Maand: november 2014
Isaak de Syriër : zeg dan : wij zijn onnutte knechten
Isaak de Syriër (7e eeuw) monnik nabij Mossoel Overweging, 1e serie, nr. 5

“Zeg dan: Wij zijn onnutte knechten”
De ogen van de Heer kijken naar de nederigen, opdat ze zich verheugen. Maar het gelaat van de Heer keert zich af van de trotsen, om ze te vernederen. De nederige ontvangt altijd medeleven van God… Maak je klein in alles tegenover de mensen en je zult hoger verheven worden dan de prinsen van deze wereld. Loop vooruit op alle wezens, omhels ze, verlaag je voor hen, en je zult meer geëerd worden dan hen die goud aanbieden… Daal lager af dan jezelf en je zult de heerlijkheid van God in je zien. Want daar ontspruit de nederigheid, daar verspreidt zich de heerlijkheid van God… Als je nederig in je hart bent, dan zal God je daar opheffen in zijn heerlijkheid… Hou niet van eer, dan zul je niet onteerd worden. De eer vlucht voor degene die het naloopt. Maar de eer achtervolgt degene die het ontvlucht, en hij verklaart zijn nederigheid aan alle mensen. Als je jezelf minacht, om zo niet geëerd te worden, dan zal God Zich zal aan je tonen. Als je jezelf beschuldigt uit liefde voor de waarheid, dan zal God toestaan dat je bij de schepselen wordt geloofd. Ze zullen de deur naar de heerlijkheid van je Schepper openen en ze zullen je loven. Want je bent werkelijk zijn beeld en gelijkenis (Gn 1,26).
Bron :www. dagelijksevangelie.org
24e zondag na Pinksteren : de tempelgang van de Moeder Gods
24e zondag na Pinksteren
FEEST VAN DE TEMPELGANG VAN DE ALHEILIGE MOEDER GODS

Tempelgang van de Moeder Gods
Eerste lezing
Hebr.9,1-7
Toch had ook het eerste verbond liturgische voorschriften en zijn eigen, aardse heiligdom. Er was een eerste tent ingericht die de kandelaar en de tafel met de toonbroden bevatte; die noemde men het heilige. Achter het tweede voorhangsel was een tent die het allerheiligste werd genoemd. Daar stonden een gouden reukofferaltaar en de ark van het verbond, geheel met goud overtrokken, waarin zich een gouden vaas met het manna, de staf van Aäron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond bevonden. Boven de ark waren de cherubs van de heerlijkheid, die het verzoendeksel overdekten. Wij kunnen hier nu niet verder op ingaan. In het aldus ingerichte heiligdom gaan de priesters bij de uitoefening van de eredienst geregeld de eerste tent binnen, maar de tweede wordt alleen door de hogepriester betreden, slechts eenmaal per jaar, en niet zonder het bloed dat hij opdraagt voor zichzelf en voor de tekortkomingen van het volk.
Evangelie :
Lucas 10,38-42 en 11,27-28
Bij Marta en Maria Op hun reis ging Hij een dorp in. Een vrouw, Marta genaamd, ontving Hem. Zij had een zuster die Maria heette. Die kwam aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Marta had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe en vroeg: ‘Heer, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’ De Heer gaf haar ten antwoord: ‘Marta, Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.’
Gelukwensen Tijdens zijn toespraak verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep Hem toe: ‘Gelukkig de schoot die U heeft gedragen, en de borsten waaraan U hebt gezogen.’ ‘Inderdaad,’ zei Hij, ‘gelukkig zij die het woord van God horen en het bewaren.
TROPARION :
Heden is het begin van Gods welbehagen : de voorbereidende Verkondiging van de Verlossing der mensen. De Maagd komt in de Tempel Gods en verkondigt reeds aan allen de Christus. Tot haar willen ook wij met de Engel roepen : Verheug U, Vervulling van het Heilsplan van de Schepper.
KONDAKION :
De alreine Tempel van de Verlosser, het kostelijk maagdelijk Bruidsvertrek, de geheiligde Schatkamer van Gods Heerlijkheid wordt heden binnengeleid in het Huis des Heren. Zij brengt daar de genade van Gods Heilige Geest, terwijl Zijn Engelen zingen : Zie, daar is de hemelse woontent.
