Ireneus van Lyon : Heilige Lucas, metgezel en medewerker van de apostelen

H. Ireneus van Lyon (ca.130-ca.208), bisschop, theoloog en martelaar Tegen ketterij III,14

Irenaeus_of_Lyons_202.jpgHeilige Lucas, metgezel en medewerker van de apostelen

 

Dat Lucas een onafscheidelijke compagnon van Paulus is geweest en zijn medewerker voor het Evangelie, laat hij zelf duidelijk zien, niet verwaand, maar door de Waarheid zelf. Hij schreef: “Toen Barnabas en Johannes, bijgenaamd Marcus, die zich van Paulus afgescheiden hadden, te boot naar Cyprus waren gegaan, voeren wij uit naar Troas” (cf Hand 16,8.11). Waarna hij in detail hun reis beschrijft, hun aankomst in Filippi, hun laatste gesprek… En hij is heel zijn reis bij Paulus van wie hij met grote zorg de omstandigheden beschrijft… Omdat Lucas bij alles aanwezig was, heeft hij het met zorg op schrift gesteld – men kan hem niet betrappen op een leugen noch op trots, want al de feiten waren duidelijk.
      Dat Lucas niet alleen zijn compagnon was, maar nog meer de medewerker van de apostelen, van Paulus vooral, schrijft Paulus duidelijk in zijn brieven: “Demas heeft me verlaten en is naar Tessalonica gegaan, Crescens in Galatië, Titus in Dalmatië, alleen Lucas is bij mij” (2Tim 4,11). Dit bewijst dat Lucas altijd verenigd was met Paulus en wel op een onafscheidbare wijze. Zo leest men ook in de brief aan de Kolossenzen: “Lucas de geliefde dokter, groet jullie”(Kol 4,14)
      Van zijn kant heeft Lucas ons veel van het Evangelie en ook het belangrijkste ervan doen kennen… Wie weet overigens of God het niet zo gewild heeft, dat veel kanten van het Evangelie alleen geopenbaard moesten worden door Lucas, opdat zo allen hun goedkeuring als getuigen geven, die hij vervolgens aandraagt in de handelingen en in de leer van de apostelen; en dat zo de regel van de waarheid onveranderlijk bleef, zodat allen gered kunnen worden. Zo is de getuigenis van Lucas waar; het onderricht van de apostelen is openbaar, solide en verbergt niets… Zo zijn de stemmen van de Kerk, waaruit de hele Kerk zijn oorsprong haalt.

 

http://www.dagelijksevangelie.org

heiligenleven : De heilige Wulfram

Heiligenleven

De heilige Wulfram, bisschop van Sens en Medemblik

 

 

 

Wulfram of Sens.jpg

 

 

 

De heilige Wulfram, bisschop van Sens en Medemblik, was geboren in de buurt van Fontainebleau. Zijn vader was een vertrouwensman van DagobertI en Clovis II, en hij had hun grote diensten bewezen in verschillende oorlogen. Maar al was hij geheel in beslag genomen door het kampleven, toch zorgde hij dat zijn zoon een uitstekende opvoeding kreeg, en toen Wulfram een duidelijke aanleg vertoonde voor het religieuze leven, liet hij hem de priesterstudies doen.

Maar Wulfram kreeg niet de kans om ongehinderd aan zijn verlangen naar een teruggetrokken leven van studie te voldoen : in 670 werd hij opgeroepen om dienst te doen aan het hof bij Clotarius III en Dirk III, tot aan de dood van zijn vader. In diezelfde tijd raakte de zetel van Sens vacant en Wulfram werd unaniem tot opvolger gekozen. In 693 werd hij bisschop gewijd. Hij bezette deze zetel slechts twee jaar en deed afstand ten bate van de oorspronkelijke bisschop van Sens, die uit ballingschap terugkeerde.

Wulfram trok zich enige jaren terug in de abdij van de heilige Wandril om zich voor te bereiden voor een nieuwe taak. Hij schonk al zijn bezittingen weg om de handen geheel vrij te hebben, en in 700 zeilde hij met enige monniken uit naar Friesland voor missiewerk. Er was daar een fort gebouwd in Medemblik, dat dienst deed als uitgangspunt. Hij trad vrijmoedig voor koning Radboud en kreeg verlof om het evangelie te verkondigen. Het land was nog geheel overgegeven aan de afgodendienst en er werden afschuwelijke plechtigheden gehouden. Daarbij werden kinderen opgehangen als offer aan Wodan of in zee vastgebonden aan staken tot zij verdronken in de opkomende vloed, als offer aan de zeegodin Ran, opdat zij geen stormvloed over het land zou zenden. Deze kinderen werden door loting genomen uit de adelijke geslachten. Wulfram protesteerde hevig, maar tevergeefs. Dat waren nu eenmaal de gebruiken van zijn land, zei koning Radboud.

