze de beschermheilige van elektriciens, prostituees en zieke kinderen. Ze wordt door katholieken aangeroepen voor genezing van slechtziendheid, halspijnen, blindheid en versterkte bloedingsneigingen.

 

De oudste afbeeldingen (iconen) van Sint Lucia zijn 6e-eeuwse fresco’s uit Ravenna. Sinds de 14e eeuw wordt Sint-Lucia vaak afgebeeld met een schaal waarop een paar ogen ligt. Onder de oudste afbeeldingen waarop dit attribuut voorkomt zijn schilderingen van Pietro Lorenzetti in Florence. Francisco de Zurbarán (1598-1664) beeldde haar in Chartres af met een schaal ogen en een palmtak. De heilige wordt ook wel met een kelk of een dolk door haar nek afgebeeld.

 

In het Middellandse Zeegebied worden schelpen van het geslacht Turbo wel ogen van Sint Lucia genoemd. Volgens het volksgeloof zouden ze het boze oog afweren en geluk brengen.

 

In de geboortestad van de heilige, Syracuse, begint de viering ter ere van Sint Lucia op 12 december. Het zilveren beeld van de heilige wordt die dag uit haar kapel naar het altaar van de kathedraal verplaatst en er wordt cuccìa gegeten, een zoete Siciliaanse soep. Op de eigenlijke feestdag, 13 december, wordt het beeld in processie door de stad gedragen naar de kerk boven het graf van de heilige geplaatst. Acht dagen later volgt een processie in tegenovergestelde richting. In het zuiden en midden van Italië vieren diverse steden de dag van Sint Lucia met processies, feesten en vuurwerk.

 

In het noorden van Italië is in sommige streken een traditie ontstaan die lijkt op het Sinterklaasfeest uit Nederland en België. Sint Lucia brengt kinderen cadeaus in de nacht op 13 december, vergezeld van haar ezel en haar koetsier. Kinderen kunnen Sint Lucia een verlanglijst schrijven en laten bij het naar bed gaan sinaasappels, koekjes en rode wijn voor de heilige achter, of hooi voor de ezel. De kinderen wordt verteld vroeg naar bed te gaan omdat de heilige anders as in hun ogen komt strooien, waardoor ze verblind kunnen raken. De volgende dag zoeken de kinderen hun cadeaus, die in het huis verstopt zijn.

 

Ook in de Scandinavische landen Noorwegen, Zweden, Finland en Denemarken vormt de dag een traditionele feestdag, ondanks dat deze landen sinds de Reformatie geen grote katholieke bevolkingsgroep meer hebben. Waarschijnlijk stamt deze viering deels af van een voorchristelijke viering van de winterzonnewende. Traditioneel vormde de dag het begin van de vastentijd voor Kerstmis. Het feest wordt zowel thuis als op scholen en werkplaatsen gevierd met zoete lekkernijen en kaarslicht. Er worden optochten met fakkels of kaarsen gehouden waarin meisjes als de heilige verkleed gaan. Ook op de Faeröereilanden en op sommige plaatsen in de V.S. komt deze wijze van viering voor.

Bron : onbekend

 

zondag van de verbanning van Adam – begin van de vastentijd

 

Zondag van de verbanning van Adam

Begin van de vastentijd

verbanning van Adam.jpg

 

LEZINGEN

Rom.13,-14,4 :

Waakzaam zijn [11] U weet trouwens hoe laat het is, u weet dat het uur* om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. Nu is onze redding dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen. [12] De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken van de duisternis en ons toerusten met de wapens van het licht. [13] Laten wij ons behoorlijk gedragen, als op klaarlichte dag, en ons onthouden van zwelgpartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. [14] Bekleed u met de Heer Jezus Christus, en vertroetel* uw lichaam niet; er mogen geen begeerten worden opgewekt.Hoofdstuk 14Verdraagzaam zijn [1] Aanvaard* ieder die zwak* is in het geloof, zonder zijn opvattingen te betwisten. [2] De een is ervan overtuigd dat hij alles mag eten, terwijl een zwakke alleen maar plantaardig voedsel eet. [3] Wie vlees eet, moet iemand die dat niet doet, niet minachten; en wie geen vlees eet, moet iemand die dat wel doet, niet veroordelen; God zelf heeft die ander immers als de zijne aanvaard. [4] Wie ben jij, dat je jezelf een oordeel aanmatigt over de knecht van een ander? Of hij staat of valt, gaat alleen zijn heer aan. Hij zal trouwens staande blijven, want zijn heer is bij machte hem staande te houden.