Augustinus : Weer bekleed worden met het bruiloftskleed
H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar. Sermon 90 ; PL 38, 559v
Weer bekleed worden met het bruiloftskleed

Wat is toch het bruiloftskleed waar het Evangelie over spreekt? Zeker is dat kleed iets dat alleen de goeden bezitten, zij die aan het feestmaal moeten deelnemen… Zouden het de sacramenten zijn? de doop? Zonder de doop, zal niemand tot bij God komen, maar er zijn er die de doop ontvangen en niet tot God komen… Misschien is het het altaar of dat wat men op het altaar ontvangt? Maar door het Lichaam van de Heer te ontvangen, eten en drinken sommigen hun eigen veroordeling (1Kor 11,29). Wat is het dan? het vasten? De boosdoeners vasten ook. Het kerkbezoek? De boosdoeners gaan net als de anderen naar de kerk… Wat is dan het bruiloftskleed? De apostel Paulus zegt ons: “De voorschriften hebben geen ander doel dan de liefde, die in een zuiver hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof, wordt geboren” (1Tim 1,5). Dat is het bruiloftskleed. Het gaat niet om zomaar een liefde, want vaak ziet men oneerlijke mensen anderen liefhebben…, maar men ziet bij hen niet deze liefde “die in een zuiver hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof, wordt geboren”; welnu die liefde is het bruiloftskleed. “Al ware het dat ik alle talen van de mensen en van de engelen sprak, zegt de apostel Paulus, als ik de liefde niet had, was ik slechts een klinkende gong, of een schelle cimbaal… Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen- had ik de liefde niet, dan ware ik niets” (1Kor 13,1-2)… Had ik dat alles, maar zonder Christus, zegt hij, dan “ware ik niets”… Hoeveel bezittingen zijn nutteloos, als er één bezit mist! Als ik geen liefde had, kon ik al mijn bezit uitdelen, de naam van Christus getuigen tot aan mijn bloedvergieten toe (1Kor 13,3), het zou nergens toe dienen, want ik zou zo kunnen handelen uit liefde voor mijn eer… “Als ik de liefde niet heb, dan zou het mij niet baten.” Dat is het bruiloftskleed. Onderzoek uzelf: als u het hebt, kom dan met vertrouwen het feestmaal van de Heer.
Bron : www.dagelijksevangelie.org
23e zondag na Pinksteren ‘de zwijnenhoeders’
23e zondag na Pinksteren
“genezing van een bezetene”

LEZINGEN
Epistel : Efesiërs 2,4-10:
Door zijn grote liefde voor ons heeft God, die rijk is aan barmhartigheid, ons die dood waren door onze overtredingen, met Christus ten leven gewekt. Aan zijn genade dankt u uw redding. Hij heeft ons samen met Hem laten opstaan en laten zetelen in de hemelse* regionen, in Christus Jezus, om in de toekomstige eeuwen* de overgrote rijkdom van zijn genade te tonen, door zijn goedheid jegens ons in Christus Jezus. Inderdaad, aan die genade dankt u uw redding door het geloof; en dat dankt u niet aan uzelf. Gods gave is het; u dankt het niet aan uw prestaties, opdat niemand trots zou zijn. Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus, om in ons leven de goede werken te doen die God voor ons heeft bereid, opdat wij daarin zouden leven.