Eens zag Wulfram ,hoe zulk een jongen opgehanden werd, maar hij werd er niet bij toegelaten. Twee nuur later brak het touw en het lichaam viel op de grond. Wulfram boog zich erover heen, bad vurig en het kind herleefde. De jongen hechtte zich met heel zijn ziel aan zijn levensredder, ging later met hem mee en werd monnik in de abdij van Fontenelle. Deze Jona van Fontenelle is het ook die het leven van Wulfram heeft geschreven.

Dergelijke voorvallen maakten natuurlijk een diepe indruk en langzamerhand begon het volk tot het geloof te komen en liet zich dopen. In die tijd valt  ook het beroemde verhaal over koning Radboud die eveneens op het punt stond zich te laten dopen maar toen terugtrok omdat hij liever bij zijn voorouders in de hel wilde zijn dan zonder hen in de hemel. Deze geschiedenis staat echter niet in de oorspronkelijke levensbeschrijving. Waarschijnlijker is dat Wulfram als Frank, dus behorend tot de stam van de erfvijand, niet de meest geschikte missionaris was voor deze streek. Later zullen de Angelsaksische, dus bloedverwante zendelingen zoals Wilfried en Willibrord, meer succes behalen. Toch zal ook het voorbereidende werk van Wulfram daarin een rol hebben gespeeld.

Nadat Wulfram zo 20 jaar in Friesland had gewerkt, verlieten hem zijn krachten. Hij trok zo haastig mogelijk terug naar Fontenelle en stierf daar in vrede, te midden van zijn broeders, in 720, waarschijnlijk tegen de 80 jaar oud.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag . Uitg. Orthodox klooster Den Haag

17e zondag na Pinksteren : Van de kananese vrouw

17e zondag na Pinksteren

“Van de kananese vrouw”

 

kananese vrouw.jpg

 

 

LEZINGEN :

Eerste lezing :

2 Kor.9,6-16 – 7,1

Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.

Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.

 

Evangelie :

Matth.15,21-28

Jezus en een Kananese vrouw      Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’ Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’ Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen.

Isaak de Syrier : “Deze nacht komt men je leven van je opeisen”

H. Izaak de Syriër (7e eeuw) monnik nabij Mossoel Ascetische overwegingen, 1ste serie, nr. 38

Isaac de Syriër8.jpg

“Deze nacht komt men je leven van je opeisen”

Heer, maak mij waardig om mijn leven te verachten voor het leven dat in U is. Het leven in de wereld is gelijk aan hen die zich bedienen van brieven om woorden te vormen. Zo men wil, voegt men toe, neemt men weg, en verandert de brieven. Maar het leven van de komende wereld is gelijk aan wat geschreven is zonder ook maar een enkele fout in de verzegelde boeken met de Koninklijke zegel, waar niets aan toe te voegen valt en waar niets in mist. Dus hoewel we midden in veranderingen zitten, laten we op onszelf letten. Hoewel we de macht hebben over het script van ons leven, op wat we met onze handen hebben geschreven, laten we proberen om er het goede aan toe te voegen en laten we de fouten van ons eerdere gedrag eruit wissen. Hoewel we in deze wereld zijn, plaatst God het zegel noch op het goede, noch op het kwade. Dat doet Hij op het moment van onze exodus, wanneer ons werk af is, op het moment dat we moeten vertrekken.
Zoals de heilige Efraïm zegt, moeten we zien dat onze ziel gelijk is aan een boot die klaar is voor vertrek, maar niet weet wanneer de wind komt, of ook wel dat ze gelijk is aan een leger dat niet weet wanneer de trompet zal klinken om de strijd te beginnen. Als hij dat zegt over het schip en het leger die wachten op iets wat misschien niet zal gebeuren, hoeveel te meer moeten we ons dan niet voorbereiden voordat de dag plotseling komt, dat de brug neergelaten wordt en de poort naar de nieuwe wereld zich opent? Moge Christus, de middelaar van ons leven, ons geven dat we er klaar voor zijn.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

Acta van de martelaren van Scili

Acta van de martelaren van Scili

Uit Apowiki

 
 