Evangelie :

De Vader ziet in het verborgene [1] Pas op dat jullie je gerechtigheid* niet doen voor het oog van de mensen, om door hen gezien te worden. Anders wacht je geen loon bij jullie Vader in de hemel. [2] Dus wanneer je barmhartig bent, loop er dan niet mee te koop, zoals de schijnheiligen dat doen in de synagogen en op straat, om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. [3] Maar als jij barmhartig bent, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechter doet, [4] opdat je barmhartigheid in het verborgene* gebeurt; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen. [5] En wanneer je bidt, wees dan niet als de schijnheiligen; zij staan graag in de synagogen en op de hoeken van de straten te bidden, om op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. [6] Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen. [7] Gebruik bij het bidden geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want die menen dat ze vanwege hun talrijke woorden verhoord zullen worden. [8] Neem daar geen voorbeeld aan, want jullie Vader weet wat je nodig hebt, voordat je het Hem vraagt. [9] Jullie moeten zo bidden:

   

Onze Vader in de hemel, uw naam worde geheiligd,

 

[10]

uw koninkrijk kome, uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.

 

[11]

Geef ons vandaag het nodige* brood,

 

[12]

en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie schulden heeft bij ons.

 

[13]

En breng ons niet in beproeving*, maar red ons van het kwaad.

[14] Want als jullie de mensen hun overtredingen vergeven, zal je hemelse Vader ook jullie vergeven. [15] Maar als jullie de mensen niet vergeven, zal je Vader jullie overtredingen ook niet vergeven. [16] Wanneer je vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen, want zij vertrekken hun gezicht om met hun vasten op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. [17] Maar als jij vast, zalf dan je hoofd en was je gezicht, [18] opdat het bij de mensen niet opvalt dat je vast, maar wel bij je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.Maak je geen zorgen! [19] Verzamel geen schatten op aarde, waar mot of houtworm ze aantast, en waar dieven inbreken om ze te stelen. [20] Maar verzamel schatten in de hemel, waar mot noch houtworm ze aantasten, en waar geen dieven inbreken om ze te stelen. [21] Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.

BEGIN VAN DE VASTENTIJD

 

De orthodoxe Kerk staat aan de vooravond van de Grote Vasten als voorbereiding op Pasen (27 april) Zondag 9 maart is de laatste zondag van de voorvasten.Na de Goddelijke Liturgie zal de Kerk in een speciale sfeer herschapen worden : men zal er plechtig de vespers van VERGEVINGSZONDAG vieren, wij vragen aan allen vergiffenis voor onze fouten. Dit luidt officieel reeds een overgang in naar de Grote Vasten de zondag daarop. Die zondag eten de Orthodoxen ook geen vlees, omdat wij ons reeds willen aanpassen aan de grote inspanning die zeven dagen later van ons verwacht wordt.

 

Troparion van Vergevingszondag Een bittere spijze was het die Adam uit het paradijs verdreven heeft : hij weigerde om te vasten volgens het gebod van zijn Heer, en werd toen veroordeeld om de aarde, waaruit hij genomen was, met veel moeite te bewerken, en zijn brood te eten in het zweet zijns aanschijns. Laat ons daarom het vasten beminnen, opdat wij niet als Adam wenen moeten buiten het Paradijs, maar dat wij daarin mogen binnentreden.

 

Kondakion van Vergevingszondag Gids der wijsheid, Schenker van het verstand, Opvoeder der onverstandigen en Beschermer der armen, bevestig en onderricht mijn hart, o Meester. Schenk mij het woord, Gij die het Woord des Vaders zijt, want zie, mijn lippen houden niet op om tot u te roepen : Barmhartige, ontferm U mijner, die gevallen ben.

 

PR t.8 – Doet geloften aan de Heer uw God. God wordt gekend in Judea : zijn Naam is groot in Israël. ALL : Het is goed de Heer te belijden ….psalm 216 – Rom.13,11b-14,4 – Matt. 6,14-21.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Clemens van Alexandrië : De nieuwe wet staat in het hart van de mensen geschreven

 

H. Clemens van Alexandrië (150- ca 215), theoloog De Pedagoog, III 89, 94, 98-99

De nieuwe wet staat in het hart van de mensen geschreven

 