Evangelie : Lucas 8,26-39 :
Genezing van een bezetene Zij voeren naar het land van de Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt. Toen Hij van boord ging, kwam Hem uit de richting van de stad iemand tegemoet die in de macht was van demonen. Al geruime tijd droeg hij geen kleren en woonde hij niet meer in een huis, maar in rotsgraven. Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor Hem neer en riep luidkeels: ‘Wat wilt U van mij, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Doe me alsjeblieft geen pijn.’ Hij had de onreine geest bevolen uit de man weg te gaan. Herhaaldelijk had die bezit van hem genomen; men bond hem dan vast met kettingen en voetboeien, maar steeds weer verbrak hij zijn ketenen en werd hij door de demon naar eenzame streken gejaagd. Jezus vroeg hem: ‘Wat is uw naam?’ Hij zei: ‘Legio’; er waren immers vele demonen bij hem ingetrokken. Zij smeekten Jezus hen niet de afgrond in te sturen. Nu weidde daar in de bergen een grote troep varkens; ze vroegen Hem toestemming om in die varkens te gaan, en Hij stond hun dat toe. De demonen kwamen uit de man en gingen de varkens in; de troep stoof de helling af, het meer in, en verdronk. Toen de varkenshoeders zagen wat er gebeurde, gingen ze ervandoor en vertelden het in de stad en op het land. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Ze kwamen bij Jezus en vonden daar de man uit wie de demonen waren weggegaan, gekleed en bij zijn volle verstand, gezeten aan Jezus’ voeten. Ze werden met ontzag vervuld. Ooggetuigen vertelden hun hoe de bezetene gered was. De hele bevolking van de streek van de Gerasenen vroeg Jezus toen bij hen weg te gaan, want ze waren hevig geschrokken. Daarop stapte Jezus in de boot om terug te varen De man uit wie de demonen waren weggegaan, vroeg Hem of hij bij Hem mocht blijven, maar Jezus stuurde hem weg. ‘Ga naar huis terug,’ zei Hij, ‘en vertel wat God voor u heeft gedaan.’ De man ging in heel de stad verkondigen wat Jezus voor hem had gedaan
Clemens van Alexandrië : De tollenaars en zondaressen zullen eerder in het Rijk God binnengaan dan u
H. Clemens van Alexandrië (150-ca 215), theoloog Homilie “Welke rijke zal gered worden”, 39-40

“De tollenaars en zondaressen zullen eerder in het rijk Gods binnengaan dan u”
De deuren van het Rijk Gods worden geopend voor wie zich oprecht en met heel zijn hart tot God richt, en de Vader ontvangt met vreugde een mens die werkelijk berouw heeft. Wat is het teken van waarlijk berouw? Niet terugvallen in zijn oude fouten en de zonden die u in doodsgevaar brengen met wortel en al uit uw hart trekken. Als ze dan uitgewist zijn, zal God weer in u komen wonen. Want, zoals de Schrift zegt, een zondaar die zich bekeert en berouw toont, geeft aan de Vader en aan de engelen een enorme, onvergelijkelijke vreugde (Lc 15,10). Hierom heeft de Heer uitgeroepen: “Ik wil geen offers, maar barmhartigheid” (Hos 6,6; Mt 9,13). “Ik wil niet de dood van een zondaar, maar dat hij zich bekeert” (Ez 33,11). “Als uw zonden als scharlaken zijn, ze zullen wit worden als sneeuw; als ze donkerder dan de nacht zijn, zal Ik ze wassen, en ze worden als witte wol” (Jes 1,18). Alleen God kan de zonden vergeven en de fouten niet aanrekenen, terwijl de Heer Jezus ons verhoort door elke dag onze broeders en zusters te vergeven als ze berouw hebben. En als wij, die slecht zijn, goede dingen aan anderen weten te geven (Mt 7,11), hoeveel te meer zal “de Vader vol van tederheid” (2Kor 1,3) dat dan doen? De Vader van alle troost, die goed is, vol van barmhartigheid, van compassie, en van nature geduldig is, wacht op hen die zich bekeren. En de werkelijke bekering veronderstelt dat men stopt met zondigen en dat men niet meer achterom kijkt… Laten we dus bitter spijt hebben over onze fouten uit het verleden en bidden we tot de Vader dat Hij ze vergeet. Hij kan, in zijn barmhartigheid, afstand doen van wat was en onze slechte daden uit het verleden door de dauw van de Heilige Geest, uitwissen.