1 Inleiding

Zes martelaren, afkomstig de stad Scillium, een verder onbekende stad in Numidië stierven op 17 juli 180 in Carthago door onthoofding, op bevel van Vigellius Saturninus, Proconsul van Afrika. De tekst van deze martelaarsakte is de oudste overgeleverde Latijnse Christelijke tekst überhaupt en het oudste bericht over Christenen in Noord-Afrika. De volgende tekst is de Passie van Felicitas en Perpetua (ca 202). Het is opmerkelijk dat deze martelaren niet gefolterd werden vóór hun terechtstelling. De dialoog tussen de proconsul en de martelaren leert dat de eerste geen vooroordelen tegen de Christenen koesterde. Hij wil enkel dat zij de wet gehoorzamen. Deze eerste martelaren uit Afrika stonden in hoog aanzien en werden zeer vereerd, vgl. Tertullianus, Ad Scap. 3. Waarschijnlijk werd hun jaardag vanaf het eerste jaar in Carthago gevierd. Er werd een basiliek boven hun graf gebouwd waar St.Augustinus  vaker preekte. Hun verering heeft zich in het Westen verspreid.

2 De tekst

 

  • 1. Onder het tweede consulaat van Praesens en dat van Claudianus, op 17 juli (A.D. 180),

zei proconsul Saturninus tot Speratus, Nartzalus, Cittinus, Donata, Secunda en Vestia,

die allen in een geheime verhoorkamer in Karthago gebracht waren om voor het

gerecht te verschijnen: “Gij kunt vergiffenis krijgen van de keizer, indien gij tot uw

 gezond verstand weerkeert.

  • 2. Speratus zei: “Nooit hebben wij iets misdaan, wij zijn aan geen enkele

 slecht werk medeplichtig geweest, nooit hebben wij een vervloeking uitgesproken.

Terwijl we slecht behandeld werden, hebben wij onze dank betuigd, omdat wij onze keizer eren.

  • 3. Proconsul Saturninus zei: “Ook wij zijn godsdienstig, en onze godsdienst is

eenvoudig, wij zweren bij de genius van de heer onze keizer, en bidden voor zijn heil.

Dat hoort ook gij te doen.

  • 4. Speratus zei: “Indien u even wilt luisteren, zal ik u een mysterie van eenvoud leren.
  • 5. Saturninus zei: “Ik zal niet luisteren wanneer gij slechte dingen zegt over wat

 ons heilig is, zweer liever bij de genius van onze heer, de keizer.

  • 6. Speratus zei: “Ik erken geen keizerschap van deze wereld; veeleer dien ik die God,

 die geen mens gezien heeft of zien kan met deze ogen. Ik heb niets gestolen, en

 over wat ik koop

 zal ik de belasting die daarop staat, betalen, omdat ik mijn Heer ken, de keizer van

alle koningen en volkeren.

  • 7. Proconsul Saturninus zei tot de rest: “Laat u niet langer door deze man overreden.”

Speratus zei: “Het is verkeerd zich te laten overreden tot een moord of tot een

vals getuigenis.

  • 8. Saturninus zei: “Volg hem toch niet in zijn waanzin.”

Cittinus zei: “Er is niemand anders die wij vrezen moeten dan God onze Heer,

 die in de hemel is.

  • 9. Donata zei: “Wij eren de keizer, omdat hij keizer is, wij vrezen echter God.”

Vestia zei: “Ik ben Christin.”

Secunda zei: “Wat ik ben, wil ik zelf zijn.

  • 10. Proconsul Saturninus zei tegen Speratus: “Blijft gij als Christen volharden?

Speratus zei: “Ik ben Christen”, en allen zeiden hetzelfde.

  • 11. Saturninus, de proconsul zei: “Wilt ge soms bedenktijd?

Speratus zei: “In een zó rechtvaardige zaak is er geen bedenktijd nodig.

  • 12. Proconsul Saturninus zei: “Wat zit er in uw tas?

Speratus zei: “De boeken en de brieven van Paulus, de rechtvaardige.

  • 13. Proconsul Saturninus zei: “Jullie krijgen 30 dagen uitstel om erover na te denken.”

Speratus zei weer: “Ik ben Christen”, en allen zeiden hetzelfde.

  • 14. Proconsul Saturninus las het besluit van de oorkonde: “Speratus, Nartzalus,

 Cittinus, Donata,

Vestia, Secunda, die bekennen als Christenen te leven, en die hardnekkig

bij hun besluit blijven,

 hoewel zij de gelegenheid gehad hebben om terug te keren tot de Romeinse

 levenswijze,

worden hierbij veroordeeld tot de dood door het zwaard.