Wij hebben de tien geboden, die door Mozes zijn gegeven… en alles wat het lezen van heilige boeken ons aanraadt, waarvan Jesaja ons heeft overgebracht: “Was u, reinig u, haal uw boze daden uit mijn ogen weg. Leer om het goede te doen, zoek wat rechtvaardig is; verdedig de onderdrukte, de weduwe en de wees, kom toch en laat ons samen spreken, zegt de Heer” (Jes 1,16v)… Maar we hebben ook de wetten van het Woord, het Woord van God, de woorden die bemoedigen die niet door de vinger van de Heer op stenen tafelen zijn geschreven (Ex 24,12), maar in het hart van mensen is geschreven (2Kor 3,3)… Deze twee wetten hebben het Woord gediend voor de opvoeding van de mensheid, eerst dclement_alexandria.jpgoor de mond van Mozes, vervolgens door die van de apostelen… Maar we hebben een meester nodig om deze heilige woorden uit te leggen…; Hij zal ons de woorden van God onderrichten. De kerk is onze school; onze enige Meester is de Bruidegom, de goede wil van de goede Vader, de oorspronkelijke wijsheid, de heiligheid van de kennis. “Hij is de verzoening voor onze zonden”, zegt Johannes (1Joh 2,2), Hij geneest onze lichamen en onze zielen, de hele mens, Hij, Jezus, die niet alleen de verzoening voor onze zonden is, maar ook voor die van de hele wereld. Hieraan kunnen we weten dat we Hem kennen: dat is door ons aan de geboden te houden” (v.3)… “Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zo te wandelen als Hij, Jezus, gewandeld heeft” (v.6). Wij zijn de leerlingen van deze gelukzalige opvoeding, laten we het mooie gelaat van de Kerk voltooien en laten we ons als kinderen naar deze moeder vol goedheid haasten. Laten we luisteren naar het Woord van God; laten we de zalige gidsende voorschriften van deze Leraar, verheerlijken en Hij zal ons als kinderen van God heiligen. Wij zullen hemelbewoners zijn, als we leerlingen van deze Leraar zijn op aarde, en daarboven zullen we alles begrijpen wat Hij ons leert over de Vader.

www.dagelijksevangelie.org

Heiligenleven : de heilige Bonifatius

Heiligenleven

Heilige BONIFATIUS

 

Bonifacius heilige 1.jpg

 

‘Weldoener’ of ‘Hij die het goede doet’ is de Nederlandse betekenis van Bonifatius (672 – 754), de Angelsaksische missionaris die in geen enkel boek over de vaderlandse geschiedenis ontbreekt. Hij werd immers – officiële lezing – door de toen nog heidense Friezen vermoord en dat is mooi uitgebeeld op van die oude gekleurde schoolplaten die bij geschiedenislessen werden gebruikt, toen de basisschool nog lagere school heette.