Bron : www.dagelijksevangelie.org
Kierkegaard
SÖREN KIERKEGAARD

door Kris Biesbroeck
Inleiding
Tussen de jaren 1842-1846 heeft Kierkegaard een ongelooflijk grote geestelijke prestatie geleverd. Hij is erin geslaagd een nieuwe wijze te vinden om het leven van de mens tot verwoording te brengen. Hij beschouwde het als zijn roeping, om de mens zichzelf te doen uitspreken, om het individu te brengen tot een bewustwording van zichzelf. Op deze wijze heeft hij een grote stoot gegeven aan het hedendaags denken. In de volgende hoofdstukken zullen wij trachten een kort overzicht te geven van zijn leven zelf en zijn gedachte. Na een beschrijving van zijn leven, in het eerste hoofdstuk, zullen we de twee grondgedachten die men kan onderscheiden bij Kierkegaard behandelen in het tweede en derde hoofdstuk als : zijn strijd tegen de systematische filosofie en theologie, en zijn strijd voor een heroïscher opvatting van het Christendom. Lees verder “Kierkegaard”
heilige Joannes van Tobolsk
Heiligenleven
De heilige Joannes van Tobolsk

Heilige Joannes van Tobolsk
De heilige Joannes, metropoliert van Tobolsk en siberië, 1651-1715. Hij studeerde aan het theologisch instituut in Kiev, waar hij ook leraar latijn werd. Hij werd monnik van het Holenklooster en leidde een diep geestelijk leven. Hij was nog jong toen hem het predikambt voor de broeders werd toevertrouwd. Het grote thema van zijn onderricht, dat hem heel zijn leven bezig hield was :’ Hoe brengt de mens zijn wil in overeenstemming met de wil van God ?’ Dit was ook de ondertitel van zijn laatste en belangrijkste boek, ‘De Heliotroop’, de bloem die zich altijd wendt naar de zon en daardoor zelf tot een icoon wordt van de zon. Hij legde daarbij grote nadruk op innerlijke religieuze zelfkennis, en zijn preken deden middelen aan de hand om die te bereiken.
In 1678 werd hij met een opdracht naar Moscou gezonden, waar de patriarch hem tot assistent aanstelde van de hegoumen van het Svena-klooster in Bryansk.
In 1696 benoemde de heilige aartsbisschop Theodosios van Tsernigov hem tot archimandriet van het klooster van de Aljetskaja-icoon van de Moeder Gods, en wees hem aan als zijn opvolger. Het volgend jaar werd hij gewijd. Hij gaf bijzondere aandacht aan de theologische school van Tsjernigov en zette een hoge standaart vast van geestelijk onderricht en wetenschap, waarmee deze tot eersteling en model werd van de seminaries in Rusland. Tevens grondvestte hij een drukkerij voor geestelijke boeken, waar een reeks belangrijke uitgaven tot stand kwamen.
Als Aartsbisschop onderhield Joannes innige betrekkingen met de Athos, en hij verleende veel steun aan het Russische Panteleimon klooster op de Heilige Berg.
In 1710 werd hij benoemd tot Metropoliet van Tobolsk en Siberië. Ook daar besteedde hij bijzondere zorg aan de priesteropleiding, en aan het missiewerk onder de nog heidense Siberiërs. Hier schreef hij ook zijn ‘Heliotroop’, met het oog gericht op ‘zijn natuiurkinderen’ in dat land. Ook toonde hij zijn liefde voor hen door na de Goddelijke Liturgie in zijn huis open tafel te houden voor de geestelijkheid en de armen, waarbij hij zelf aan tafel diende. Na 5 jaar kwam er echter een einde aan dit werkzame leven : hij stierf plotseling na deze tafeldienst op 10 juni 1715. Twee eeuwen later werd Joannes plechtig heilig verklaard.
Uit : Heiligenleven voor elke dag – uitg. Orthodox klooster Den Haag
parabel van de zaaier
21e zondag na Pinsteren, 4e na de Kruisverheffing
Feest van de Vaders van het Zevende Oecumenisch Concilie
“De parabel van de zaaier”

LEZINGEN
Galaten 2,16-20
Aangezien wij weten dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door de werken van de wet, maar alleen door het geloof in Jezus Christus, zijn ook wij in Christus Jezus gaan geloven, om gerechtvaardigd te worden door het geloof in Christus en niet door de werken van de wet, want door de werken van de wet zal geen mens gerechtvaardigd worden. Als wij nu, door onze gerechtigheid te zoeken bij Christus, ook zelf zondaars bleken te zijn, betekent dit dan dat Christus in dienst staat van de zonde? Dat nooit! Maar als ik weer opbouw wat ik heb afgebroken, maak ik mezelf tot overtreder. Want staande onder de wet ben ik gestorven voor de wet, om te leven voor God. Met Christus ben ik gekruisigd. Ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij. Mijn sterfelijk leven is een leven in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij.