  • 15. Speratus zei: “Wij danken God.”

Nartzalus zei: “Vandaag zullen wij martelaren in de hemel zijn. God zij dank.

  • 16. Proconsul Saturninus liet door een bode afkondigen: “Er is bevel

 gegeven Speratus,

Nartzalus, Cittinus, Veturius, Felix, Aquilinus, Laetantius, Januaria, Generosa,

Vestia, Donata en Secunda ter dood te brengen.

  • 17. Allen zeiden: “God zij dank.”

En zo werden allen tegelijk met het martelaarschap gekroond en heersen zij met

 de Vader en de Zoon en de Heilige Geest in alle eeuwen der eeuwen. Amen

3 Voetnoten

  1. (Sermo 299D-F PL 38). (Victor Vit., Persecut. Vandal. I, 3, 9; August, Serm. 155, ed. Migne).
  2. De originele Latijnse tekst: “Passio sanctorum Scilitanorum”, in: Rudolf Knopf (ed.), Ausgewählte Märtyrer Akten, Tübingen, J.C.B. Mohr, 1910, 28-29.

15e zondag na pinksteren : van het grote gebod

15e zondag na Pinksteren

“Van het grote gebod”

 

 

 

liefde.png

 

 

 LEZINGEN

EPISTEL : 2 Kor. 4,6-15

Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus.
Vol goede moed bij tegenslag Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Van* alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbaart. Voortdurend worden wij tijdens ons leven aan de dood uitgeleverd omwille van Jezus, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk bestaan openbaart. Zo is de dood aan het werk in ons, en het leven in u. Maar wij bezitten die geest van geloof waarover geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt*, ook ons met Jezus ten leven zal wekken en ons naar zich toe zal voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u, opdat de genade onder steeds meer mensen verbreid raakt en zij de dankbaarheid doet toenemen, tot eer van God.

EVANGELIELEZING : Mattheüs 22,35–46

en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’
Jezus’ tegenvraag over de Messias Terwijl de farizeeën bij elkaar waren, vroeg Jezus hun: ‘Wat denkt u van de Messias ? Van wie is Hij de zoon?’ Ze zeiden Hem: ‘Van David .’ Hij zei: ‘Hoe kan David, geïnspireerd door de Geest, Hem dan Heer noemen, als hij zegt: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd? Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ Niemand kon Hem daarop een antwoord geven, en niemand durfde Hem van die dag af nog iets te vragen. 

De brief aan Diognetus

De Brief aan Diognetus (HH 5-6)

Dit is een brief die een anonieme Christen schreef aan zijn heidense vriend om hem zijn geloof voor te stellen. De brief dateert van rond 150 (ev. 180). [Vertaling: Communio 4, 1976, 265].

5 De Christenen verschillen immers niet van de overige mensen noch door woonplaats, noch door taal of zeden. Want nergens wonen ze in eigen steden, noch gebruiken zij een afzonderlijke omgangstaal of leiden zij een aparte levenswijze. Hun leer is niet uitgevonden door het verstand of het vernuft van druk zoekende mensen en ze volgen ook niet zoals anderen een louter menselijke zienswijze. Maar terwijl ze in de steden van Grieken of barbaren wonen, al naar gelang ieders lot meebracht, en de plaatselijke gewoontes inzake kleding, voedsel en het overige leven volgen, vertonen ze toch een bewonderenswaardige en algemeen als vreemd erkende levenswijze. Ze wonen in hun eigen land, maar als vreemdelingen. Ze delen in alles mee als burgers, maar hebben alles te lijden als vreemdelingen. Elk land is hun een vaderland en elk vaderland is hun vreemd. Ze trouwen als ieder ander. Ze krijgen kinderen, maar leggen ze niet te vondeling. Ze delen hun tafel maar niet hun bed. Ze leven “in het vlees”, maar niet “naar het vlees”. Ze vertoeven op aarde, maar zijn thuis in de hemel. Ze gehoorzamen de vastgestelde wetten, maar door hun levenswijze overtreffen ze deze wetten. Ze hebben alle mensen lief en worden door iedereen vervolgd. Ze zijn niet gekend, en worden toch veroordeeld; ter dood gebracht, en ten leven gewekt. Ze zijn arm als bedelaars en maken velen rijk; ze lijden aan alles gebrek, en hebben alles in overvloed. Ze worden onteerd, en die ontering strekt hen tot roem; ze worden belasterd en worden gerechtvaardigd. Ze worden gesmaad en ze zegenen; beledigd en ze bewijzen eer. Doen ze goed, dan worden ze gestraft als boosdoeners; worden ze gestraft, dan verheugen ze zich als werden ze tot leven gewekt. Door de Joden worden ze bestreden als mensen van een andere stam, door de Grieken worden ze vervolgd. En die hen haten kunnen geen reden voor hun vijandschap geven.