Bonifatius draagt zijn strijdnaam overigens niet omdat hij al zo’n uitzonderlijk goed mens zou zijn geweest. Het was paus Gregorius II (715-731) die Winfried of Wynfreth, zoals hij eigenlijk heette, diens Latijnse naam gaf. En waarom Bonifatius? Gewoon, omdat de paus hem op 15 mei van het jaar 719 de zending onder de heidense Germanen opdroeg en de kerk op 14 mei ene Bonifatius herdacht die in het jaar 300 de martelaarsdood zou zijn gestorven.
Hoewel hij behoort tot de grote namen uit de Nederlandse geschiedenis, is hij vooral werkzaam geweest in de Duitse deelstaten Thüringen en Hessen, die toen aan de oostelijke rand van het Frankische Rijk lagen. Daar vooral heeft hij het geloof verkondigd en de kerk gesticht. Dat hij daarbij niet altijd fijngevoelig te werk ging, blijkt wel uit de anekdote dat hij de Donarseik bij Fritzlar liet omhakken, die plaatselijke Germaanse stammen vereerden om aan te tonen, dat de Germaanse goden niet veel voorstelden.
Dat wil overigens niet zeggen dat hij in geen enkel opzicht rekening hield met de cultuur en denkwijze van de Germanen. Indien nodig paste hij de christelijke praktijk aan de omstandigheden aan. Zo was het in de rooms-katholieke kerk van die dagen de gewoonte om volwassenen pas te dopen als ze grondig op de doop waren voorbereid. Dit paste echter niet bij de denkwijze van de Germanen en Bonifatius draaide de procedure om. Hij gebruikte de doop bij wijze van initiatierite en begon daarna pas met het christelijk onderricht. Het doel heiligde dus de middelen.
Bonifatius’ verdienste voor de kerk ligt niet zozeer op theologisch als wel op organisatorisch vlak. In tegenstelling tot zijn Ierse vakbroeders, die veel waarde hechtten aan spiritualiteit en het voorleven van het geloof om heidenen voor het christendom te winnen, vond de Angelsaks Bonifatius dat het prille geloof van de Germanen een goed doortimmerde kerkelijke organisatie nodig had. Hij heeft die organisatie op poten gezet én nauw met Rome verbonden. Juist bij het opbouwen van die kerkelijke organisatie heeft Bonifatius zich in het politieke spel van die dagen moeten, en misschien ook wel willen, mengen. Zo zag hij er geen been in hem onwelgevallige kerkelijke concurrenten op synodes ook letterlijk te verketteren. Ook rekruteerde hij medewerkers bij voorkeur in zijn Angelsaksische vaderland en probeerde die op hoge posten te krijgen. Dit werd hem weer niet door Frankische kerkelijke en wereldlijke machthebbers in dank afgenomen. Met name de Frankische adel bemoeide zich graag met plaatselijke, kerkelijke besognes en probeerde zo zijn macht uit te breiden. Door ervoor te zorgen, dat bij bisschopbenoemingen alleen Rome het voor het zeggen kreeg, werd de invloed van de Franken kleiner en die van de paus in Rome groter.
In dit ijveren om de macht van de kerk van Rome te vergroten, past waarschijnlijk ook zijn laatste missioneringstocht naar Friesland. Hij wilde in dit gebied in elk geval de Frankische invloed tegengaan. Toen hij op pad ging naar die afgelegen streek, was hij al hoogbejaard. Hij moet dus nog straf van lijf en leden zijn geweest, anders had hij zo’n tocht niet kunnen volbrengen. In een uithoek van het te kerstenen gebied sneuvelde hij uiteindelijk in het harnas. Zoals we allemaal weten, is hij bij Dokkum vermoord. De geschiedenis heeft de Friezen deze moord in de schoenen geschoven. Er zijn echter historici die daaraan twijfelen. Een lezing wil dat Bonifatius vermoord is door als Friezen verklede huurmoordenaars, in opdracht van de bisschop van Keulen. Het zou dus ook kunnen dat hij het loodje heeft gelegd in een machtsstrijd tussen twee kerkelijke facties: de richting die de macht van Rome voorop stelde, en de richting die een sterke plaatselijke kerk voorstond.
 

 

 

citaat van André Louf

citaat van André Louf

André Louf (1929-2010) was jarenlang abt van de trappistenabdij van de Catsberg, in Noord-Frankrijk. In 1998 trok hij zich als kluizenaar terug in Zuid-Frankrijk. Hij wijdde er zich niet alleen aan het gebed en de beschouwing, maar vertaalde ook talloze werken van grote geestelijke schrijvers naar het Frans. In 2008 schreef hij een klein boekje “Initiation à la vie spirituelle” [Initiatie in het geestelijk leven], waarin hij op een toegankelijke manier enkele constanten in de ontwikkeling van het geestelijk leven beschrijft. Het geestelijk leven heeft zich doorheen twintig eeuwen christendom op vele verschillende manieren ontwikkeld, telkens afgestemd op de cultuur en het levensgevoel van een bepaalde tijd. Zo hebben er zich binnen de christelijke spiritualiteit verschillende tradities afgetekend. Bovendien, aldus dom Louf, past de heilige Geest zich wonderlijk aan aan de eigenheid van elke mens. Zo beschouwd zijn er dus evenveel spirituele parcours als er mensen zijn. En toch kan men achter deze grote verscheidenheid qua vorm en beleving van de christelijke spiritualiteit een aantal constanten onderscheiden. Over die constanten gaat het boekje “Initiation à la vie spirituelle”. André Louf ziet als eerste constante in het geestelijk leven het contact met het Woord van God. Leven als christen is een levenswijze die niet alleen geboren wordt uit het Woord van God, maar er ook constant moet door gevoed worden. Wie bidt met het Woord van God in de Schrift, die leert afdalen in zijn innerlijkheid. Over dit afdalen in de innerlijke mens schrijft André Louf het volgende:

Dit afdalen in de innerlijke mens is de eerste ervaring van iedereen die waarachtig probeert te bidden. Het is de meest fundamentele ervaring, de oerervaring, waaraan men altijd met ontroering en dankbaarheid terugdenkt. Maar tegelijk is deze ervaring nog maar een begin. Want naarmate het leven van de Geest zich ontplooit in het hart van wie bidt met de Schrift, zal deze zonder ophouden nieuwe betekenissen vinden in het Woord, dat immers “een oceaan van zin en betekenis” is (Origenes). Deze betekenis kan je echter niet op verstandelijke wijze formuleren; ze kan alleen gesmaakt worden met wat de Vaders “het verhemelte van het hart” noemen. De betekenis die de Schrift krijgt, vermenigvuldigt en ontwikkelt zich altijd gelijk opgaand met het geestelijk leven van de lezer, en dat tot op het punt waarop de Schrift zelfs het draagvlak wordt van de meest verheven mystieke ervaringen. Dit thema werd wondermooi uitgewerkt door Johannes Cassianus, en later opgenomen door Gregorius de Grote. Eeuwenlang hebben alle christelijke Kerken de Schrift zo gelezen, namelijk als een methode en een parcours van de spirituele ervaring, de mystieke ervaring incluis, ook al werd deze manier van lezen niet altijd even duidelijk geformuleerd. Laten we er een getuigenis uit de Oosterse Kerk bijhalen, zelfs een van de meest Oosterse die er zijn: Isaac van Ninive (8e eeuw), die niet in het Latijn of Grieks, maar in het Syrisch schrijft. Bij alle Schriftteksten die je onder ogen krijgt, dien je na te gaan wat de diepere betekenis ervan is, om je er diep in onder te dompelen en de intuïties te peilen in de geschriften van die verlichte mensen. Zij die door Gods genade ertoe gebracht worden zelf verlicht te worden, bemerken in de Schrift altijd iets als een geestelijke lichtstraal die doorheen de neergeschreven woorden schijnt. Die lichtstraal stelt hen in staat een onderscheid te maken tussen woorden die op een gewone manier gezegd zijn en andere die belangrijk zijn voor de verlichting van de ziel. Als iemand de Schriftwoorden, die een bijzondere betekenis bevatten, op een gewone, doordeweekse manier leest, dan maakt hij van zijn hart ook iets gewoons. Hij ontneemt zijn hart dan die heilige kracht die hem een zoete smaak kan bezorgen, door middel van intuïties uit de Schrift die de ziel in verbijstering halt doen houden. De ziel die deel krijgt aan de heilige Geest en die het Schriftwoord beluistert waarin een geestelijke kracht schuilgaat, die zal deze krachtbron vurig voor zichzelf willen vasthouden. Niet iedereen is echter voldoende wakker en waakzaam om zich te verwonderen over wat de Schrift op een geestelijke manier zegt en over de grote kracht die daarin schuilt. Deze auteur onderscheidt in de Schrift enerzijds “woorden die op een gewone manier gezegd zijn”, die niet tot het hart of de geest spreken, en anderzijds datgene “wat de Schrift op een geestelijke manier zegt”, en dat rechtstreeks tot de ziel van de lezer is gericht. We mogen dit onderscheid niet begrijpen alsof de Schrift zowel betekenisvolle als minder betekenisvolle woorden zou bevatten. Het gaat er eerder om dat niet elk woord uit de Schrift evenveel betekenis heeft voor elke individuele lezer. Isaac van Ninive legt hier het accent op de subjectieve houding van de lezer: er zijn woorden en verzen uit de Bijbel die de lezer koud en onverschillig laten, en andere die hem in vuur en vlam zetten door de vurigheid van Gods liefde. Het is van groot belang niet zomaar voorbij te gaan aan deze verzen uit de Schrift die “vol van betekenis” zijn, en de geestelijke intuïties die ze bevatten niet te laten ontsnappen. Wanneer iemand in de Schrift leest en de verborgen betekenis ervan probeert te vatten, dan groeit zijn begrip naargelang zijn Schriftlezing vordert. Stap voor stap wordt de lezer naar een staat van geestelijke verwondering gebracht. Wanneer hij deze staat eenmaal bereikt heeft, weet hij zich helemaal ondergedompeld in God: Zo komt hij ertoe zichzelf en zijn menselijke natuur te vergeten, want hij wordt als een dolblije mens die geen enkele gedachte aan het heden meer heeft. Over alles wat Gods grootheid aangaat, denkt hij met een bijzondere toeleg na, terwijl hij zegt “Eer aan zijn goddelijkheid!” of “Eer aan zijn wondere werken!”. Wie zo in beslag genomen is door Gods wonderwerken en onophoudelijk met verstomming geslagen wordt, leeft in een soort geestelijke dronkenschap, als leefde hij nu reeds het leven van na de verrijzenis. Het is duidelijk dat voor Isaac van Ninive de Schriftlezing niet alleen de bron van het gebed is, maar dat de ziel van daaruit ook opgetild wordt tot de hoogten van de mystieke ervaring.

ANDRÉ LOUF, Initiation à la vie spirituelle, Parole et Silence, 2008, p. 43-46