EVANGELIE
‘Een zaaier ging het land op om zijn zaad te zaaien. Bij het zaaien viel er een deel op het pad; het werd vertrapt en de vogels van de hemel aten het op. [6] Een ander deel viel op rotsige bodem; het kwam wel op, maar het verdorde door gebrek aan vocht. [7] Weer een ander deel viel tussen de distels, maar ook de distels groeiden op en ze verstikten het. [8] En weer een ander deel viel in goede aarde; het kwam op en droeg honderdvoudig vrucht.’ En Hij besloot met de uitroep: ‘Wie oren heeft om te horen, moet horen.’
[9] Zijn leerlingen vroegen Hem wat de gelijkenis betekende. [10] Hij zei: ‘Jullie is het gegeven de geheimen van het koninkrijk van God te kennen, maar* de anderen moeten het doen met gelijkenissen, opdat ze kijken, maar niet zien; horen, maar niet verstaan. [11] Dit* betekent de gelijkenis: het zaad is het woord van God. [12] Die op het pad zijn zij die het woord horen, maar dan komt de duivel en pakt het weg uit hun hart om te voorkomen dat ze gaan geloven en gered worden. [13] Die op de rotsige bodem zijn zij die het woord met vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar ze hebben geen wortel; ze geloven enige tijd, maar op het moment van de beproeving worden ze afvallig. [14] Wat in de distels valt zijn zij die horen, maar gaandeweg worden ze door zorgen, rijkdom en de genoegens van het leven verstikt en raken niet volgroeid. [15] Wat in goede aarde valt zijn zij die het woord met een goed en edel hart horen en vasthouden, die volharden en vrucht dragen.
Johannes Chrysostomos : De apostelen zijn getuigen van de verrezen Christus
H. Johannes Chrysostomus (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar Homilie over de eerste brief aan de Korinthiërs, 4, 3 ; PG 61,34 (vert. brevier)
![chrysostom22American stained glass (XX c.), [1600x1200].jpg](https://christelijkeinformatiebron.com/wp-content/uploads/2014/11/5552b-2424785570.jpg?w=840)
De apostelen zijn getuigen van de verrezen Christus
Paulus zei: “De zwakheid van God is sterker dan de mensen.” (1Kor 1,25). Daaruit blijkt eveneens dat de prediking goddelijk is. Hoe konden twaalf ongeletterde mensen eraan denken zoiets te ondernemen? Ze hadden altijd op het water geleefd en in afgelegen streken en nauwelijks een stad of een marktplein betreden. Hoe konden ze eraan denken tegen heel de wereld ten strijde te trekken? Ze waren bang en kleinmoedig. Dat getuigt de evangelist zonder te trachten hun tekorten te verbergen, wat wel het beste bewijs is van de waarheid. Wat zei hij over hen? Dat ze vluchtten toen Christus gevangen genomen was, hoewel ze talloze wonderen hadden gezien; en dat hun leider Hem verloochende. Toen Christus nog leefde waren ze niet in staat om de aanvallen van de vijanden konden verdragen. Hoe dan te verklaren dat ze … tegen heel de wereld ten strijde trokken, nadat Hij gestorven was? …Hadden ze toen bij zichzelf niet moeten zeggen: “Wat betekent dat? Hij was niet in staat zichzelf te redden. Zou Hij ons kunnen beschermen? Toen Hij leefde, kon Hij zichzelf niet verdedigen. Zou Hij, nu Hij dood is, ons de hand kunnen reiken? Tijdens zijn leven heeft Hij geen enkel volk onderworpen, en wij zouden door zijn woord heel de wereld moeten winnen…” Vast en zeker, ze zouden het niet gewaagd hebben, als ze Hem niet verrezen hadden gezien en een overtuigend bewijs hadden gekregen van zijn macht.
bron : www.dagelijksevangele.net