6 Om het maar eenvoudig te zeggen: wat de ziel is in het lichaam dat zijn de Christenen in de wereld. De ziel is verspreid over alle ledematen van het lichaam en de Christenen over de steden van de wereld. De ziel woont wel in het lichaam, maar is niet van het lichaam. De Christenen wonen in de wereld, maar zijn niet van de wereld. De onzichtbare ziel wordt in een zichtbaar lichaam bewaard; de Christenen zijn wel gekend in de wereld, maar hun godsdienst blijft onzichtbaar. Het vlees haat de ziel en bestrijdt haar, niet dat het van haar enig onrecht te lijden heeft, maar omdat het gehinderd wordt om ongeremd te genieten; zo ook haat de wereld de Christenen, niet omdat ze haar onrecht aandoen, maar omdat ze zich tegen genietingen verzetten. De ziel houdt van het lichaam en zijn ledematen ook als zij haar haten; de Christenen houden van hen die hen haten. De ziel wordt door het lichaam ingesloten en toch houdt ze het in stand; de Christenen worden in de wereld vastgehouden als in een kerker, maar zij houden zelf de wereld in stand. De onsterfelijke ziel huist in een sterfelijke woning; de Christenen wonen als vreemdelingen in de vergankelijke wereld, terwijl ze de onvergankelijkheid verwachten. Een tekort aan spijs en drank maakt de ziel beter; alhoewel gefolterd, groeien de Christenen iedere dag in aantal. In een zo verheven staat heeft God hen geplaatst en die mogen ze niet van de hand wijzen.

Ignatius van Antiochië : Als schapen tussen de wolven

 

 

H. Ignatius van Antiochië (?- ca. 110) bisschop en martelaar Brief aan Polycarpus (69-155, heilige, bisschop en martelaar), 1-3 ; SC

 

 

 

 

IgnatiusOfAntioch.jpg

Ignatius van Antiochië

 

 

 “Als schapen tussen wolven”

      Ik roep je op om, door de genade waarmee je bent bekleed, je vurige ijver te verdubbelen en om al je zusters en broeders te roepen, opdat ze gered worden. Rechtvaardig je episcopale waardigheid door een onophoudelijke waakzaamheid van je lichaam en geest; heb zorg voor de eenheid: niets overstijgt deze. Verdraag met geduld al je zusters en broeders zoals de Heer jou verdragen heeft; steun hen allen met liefde, zoals je overigens al doet. Bid zonder ophouden; vraag om een nog grotere wijsheid; let op en bewaak met alertheid je geest; spreek tegen iedereen in het bijzonder, naar het voorbeeld van God. “Draag de gebreken” (cf Mt 8,17) van allen zoals een volmaakte atleet. Daar waar de moeite groter is, is de winst groter.
      Als je slechts van goede leerlingen houdt, heb je geen verdiensten; het zijn vooral de meest aangetaste die je met zachtmoedig moet behandelen. Men smeert niet dezelfde zalf op al de wonden; maak scherpe crisissen rustig met natte kompressen. In alle gevallen, wees ‘slim als een slang” en altijd “onschuldig als een duif”. Jij bent geest en lichaam, behandel wat onder de zintuigen valt, met goedheid, maar bid ook opdat de onzichtbare wereld je geopenbaard zal worden. Zo zul je aan niets gebrek hebben; je zult rijk zijn met alle gaven van de heilige Geest.
      Zoals een zeevaarder de winden aanroept en de schipper die belaagd wordt door stormen, een haven zoekt, zo nodigt de tijd je uit om naar God te gaan. Praktiseer de soberheid als een atleet van God, en je zult de prijs van het eeuwige en onvergankelijke leven winnen… Een groot atleet overwint ondanks de tegenslagen. Het is vooral om God dat we al deze beproevingen moeten accepteren, opdat Hij ook ons aanvaardt. Verdubbel je ijver; onderzoek deze periode goed. Wacht op degene die voorbij de tijd is, eeuwig en onzichtbaar, maar die zich om ons heeft laten zien -degene die onkwetsbaar en niet in staat te lijden, de Passie gekend heeft en met alle lijden heeft ingestemd.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org